Maandag 26/07/2021

Dan toch nog een happy end

We schrijven 2 maart 1991. Het openbare leven stokt in Parijs. Dj’s stoppen met platen draaien en in cafés vallen de gesprekken stil. Op de radio heeft een stem net verteld dat Serge Gainsbourg dood is aangetroffen in zijn huis in de rue de Verneuil. De uren nadien stromen zo veel rouwende fans toe dat de politie zich genoodzaakt ziet de buurt af te zetten. Algauw lijkt het alsof er een staatshoofd is gestorven. De Franse televisie zendt onafgebroken films, concerten en interviews met, over of van Gainsbourg uit, en zowat alle radiozenders putten non-stop uit het imposante repertoire dat hij heeft nagelaten. Op zijn begrafenis leest Catherine Deneuve de tekst van zijn lied ‘Fuir le bonheur de peur qu’il ne sauve’ voor. President Mitterrand roemt hem als de man “die met zijn genialiteit het Franse lied tot een kunst heeft verheven”. Jack Lang, de minister van Cultuur die de liedjesschrijver eerder al tot Ridder van de Franse Letteren had geslagen, noemt hem in een mededeling “een van de grootsten in de Franse dichtkunst en muziek”.

Die waardering van het establishment is op zijn minst merkwaardig, gezien de controverse die Gainsbourg tijdens zijn leven aanwakkerde. Hij was tenslotte de man die France Gall zonder dat ze het besefte over orale seks had laten zingen, die zich de toorn van het Britse en het Nederlandse koningshuis op de hals haalde met het zinnenprikkelende ‘Je ’t aime... Moi non plus’, en die ook heel wat van zijn eigen fans tegen zich in het harnas joeg door met zijn toen dertienjarige dochter Charlotte het taboedoorbrekende ‘Lemon Incest’ op te nemen en haar later opnieuw op te voeren in Charlotte For Ever, een film waarin de seksuele spanning tussen vader en dochter zichtbaar te snijden was. Het was ook Gainsbourg die regelmatig stomdronken in praatprogramma’s verscheen, die uit protest tegen zijn torenhoge belastingen op televisie een biljet van vijfhonderd Franse frank in brand stak, en die tijdens een andere liveuitzending aan een gechoqueerde Whitney Houston zei dat hij haar wilde neuken. Hij was, misschien nog het opmerkelijkst van al, de zanger die het had aangedurfd het Franse volkslied op een reggaebeat te zingen, een heiligschennis die kon wedijveren met de ‘Star Spangled Banner’ van Jimi Hendrix.

Jodenster

Serge Gainsbourg werd in 1927 als Lucien Ginsburg geboren in een abortuskliniek vlakbij het Parijse Pigalle. Zijn ouders waren Russisch-joodse immigranten, zijn vader was pianist van beroep. Met al die muziek in huis duurde het niet lang voor de zoon ook zelf op het klavier begon te timmeren. Lucien was braaf, haalde goeie punten, maar was zo klein en angstig dat hij op school vaak voor een meisje werd aanzien. Hij beleefde al bij al een vrij onbezorgde jeugd, maar dat zou veranderen toen de Duitsers Parijs bezetten, en hij net als alle andere joden een ster moest dragen. Aan biograaf Gilles Verlant vertrouwde de zanger toe dat het toen al afgelopen kon zijn geweest.

“Ik ben nooit vergeten dat ik eigenlijk al in ’41, ’42, ’43 of ’44 had moeten sterven. Eigenlijk daarvoor al. Mijn moeder was per slot van rekening van plan abortus te plegen.”

Na de oorlog nam Gainsbourg zich voor schilder te worden, maar hij kreeg al snel in de gaten dat hij nooit een groot talent zou worden. En liever dan een tweederangsschilder te zijn wilde hij een eersteklas liedjesschrijver worden. Eerst voor anderen - de toen al enorm populaire Juliette Gréco was de eerste die zijn songs opnam - daarna ook voor zichzelf. Na zijn legerdienst (waar hij naar eigen zeggen binnenging zonder ooit een druppel gedronken te hebben, en als alcoholist weer buitenkwam) veranderde hij met het oog op zijn artistieke carrière zijn echte naam in Serge Gainsbourg. De voornaam omdat die Russisch klonk, de familienaam als eerbetoon aan de Engelse schilder Thomas Gainsborough. Met zijn nieuwe identiteit als pantser durfde de stikzenuwachtige liedjesmaker het aan zelf op het podium te gaan staan in het Parijse Rive Gauche-circuit, waar ook Charles Trenet zijn eerste stappen had gezet. Op zijn dertigste tekende hij zijn eerste platencontract bij Philips, het label van George Brassens en Jacques Brel.

