Maandag 18/10/2021

'Daniel es el hombre, la la la'

Onlangs nodigden de Socialistische Mutualiteiten en het Fonds voor Ontwikkelingssamenwerking (FOS) een aantal journalisten uit naar het straatarme Nicaragua, waar ze beide actief zijn. En, zo blijkt aan de vooravond van de verkiezingen, stilletjes hopen ze op een terugkeer van de sandinisten en hun 'comandante' Ortega.

Walter Pauli

Foto's Sara Peeters

'Daar zijn ze, kijk.' Straathoekwerker César Davila wijst naar een groepje kinderen. Gewone spelende bengels op een pleintje midden in de stad. Goed, de schommel waarop ze zitten oogt gammel, de molentjes zijn verroest, maar dit is dan ook Managua, de hoofdstad van Nicaragua, een van de armste landen van Centraal-Amerika. De kinderen, een stuk of twintig, zijn tussen vijf en veertien jaar oud. Ze spelen, ze zitten in een boom, ze hangen wat rond, en de grootsten liggen er te slapen. Een vredig, wat loom tafereel.

Als César aankomt, is alle aandacht in een mum van tijd op hem gericht. Vlugge vingertjes graaien in de grote plastic zak vol brood. Kaakjes kauwen, snel, gulzig, hongerig. Pas na een paar minuten valt op hoe mager hun beentjes zijn, hoe knokig hun ruggengraat is, en ook dat hier en daar zo'n bengel vlasblond haar heeft, wat je niet verwacht bij Latino's. "Het gaat hier niet om bastaardkindjes van een of andere Amerikaan", legt César uit. "Het wijst op een tekort aan vitamine D en dus op structurele ondervoeding. Dat komt vaak voor." César Davila is hier als straathoekwerker van Quincho Barrileto, een organisatie die zich bezighoudt met de opvang van lijmsnuivertjes, prostituees en dakloze straatkinderen. De meeste kinderen die rond César samentroepen, zo blijkt, behoren tot de drie voorgaande categorieën tegelijk. Maar dit is dan ook Managua, de hoofdstad van Nicaragua.

Tussen de jongens loopt een wat ouder meisje rond. César: "Zo beschermt ze zichzelf, want als ze alleen blijft, is de kans niet gering dat een of andere paradilla of jongerenbende haar aanpakt, en veel illusies moet men zich daar niet bij maken." Het meisje wankelt meer dan ze loopt, giechelt, lacht dan weer, net iets te luid. Maar de microfoon van VRT-radiojournalist Luc Aerts intrigeert. Het wordt een kort gesprek, en zeer straight to the point.

- Hoe heet je? "Maria."

- Hoe oud ben je? "Zestien."

- Ga je nog naar school? "Neen."

- Waarom niet? "Ik kan niet naar school, want ik heb thuis te veel problemen."

- Kun je nog wel thuiskomen? "Toch wel. Soms..."

- Zou je niet liever naar school gaan? "Natuurlijk."

- Wat zou je dan graag worden? "Secretaresse."

- Ik zie veel van je vrienden rondlopen met een potje. Wat is dat? "In dat potje zit lijm."

- Waar dient dat voor? "Je kunt er je schoenen mee kleven, maar je kunt dat ook opsnuiven."

- Waarnaar ruikt dat dan? "Als je snuift, raak je high."

- Gebruik je dat nu ook? (enthousiast) "Altijd!"

- Wat betaal je daarvoor? "Vijf cordoba."

- Hoeveel potjes gebruik je zo per dag? "Twee, soms drie."

- En hoe raak je aan het geld daarvoor? "Ik prostitueer me."

En al durven sommige mannen het te ontkennen, ook in Nicaragua is een meisje van zestien nog altijd een (groot) kind. "Zo gaat het hier altijd", zegt César, kalm maar niet berustend. "Meisjes als Maria vragen 20 cordoba (1 cordoba is 0,09 euro, een kleine 4 frank): dan hebben ze hun drie potjes en nog wat extra geld. Aan condooms denken ze niet, al kennen ze perfect het risico van zwangerschap en aids. Eén op de vijf Nicaraguaanse tienermeisjes heeft een kind, ongeveer de helft is alleenstaande moeder."

