Woensdag 27/10/2021

Dank je Mick, en tot ziens

Het is zeker niet zijn bedoeling, maar Philip Normans biografie maakt de ontluistering van Mick Jagger compleet. Al lezende krijg je een grondige hekel aan dat egocentrische, narcistische haantje.

Ergens aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw werden Mick Jagger, zanger van The Rolling Stones, en zijn toenmalige geliefde, zangeres Marianne Faithfull, uitgenodigd voor een diner in het kasteel van de jonge graaf van Warwick. Faithfull, vereeuwigd in de schitterende songs 'Sister Morphine' en 'Wild Horses', was de dochter van een Engelse majoor die later hoogleraar psychologie zou worden, en van Eva von Sacher-Masoch, barones Erisso, telg uit een aristocratische Oostenrijkse familie.

Jagger was de zoon van een gymnastiekleraar en een kapster uit Dartford, bij Londen. Een keurige middleclass-jongen, die toen nog Mike heette en die zijn ouders trots had gemaakt door op Dartford Grammar goed zijn best te doen. Zo had hij een plaatsje verdiend aan de gerenommeerde London School of Economics, waar hij economie ging studeren.

Mick Jagger gold op dat moment als een gevaar voor de gevestigde orde, het gezicht van de opstandige jeugd van de sixties. Een van seks, drugs & rock-'n-roll bezeten duivel, uit wiens brede mond nihilistische, amorele, godslasterlijke teksten kwamen: 'I Can't Get No Satisfaction', 'Sympathy for the Devil', 'Street Fighting Man'. De wereld stond in brand, in heel Europa gingen studenten de barricaden op, in Parijs leek in mei 1968 de revolutie te zijn uitgebroken en aan Amerikaanse universiteiten liep het protest tegen de oorlog in Vietnam uit op keiharde botsingen. De opstandige jongeren hadden een medestander - dachten ze. Een anarchist, iemand die het establishment net zo haatte als zij, de tekstschrijver van de revolte.

Cricket

Het vreemde was dat Mick Jagger zich buiten zijn songteksten zelden of nooit uitsprak over de tijdgeest. Zijn strijdbaarheid beperkte zich doorgaans tot cricketwedstrijden. Hij was politiek zelden controversieel en liet zich over de actualiteit hooguit uit in slappe teksten. Hij was bij lange na geen John Lennon of Frank Zappa. Dat Labour hem in 1968 verzocht zich kandidaat te stellen voor het parlement, was niet meer dan een staaltje links opportunisme.

In februari 1967 waren hij en zijn medebandleden niettemin het doelwit van een plot van de geheime dienst MI5 en de Amerikaanse FBI. Die hadden een als drugshandelaar vermomde mol de entourage van The Rolling Stones weten binnen te smokkelen. Doel was de Stones te betrappen met zo veel dope dat de band een voorgenomen tournee door de VS wel kon vergeten. Op 12 februari viel een politiemacht gitarist Keith Richards' landgoed Redlands in Sussex binnen. Ze troffen inderdaad drugs aan. Te weinig om een visum voor de VS onmogelijk te maken, genoeg om Richards en Jagger een tijdje achter de tralies te krijgen - overigens tot vreugde van beider mannetjesmaker.

Mick de rebel was maar één kant van Jagger, en wel de zorgvuldig gecreëerde. De ware Mick Jagger was een tamelijk burgerlijke jongeman, die tot zijn verbazing zag dat zijn ruige publieke imago hem toegang verschafte tot het bed van jonge aristocrates en de eettafel van jonge aristocraten zoals de graaf van Warwick - en die daar intens van genoot. Faithfull, niet gehinderd door Jaggers diepe ontzag voor de hogere klasse en de behoefte daarin te worden geaccepteerd, vond de jonge hertogen en graven juist onuitsprekelijk saai. Zo ook tijdens het etentje bij de Warwicks. Om saaiheid het hoofd te bieden slikte ze vijf Mandraxpillen, destijds een populaire downer. Daarop viel ze, tot diepe ontsteltenis van haar vriend en diens nieuwe kennissen, in slaap in haar bord soep. Het voorval is een tot dusver onbekende toevoeging aan de uitgebreide canon van Stonesverhalen in Mick Jagger, de biografie van Philip Norman. Net als het opzetje van de geheime dienst in de overbekende Redlands-episode.

Dat Mick Jagger een leven lang een dubbelrol speelt, was allang bekend, al komt Norman ook hier met veelzeggende anekdotes. In 1963 ging het zo voortvarend met de carrière van de Stones dat er flink geld binnenkwam en de hulp van een boekhouder moest worden ingeroepen. De eerste vraag die het verdorven rock-'n-rollbeest Jagger hem stelde, was hoe naar zijn verwachting de wisselkoers van het pond sterling zich zou ontwikkelen. Dat Jagger een gierige Ebenezer Scrooge en geldbeluste Dagobert Duck in één was - en nog altijd is - was ook al in brede kring bekend. Vooral de vrouwen die hij met een kind opzadelde, kwamen er vroeger of later achter hoe zuinig hij was.