Liefde-haat

Gainsbourgs eerste opnames hielden het midden tussen cocktailjazz, beatnikpop en Frans chanson, met een Amerikaans gevoel voor ritme en swing. Maar opmerkelijker waren zijn vaak uitgesproken misogyne teksten. Vrouwen waren er kennelijk vooral om te bedriegen, te manipuleren of aan de deur te zetten als je ze beu was. Gek dat iemand die zo van vrouwen hield er zoveel haat voor kon voelen. Het bleek het gevolg van een liefdestrauma dat hij als negentienjarige had opgelopen toen hij smoorverliefd werd op de kleindochter van de schrijver Lev Tolstoj, die hem afwees op de avond dat ze samen naar bed zouden gaan. Daarvoor had hij als zeventienjarige ook al geprobeerd ontmaagd te worden door een prostituee, maar die lachte hem alleen maar uit. Later zou hij wraak nemen door uit te gaan met enkele van de mooiste vrouwen die Frankrijk ooit had voortgebracht. De mooiste van allemaal was uiteraard Brigitte Bardot. Hij had al eerder voor haar geschreven, en ze was (naast Petula Clark, France Gall, Dalida, Dominique Walter en Juliette Gréco) een van de velen die nummers van hem wilden. De reden waarom hij zo gewild was, lag voor de hand: hij koos zelf met wie hij wilde werken en hield daarbij goed in de gaten wie hip was en wie niet. Maar Bardot kwam Gainsbourg pas tegen in ’67, tijdens een talkshow van Sacha Distel. De vonk sloeg haast meteen over. In het begin ontmoetten ze elkaar nog stiekem, maar het duurde niet lang voor de schone en het beest zich gewillig samen lieten fotograferen terwijl ze het Parijse nachtleven verkenden. In de kranten werd druk gespeculeerd wat de bloedmooie Bardot in zo’n monster zag. En gek genoeg had Gainsbourg, die geen spiegels in huis duldde, zich dat zelf ook al eens afgevraagd. Zijn antwoord was even wrang als ironisch: “Lelijkheid heeft één voordeel op schoonheid: het gaat veel langer mee.” Gainsbourg was weliswaar trots en ijdel, maar tegelijk zat hij zijn hele leven lang vol zelfhaat.

Bardot en Gainsbourg hadden een zeer intense, seksuele relatie, en de hoestekst van de gezamenlijk opgenomen Bonnie and Clyde-elpee liegt er niet om. “Deze liedjes van Brigitte en mezelf zijn bovenal liefdesliedjes. Liefdesstrijd, gepassioneerde liefde, fysieke liefde, verzonnen liefde. Moreel en amoreel, dat maakt niet uit. Ze zijn vooral eerlijk.” Een van de eerlijkste nummers staat er evenwel niet op: ‘Je ’t aime... Moi non plus’. Het lied werd opgenomen in de Parijse Barclay Studio tijdens een intieme, twee uur durende sessie waarbij de twee dicht tegen elkaar aanzaten in een klein, door damp aangeslagen glazen hokje. Het resultaat klonk als twee mensen die de liefde bedreven op een kerkorgel. Alleen vervelend dat Bardot op dat moment nog getrouwd was met Gunter Sachs. Ze zou Gainsbourg niet veel later verlaten om haar huwelijk een tweede kans te geven, en smeekte hem de single niet uit te brengen. Gainsbourg was er het hart van in. Niet alleen was hij de mooiste vrouw ter wereld kwijt, maar meteen had ook de kans verkeken om in eigen naam een hit te scoren. Als afscheid aan zijn blonde geliefde nam hij in Londen de elpee Initials B.B. op, maar het zou niet lang duren voor hij een vrouw zou ontmoeten die een nog veel belangrijkere rol in zijn leven zou spelen: de veel jongere Britse actrice Jane Birkin. Ze had naam gemaakt als het eerste meisje dat helemaal naakt op het Engelse filmscherm was verschenen. Het duurde niet lang voor hij Birkin vroeg om ‘Je ’t aime...’ opnieuw met hem op te nemen. En zijn voorgevoel klopte: het nummer werd met zes miljoen verkochte exemplaren de grootste hit uit zijn carrière. En net als bij de Bardotversie werd in de media druk gespeculeerd over de vraag of de twee tijdens de opnames echt de liefde hadden bedreven. Gainsbourg reageerde laconiek. “Gelukkig niet, want dan was het, mag ik hopen, toch wel een langspeelplaat geworden.”