Terwijl César een en ander uitlegt en het groepje Belgische journalisten en hulpverleners een frisdrank drinkt, wenkt een wat oudere heer Maria. Ze stapt uit onze kring. Een kort gesprek, misschien twee zinnen, en Maria voert de mooie man met zijn fijne snorretje tussen een paar gammele huizen door. Vanavond schaft de pot lijm. Het Belgische gezelschap staat erbij, de mond open, en niemand die iets doet, ook al is het een (grens)geval van kinderprostitutie, vlak onder onze ogen. Maar dit is nu eenmaal Managua, de hoofdstad van Nicaragua.

Het pleintje ligt aan de rand van de Mercado Oriental, een uitgestrekte en zeer volkse markt in het centrum van de stad. Het gaat om de grootste markt van Centraal-Amerika, en naar verluidt ook de gevaarlijkste. Toch trekt half Managua hierheen. De Mercado heeft immers de reputatie dat alles er te koop is, maar dan ook álles, van snacks over zeemzoete Mariabeelden tot kalasjnikovs en ander tuig. Dus ook lijm, natuurlijk, en daarom zijn de kinderen hier. Overal in het gras liggen kleine glazen bokaaltjes, soms nog voor een vierde gevuld met de witte substantie met de herkenbare geur. Haast alle kinderen klemmen zo'n ding tegen hun kin. Af en toe snuiven ze eraan, met dezelfde achteloze regelmaat waarmee hun Belgische leeftijdsgenoten op straat een blikje cola drinken. Alleen krijgt onze jeugd daarvan in het slechtste geval bedorven tanden of overgewicht. Ginds brandt de ether gegarandeerd gaten in hun hersenen. Want ook al heeft de overkoepelende organisatie van markthouders voor de volksgezondheid een protocol ondertekend waarin ze beloven om geen etherlijm meer aan kinderen te verkopen, een paar minuten rondkuieren leert dat die overeenkomst louter op papier bestaat. Dat leidt dan tot toestanden zoals die grootste slaper op zijn bankje, die maar ingedut blijft. Zou ook hij trek hebben in brood en koeken? "Laat hem maar liggen", schokschoudert een uk van een jaar of zeven. "Die is straks toch dood. Niets meer aan te doen." Zelf snuift het gastje nog eens nadrukkelijk aan zijn eigen pot. Jazeker: dit is Managua, de hoofdstad van Nicaragua.

Een paar uur later, in een van de opvanghuizen van Quincho Barrileto, hangt César Davila een somber beeld op van de toestand in zijn land. Vanuit België kenden we natuurlijk al de gegevens van de internationale statistiek. We weten dat Nicaragua volgens het Program of Development van de Verenigde Naties gezakt is tot de 127ste plaats op de wereldrangschikking van rijkste landen, op een totaal van 175. Dat is nauwelijks beter dan het niveau van al die straatarme Afrikaanse landen. Maar als je armoede ziet, als je een begrip als 'kinderverwaarlozing' ervaart, dan is dat nog iets dwingender en ingrijpender dan de lectuur van het Rapport Mondial sur le développement humain 2001. En hoewel Quincho Barrileto officieel een niet-partijpolitieke organisatie is, maakt César Davila geen geheim van zijn voorkeur: "Dit land kan deze regering gewoon geen vier nieuwe jaren verdragen. Dan blijft er helemaal niets meer over van de sociale structuur, en die is sowieso al stevig aangetast." Met andere woorden: op 4 november stemt César wellicht voor het FSLN, de sandinistische partij.