Philip Norman (1943) interviewde Jagger voor het eerst in 1965. Ook toen, schrijft hij, kwam er al weinig zinnigs uit en was Jagger meer bezig het het leggen van contact met een paar meisjes aan een andere tafel dan met het gesprek. Dat Norman na geprezen boeken over de Stones en de Beatles óók een biografie van Jagger zou schrijven, viel dus te verwachten. Net als de mate van voorspelbaarheid daarvan.

Er is een hele bibliotheek vol geschreven over The Rolling Stones. En de verhalen over een band, zelfs al is die de 'Greatest Rock 'n' Roll Band in the World', zijn nu eenmaal beperkt. Je hebt de hoofdrolspelers en hun conflicten, je hebt de mensen in de marge, de songs en de optredens: en dat was dan dat. Mick Jagger is geen Napoleon en de Stones zijn geen Tweede Wereldoorlog - onuitputtelijke onderwerpen. Het is onvermijdelijk dat biografen en verhalenvertellers in herhaling vervallen, vooral wanneer het verhaal niet of nauwelijks meer wordt uitgebreid en de kern ervan ligt in de periode 1962-1972, waarin de Stones hun naam vestigden, hun beste lp's maakten en Mick Jagger uitgroeide tot het grootste popicoon aller tijden.

En zo is elk boek over de Stones of een bandlid een feest van herkenning. Daar zijn ze weer: de Marquee Club, waar de groep op 12 juli 1962 haar eerste optreden had, Andrew Loog Oldham, het negentienjarige pr-genie dat de groep omvormde tot de anti-Beatles, de gehaaide Allen Klein, die zich de rechten van alle vroege hits toe-eigende, de inval op Redlands, de reis naar Tanger, het tomeloze drugsgebruik van Keith, de dood van Brian, de moord tijdens het Altamont Festival en het einde van de hippietijd, de Franse ballingschap, de grote tournees van de jaren tachtig en negentig.

Liefjes

En natuurlijk de vrouwen, het eindeloze gedoe met vrouwen, tot je er als lezer dood- en doodziek van wordt. De eindeloze opsomming van Jaggers liefjes en de problemen met zijn liefjes, het begint op zeker moment mateloos te irriteren. What the fuck? Waarom moet dat allemaal weer worden opgelepeld? Het is meestal dertig, veertig, vijftig jaar geleden, de meeste minnaressen zijn oma. Ze konden er allemaal wat van, de Stones, maar Mick Jagger was de Casanova van de pop. Als we Norman mogen geloven, was hij al op de lagere school onweerstaanbaar voor meisjes. En dat blijft zo. Norman brengt Mick Jagger terug tot een onophoudelijk orgasme. "De muziek was altijd te herleiden tot de bobbel in de broek van de leadzanger."

Zo rond pagina 400 (we zijn pas in 1970 en Mick heeft ditmaal zijn oog laten vallen op de zwarte achtergrondzangeres Claudia Lennear) begint dat op de zenuwen te werken en krijgt de lezer - deze althans - een geweldige hekel aan het pathologische neukgedrag van Jagger. En daarmee steeds meer aan Mick Jagger zelf, het egocentrische, narcistische haantje dat met zijn nichterige danspasjes over het podium drentelt in een skinny jeans.

Je moet al een blinde fan zijn om geïnteresseerd te blijven in alle details over Marianne Faithfull, Anita Pallenberg, Bianca Jagger of Jerry Hall en een stuk of vierduizend andere bedgenoten. Je moet misschien zelf je hoogtepunten hebben beleefd in de jaren zestig om de nostalgie te voelen die Norman er kennelijk bij voelt. Zo niet, dan wordt het stomvervelend.

De biografie van Norman krijgt iets van Couperus' Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan: verhalen over hete liefdes en overspel, lang geleden, voor de zoveelste keer verteld door een dementerende oom. Norman kreeg, anders dan ghostwriter James Fox voor Richards' Life, amper hulp van Jagger zelf. Dat had de biografie uit kunnen tillen boven het zoveelste wandelingetje langs Memory Lane. Maar Jagger is alles vergeten, zegt hij.

Natuurlijk is Mick Jagger ook de beschrijving van een tijdperk, de vrijgevochten jaren zestig - maar dat weten we nu wel. Het laat ook zien hoe roem er met een persoonlijkheid vandoor gaat en hoe een gemaakte rebel uiteindelijk gaat geloven in zijn imago en zich ernaar gaat gedragen. De ware Jagger is altijd een controlfreak en conformist gebleven. Maar ook dat wisten we al. Als zijn imago onverwoestbaar is gevestigd, rond 1972, gooit hij zich met veel succes op de exploitatie van dat beeld. De zakenman Jagger vermomt zich in de decennia daarna geregeld als popster en trekt in megalomane shows over de wereld: de laatste tournee, A Bigger Bang, brengt meer dan een half miljard dollar op.

Het is zeker niet Philip Normans bedoeling, maar als je zijn boek na 640 pagina's dichtslaat, is de ontluistering van Mick Jagger compleet en resteert er weinig meer dan de vale schaduw van een halfgod. Alle verheerlijking die hem ten deel viel, staat in een ander daglicht: opeens zie je kristalhelder hoe de publiciteitsmachines decennia lang hun werk hebben gedaan en een valse mythe hebben gecreëerd, die door miljarden voor waar is gehouden.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234