Zwart

De hijgsingle veroorzaakte flink wat consternatie, wat ironisch was voor een liefdeslied dat al in de titel ontkende dat het een liefdeslied was. In Italië sprak het Vaticaan een ban uit over het nummer, en kreeg de platenbaas van Philips twee maanden voorwaardelijk. In Nederland beval koningin Juliana, die deels eigenaar was van Philips, de productie van de plaat onmiddellijk stil te leggen. In Groot-Brittannië werd de song in stilte afgevoerd door de BBC, maar toen een independent het een jaar later weer uitbracht, ging het toch nog naar nummer één. Meteen de eerste keer dat een lied in een andere taal de Britse charts aanvoerde. En door een poëtisch toeval bleef ‘Je ’t aime... Moi non plus’ in de VS op 69 steken.

Het succes van de single had Gainsbourgs artistieke ambitie nog aangescherpt, en zijn volgende elpee (de eerste Franse conceptplaat) wordt een baanbrekend meesterwerk. Histoire de Melody Nelson brengt de liefdesgeschiedenis in kaart tussen een Fransman van middelbare leeftijd en een roodharig Brits meisje van nog geen vijftien. De songs, opgebouwd als een verhalencyclus, staan bol van seks, esthetiek, de dood en de obsessie met puurheid. De verteller beschrijft hoe hij het meisje ontmaagdt en hoe passioneel de liefde is, maar uiteindelijk volgt er geen happy end. Omdat, zo wist Gainsbourg inmiddels uit ervaring, “elke liefdesgeschiedenis slecht afloopt”. Het is wellicht het meest invloedrijke halfuur in de Franse pophistorie, en artiesten als Beck, Portishead, Hooverphonic, Air en The Divine Comedy bekennen openlijk dat de plaat een van hun belangrijkste inspiraties is geweest. Maar destijds werden er wereldwijd nauwelijks 15.000 van verkocht. Zijn volgende elpee Vu de l’extérieur, een plaat die de kont als centraal thema heeft en die songs bevat over vrouwen die naar de wc gaan (“la poupée qui fait”), over scheten (“des vents, des pets, des poums”) en stront (“Titicaca”), werd eveneens een flop. Al staat er tussen al die (b)analiteiten wel een bloedstollende ballad op die later een echte klassieker zou worden: het prachtige, later ook door Jo Lemaire gecoverde ‘Je suis venu te dire que je m’en vais’. Zelfs het opmerkelijke Rock Around The Bunker, een provocerende, subversieve verzameling nummers over Hitler, Het Derde Rijk, en de jodenster die hij als kind moest dragen, ging ondanks de erg lovende kritieken roemloos ten onder.

In de jaren zeventig werd Gainsbourg door de meerderheid van de Fransen als kitscherig beschouwd, iets waar ze hun neus voor ophaalden. Al bleef de zanger wel een kleurrijke figuur. In ’73 kreeg hij zijn eerste hartaanval, maar het viel de ambulanciers niet mee hem het ziekenhuis in te krijgen. Gainsbourg wilde immers de brancard niet op omdat hij, altijd al een estheticus, het deken niet mooi vond. Pas toen hij zijn eigen deken van Hermès mocht gaan halen (waar hij op de koop toe een paar sloffen sigaretten in wegmoffelde) kon de ziekenwagen vertrekken.

Twee jaar eerder was Jane Birkin bevallen van een dochter, een souvenir van hun reis naar Joegoslavië. Met Charlotte erbij verhuisde het jonge gezin naar hun huis in de rue de Verneuil, maar het interieur stond haaks op dat van de gemiddelde rocksterwoning. Zwarte muren, zwart plafond, zwarte marmeren vloeren, zwarte sofa’s en een zwarte Steinwayvleugelpiano. Zelfs de bediende die de deur open deed was zwart. “Zwart is een niemandsland”, zei hij daarover. “Een neutrale waarde.” En ondanks zijn imago van slechtgeschoren, wat verwaaide muzikant was hij haast ziekelijk geobsedeerd door orde en netheid. Geen toeval dus dat hij later nog reclame zou maken voor een wasmiddel met de slogan ‘Doe zoals ik, gebruik Woolite’.

Alleen: al die tijd bleven zijn platen onverkocht in de winkel liggen, en het geld dat hij met ‘Je ’t aime...” had verdiend, raakte stilaan op.