Ooit deden ze de wereld sidderen, de sandinisten, en dan vooral de VS. De luchthaven van Managua heet nog altijd Aeropuerto Internacional Augusto César Sandino, een verwijzing naar de beroemde revolutionair uit de jaren dertig die later zijn naam gaf aan het Frente Sandinista de Liberación Nacional, het Sandinistisch Front of FSLN. Helaas, in 1934 werd Sandino vermoord in opdracht van generaal Anastasio 'Tacho' Somoza García, de man die zijn naam gaf aan een even korte als crapuleuze dynastie van grondbezitters. Daaraan kwam een einde in 1979, met de beruchte sandinistische revolutie.

In één klap had Managua dezelfde militante bijklank als Havana of Hanoi: een hoofdstad van een straatarm derdewereldland waar, na een socialistisch geïnspireerde volksrevolutie, de Amerikanen en hun lokale stromannen - industriëlen, grootgrondbezitters - zonder veel omhaal buitengeflikkerd waren. In Nicaragua gebeurde dat in 1979, toen het linkse FSLN, in een groot verbond met de democratische vleugel van de Nicaraguaanse burgerij, korte metten maakte met het brutale, wetteloze en volstrekt corrupte Somoza-systeem. Vanaf 1984 werd Daniel Ortega, één van de zeven comandantes van het FSLN, als president gekozen. Hij behaalde 67 procent van de stemmen. Vandaag leert zelfs een intelligente Amerikaans-Britse reisgids als The Rough Guide zijn Angelsaksische publiek: "Wat je ook denkt van hun politieke opstelling, de verwezenlijkingen van de sandinisten waren enorm", en dan vooral op vlak van onderwijs, sociale bescherming en gezondheidszorg.

Het land kwam echter in een feitelijke oorlog met de VS, die in Managua het Rode Gevaar ontwaarden. De Reagan-administratie trok miljoenen dollars uit voor een vuile contra-oorlog. Samen met de fouten die het jonge bewind maakte, leidde dat in 1990 tot een verkiezingsoverwinning van de verzamelde oppositie onder Violeta Chamorro, en gingen de sandinisten terug naar af. Ook in 1996 liep het fout. Een verdeelde linkse oppositie verloor toen nipt de verkiezingen van Arnoldo Alemán, het kopstuk van de ultraliberale Partido Liberal Constitutional (PLC). De opvolgers van Sandino lieten zich, ditmaal op legale wijze en vooral wegens de eigen verdeeldheid, kisten door de politieke formatie waarin het voormalige Somozistische kamp verzamelen blaast. Sindsdien kent Nicaragua, meer nog dan tijdens het Chamorro-bewind (1990-1996), een moderne variant van het oude Somoza-bewind. Modern, in die zin dat instanties als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank de ultraliberale politiek van Alemán en zijn groep goedkeuren en ondersteunen. Oud, omdat de armoede opnieuw stuitende vormen aanneemt. Oud ook, omdat Alemán zelfs de schijn niet ophoudt dat hij een sociaal beleid wil voeren. De corruptie tiert zo welig dat het FSLN - en wellicht niet zonder grond - aanvoert dat Alemán in één legislatuur meer overheidsgeld achteroverdrukte dan de familie Somoza tijdens de kwarteeuw waarin zij het voor het zeggen hadden.

Dat César Davila niet uit zijn nek kletst over de ineenstorting van het sociale stelsel, wordt ook gestaafd door die internationale statistiek. Cijfers van de Sociaal-Economische Raad voor Latijns-Amerika leren dat Nicaragua bezig is zijn pensioenstelsel fiks te privatiseren. En dat in een land waar 53 procent van de mensen in extreme armoede leeft, 60 procent tot de 'armen' behoort en 70 procent 'bestaansonzeker' is. De werkloosheid treft zes op de tien volwassenen. Nog één cijfer, voor het drammerig wordt: in 1995 ging er 102 miljoen dollar naar onderwijs, in 1998 was dat 69 miljoen dollar. Ook dat is politiek.

En inderdaad, het kan nog erger dan op het pleintje bij de Mercado Oriental. Véél erger. Het wordt stil als het busje Belgen over een modderweg hobbelt die naar de krottenwijk vlak bij La Chureca leidt, en met Dré Steemans in zijn hoekje op de achterbank is dat geen sinecure. De aanblik van La Chureca, de hectaren grote vuilnisbelt van Managua, is dwingend en deprimerend. De bodem stinkt en gist, en daarop leven en werken mensen, worden kinderen geboren, troepen families samen. De geur, het zicht, de naakte kinderen... Hier lopen vooral blondjes rond, met hun blote voetjes onbekommerd door donkere en met grote zekerheid giftige plassen. En weer die potjes etherlijm, en walmen die opstijgen uit de krotten, een scherpe rook die zelfs de ogen van voorbijgangers doet tranen, terwijl zij met zijn tienen in zo'n krocht leven. Want uit al die kleine, gammele krotten en hutten duiken ineens onwaarschijnlijk grote families op wanneer er vreemdelingen langslopen. "Un cigarro?", vraagt een vrouw. Je zou hier uit pure schaamte over je eigen luxe spontaan een hele slof wegschenken, en dan nog een onvoldaan gevoel hebben. Tot aan de einder is het een en al vuilnisbelt, met hier en daar een silhouet van knokig, wroetend volk, veel runderen, mager maar tevreden, en honderden pikzwarte aasgieren. Telkens als een gammele vrachtwagen hier zijn smurrie lost, vliegen die onheilsvogels samen op, en telkens verduisteren ze heel even de hemel.

Maar al lijkt de beschaving hier te stoppen, de veerkracht van deze mensen is verbazend. Neem nu Marta Ruth Campos Meija. De pezige, taaie en ondanks haar armoede zeer waardige vrouw coördineert het wijkcomité van deze dompelaars aan de rand van de vuilnisbelt, en met succes. Ze hebben pas een strijd gewonnen tegen een familielid van president Alemán. "De runderen zijn, contractueel vastgelegd, belangrijker dan de mensen. De gronden van La Chureca zijn immers eigendom van Alemáns familie. Zij wilde eerst de krottenwijk opruimen. Niet uit humanitaire overwegingen, maar gewoon omdat de bewoners de beesten te veel voor de voeten lopen. Wij hebben daartegen geprotesteerd, en het is ons gelukt: we mogen hier blijven." Want, zo argumenteert Marta Ruth Campos Meija, zo slecht is het hier nog niet. Na de passage van orkaan Mitch 'mocht' een aantal gezinnen verhuizen van de vuilnisbelt naar propere sociale woningen. Een paar maanden later stonden ze terug. Hier hebben ze namelijk nog werk en dus een inkomen, door actief te zijn in de informele 'recyclage-industrie: plastic wordt gewassen, metaal verzameld, radiators worden omgebouwd tot oventjes, enzovoort."

's Avonds op restaurant zit Harry, een Nederlandse medewerker van het FOS, desondanks met een kater. "Wat voor ontwikkelingshulp is dit, als we die mensen steunen in hun strijd om op een vuilnisbelt te mogen leven?" En niemand die écht repliceert, want iedereen voelt het dilemma zo duidelijk aan.

Er zijn nog andere dilemma's, zo maakt Heri Lewites de dag erna duidelijk. Lewites is de FSLN-burgemeester van Managua. Zelf oud-guerrillero zou hij toch liever geen mensen hebben op het stort. In de marge van een boeiend betoog legt hij ineens uit: "En allemaal zitten ze naar tv te kijken, naar soaps uit de VS. Ze zien die luxe, en ze willen dat ook. Want al realiseren ze zich goed dat in Amerika niet iedereen rijk is, dat het ginds een ratrace is, toch willen ze het riskeren. Hier is het immers ook een struggle for life, en ginds zal ook voor de armsten nog altijd minder slecht zijn dan hier." Lewites weet waarover hij spreekt. In die krotten op de vuilnisbelt zagen we inderdaad mensen met glazige ogen naar tv staren. Geen geld voor kleding voor hun kinderen, voor gezonde voeding, voor medicijnen of onderwijs, wel voor een toestel dat hen doet dromen.

Niet dat FOS en de Socialistische Mutualiteit geen meer structurele projecten hebben. In de noordelijke stad Esteli, een centrum van de tabaksteelt, is er de Mutua del Campo. Augusto González Chevarria is er dokter: "Het principe is eenvoudig: de werkgever betaalt een (vrij stevige) bijdrage, de werknemers ook (maar minder), en met het geld van die kassen wordt een systeem van dokters en apotheekjes gefinancierd waar zij en hun families terechtkunnen voor goedkope geneeskunde. Maar gemakkelijk is het niet. De koffieteelt is compleet ingestort, met veel faillissementen tot gevolg. Er zijn dan ook werkgevers die geen bijdrage meer betalen, en daardoor staat ons ziekenfonds onder druk." Guy Peeters, algemeen secretaris van de Socialistische Mutualiteiten, is dit soort projecten met hart en ziel toegedaan. Hij ziet ook het politieke kader: de regering-Alemán heeft geen spatje interesse in de uitbouw van een mutualistische structuur, dus is het wachten op een change of the guards. In Nicaragua betekent dat: op de sandinisten en hun bondgenoten.

Het zal er dus warm aan toegaan bij de presidentsverkiezingen van 4 november. Regerend PLC-president Alemán is geen kandidaat om zichzelf op te volgen, zijn vice-president Enrique Bolanos wel. De grote uitdager is de Convergencia, met als kleur paars. Dat is niet toevallig. Toen de sandinisten in 1979 de macht grepen, was dat ook al in een front. Vandaag doen ze dat in een opvolger, de Convergencia, een minder agressief klinkend samenwerkingsverband met onder meer de Unidad Social Cristiana (de christen-democraten), de groepering van de Inheemse Volkeren en de evangelische kerken. "Het FSLN maakt niet meer dezelfde fout van vroeger", zegt Juan, een militant uit Managua. "Bij de vorige verkiezingen overtuigden we vooral de eigen achterban hoe goed we waren, maar we negeerden de niet-sandinisten, en zij zijn nog altijd de meerderheid."

Het FSLN is ook fundamenteel van aard veranderd. Dat staat zwart op wit in de Cartilla del Activista, het boekje van de activist, met antwoorden op de meest gehoorde kritiek. Zo staat er in vetjes in dat het FSLN de vrijheid van eredienst respecteert, dat de gehate dienstplicht (ingevoerd tijdens de strijd tegen de contra's) zeker niet terug zal komen, dat er geen gedwongen landhervormingen en beslagnames meer komen, maar dat het FSLN het privé-bezit respecteert. Als hieruit één politieke les te trekken valt, dan is het wel dat het FSLN het marxisme verlaten heeft en zich heeft omgevormd tot een (zij het linkse) sociaal-democratische partij.

Maar het oude elan blijft wel behouden. Dat blijkt duidelijk in Tecolostote, een dorpje op 100 kilometer ten oosten van Managua, midden in het Nicaraguaanse platteland. Daniel Ortega zal er om halfelf in de ochtend zijn aanhangers toespreken, en die zijn van de omliggende gehuchten komen afzakken om hun comandante te zien, te horen, in hem te geloven. Nog voor de middag troepen ze met meer dan duizend samen, allemaal getooid in het klassieke sandinistische zwart-rood, en hier en daar ook in een paars T-shirt. "Yo créo en Daniel" (Ik geloof in Daniel'). En met zijn allen hossen en ambiance maken, en liedjes zingen, opgezweept door een plaatselijke fanfare met ingedeukte instrumenten: "Daniel Ortega es el hombre / que puede cambiar esta situación" ('Daniel Ortega is de man die deze situatie kan veranderen'). De sfeer is uitstekend, Guy Peeters en Marc Elchardus, algemeen secretaris en voorzitter van de Socialistische Mutualiteiten, worden als belangrijke gasten op het podium gesommeerd en uitgenodigd voor een dansje met de cheerleaders van het FSLN.

En dan begint het wachten. Twee uur later laten Peeters en Elchardus zich uitgeput van het podium zakken, bijna zo roodverbrand als de kleur van hun organisatie. Ortega blijkt zijn routeplan te hebben veranderd, waardoor het verzamelde volk tot valavond mag wachten. Als de uitputting groot is, en iedereen moe en bezweet en hongerig, verspreidt het nieuws zich ineens en stijgt de spanning onder deze eenvoudige boeren ten top: el comandante is er. En jawel, onder politiebegeleiding, terwijl het hele dorp hem tegelijk de hand wil drukken - niet om 'dag' te zeggen, maar gewoon om hun levende heilige even aan te raken -, terwijl kinderen aangesleurd worden en ze er de dorpsoudste bij halen, neemt Daniel Ortega de microfoon.

Het eerste wat opvalt, is hoe zacht hij spreekt. Van een comandante verwacht je veeleer de gebalde vuist en megafoontaal. Niets daarvan. Stilletjes bouwt hij zijn betoog op, soms weliswaar crescendo - Ortega kán spreken - maar altijd goed en verstandig geargumenteerd, zonder te schelden op de lage aanvallen van de PLC naar zijn persoon. Hij zou, hoe kan het anders, een bondgenoot van Bin Laden zijn. Verder dan sarcasme komt het niet: "Ik beloof dat we weer zullen investeren in het onderwijs. Dan kunnen nog andere mensen lezen, buiten die PLC-burgemeesters die het in de jaren tachtig hebben mogen leren tijdens onze alfabetiseringscampagne."

Achteraf zal hij zijn prioriteiten nog even verduidelijken voor de "Europese journalisten": "We moeten af van de corruptie, we moeten werk verschaffen, we moeten ons onderwijs weer op niveau krijgen. En ja, we werken anders dan vroeger. Maar wij blijven revolutionairen, en dat betekent nu eenmaal cambio (verandering). Vandaag zijn de omstandigheden anders dan toen." En, stelt hij, het FSLN en hun Convergencia behouden het geloof in het volk: "Wij zijn een nederig, schamel volk. Maar het volk is sterk. Wij kunnen alleen maar winnen door hen bij onze politiek te betrekken en hen te motiveren. Dan zal het wel lukken."

Ongeloofwaardig is het niet. Daar, in dat godvergeten dorpje in dat kleine land, tussen dat eenvoudige, deels ongeletterde werkvolk, voel je plots hoe krachtig 'politiek' kan zijn. Hoe het mensen hoop kan geven, en kracht, en moed om verder te doen. Niet zeuren, het wordt ooit beter. Het eerlijke enthousiasme was van die aard dat het oversloeg op de overgebleven Belgen, hen meesleepte en zelfs ontroerde. "Daniel Ortega el hombre?" In de gegeven omstandigheden: ja. Nu maar hopen dat hij en zijn nieuwe coalitie dit mooie maar arme land er bovenop krijgen. Dan heeft hij zijn plaats in de geschiedenis helemaal verdiend.

Daniel Ortega: 'Wij zijn een nederig, schamel volk. Maar het volk is sterk. Wij kunnen alleen maar winnen door hen bij onze politiek te betrekken en hen te motiveren. Dan zal het wel lukken'

'Af en toe snuiven de kinderen aan hun lijmpot, met dezelfde achteloze regelmaat waarmee hun Belgische leeftijdsgenoten op straat een blikje cola drinken. Alleen krijgt onze jeugd daarvan in het slechtste geval bedorven tanden of overgewicht. Ginds brandt de ether gegarandeerd gaten in hun hersenen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234