Bye bye Birkin

De kentering kwam er toen de punks Gainsbourg in de armen sloten. De Franse punkband Bijou kreeg hem zelfs zover dat hij live met hen optrad, en anders dan in ’65 werd hij deze keer niet uitgefloten. Integendeel: het publiek, tieners vooral, droeg hem op handen. En toen hij eind ’79 naar Jamaica trok om er samen met Sly & Robbie de eerste Franse reggaeplaat op te nemen, scoorde hij eindelijk opnieuw een hit. Aux armes et caetera werd de belangrijkste plaat uit zijn carrière. Op zijn eenenvijftigste bleek Gainsbourg plots hipper dan ooit. En de meesterzet die hem zijn comeback bezorgde, loog er niet om: de titelsong, waarin hij op een lome reggaebeat de Marseillaise zingt, veroorzaakte een rel die de consternatie rond ‘Je ’t aime... Moi non plus’ tot een akkefietje degradeerde.

Het was, zo vond extreem rechts, heiligschennis. En, zo redeneerde Gainsbourg, daardoor ook onbetaalbare publiciteit. Hij ging weer op tournee en alle concerten waren in een zucht uitverkocht. Al liepen er haast elke avond bombedreigingen binnen. In Straatsburg zorgde een flink aantal militairen voor een grimmige sfeer, klaar om hem te lynchen zodra hij zijn vertimmerde versie van de Franse nationale hymne zou inzetten. Maar hij zette ze voor schut door (lijkbleek, dat wel) in zijn dooie eentje de originele uitvoering te zingen. Terug in Parijs werd hij als een held onthaald. Gainsbourg was niet door de knieën gegaan voor extreem rechts. Ironisch dat iemand die nooit in politiek geïnteresseerd was geweest, plots geclaimd werd door de linkse beweging. Rechts Frankrijk raakte overigens nog meer beledigd toen hij twee jaar later het originele manuscript van ‘La Marseillaise’ kocht. Het maakte hem bijna failliet, maar het was, zo vond hij zelf, een erezaak.

Voor het eerst verscheen Gainsbourg zonder Jane Birkin op de cover van magazines. Eindelijk kreeg hij de erkenning waar hij heel zijn leven lang van gedroomd had, en als een kind in een snoepwinkel genoot de fumeur de Gitanes van zijn nieuwe status. Elke nacht ging hij uit, en niet zelden kwam hij zo dronken thuis dat het hem niet eens meer lukte de sleutel in de voordeur te draaien. En net toen het Gainsbourg op professioneel vlak voor de wind ging, voltrok zich een drama in zijn privéleven dat hij nooit echt te boven zou komen. Jane Birkin was zijn alcoholisme beu en pakte haar koffers. “Ik kon de stress om in een museum te leven waar zelfs de kinderen niets mochten aanraken, niet langer aan”, vertelde ze enkele jaren geleden aan De Morgen. “Bovendien kreeg ik langzaam maar zeker in de gaten dat hij mij ook als een soort museumstuk zag. Na mijn vertrek liet hij een bronzen afgietsel van mijn lichaam in de woonkamer installeren.”

Het trauma van haar vertrek, gekoppeld aan het ruige rock-’n-rollimago dat hij zich inmiddels had aangemeten, resulteerde in Gainsbarre, zijn nihilistische, wat verlopen alter ego dat steeds vaker in de media opdook dan hijzelf. In onvervalste Jekyll & Hydestijl stak Gainsbarre de draak met Gainsbourg, maakte hij hem publiekelijk belachelijk. En ook al ging de gebroken zanger twee jaar later toch weer een relatie aan met Bambou, een bloedmooi model van nauwelijks 21 jaar met wie hij later ook nog een kind zou krijgen, toch bleef Birkin zijn grote liefde. Gainsbourg sloofde zich uit om van de nummers die hij voor haar schreef de allermooiste te maken. Ook al waren het erg vaak songs waarin hij haar vroeg om de pijn te bezingen die hij voelde nadat ze hem verlaten had, wat het verhaal opnieuw een pervers randje gaf. Zelf deed hij overigens ook de grootste moeite om het shockeffect van Aux armes et caetera te evenaren op Mauvaises nouvelles des étoiles en Love on the Beat, twee platen waarop hij met de inmiddels bekende ironie zong over seks, God, rasta’s, joden en de vuile onderbroeken van zijn dochter.

Timing

Op artistiek vlak hield hij de vinger strak aan de pols, maar in het echte leven begon Gainsbarre er steeds slechter uit te zien. Vaak verscheen hij moe en afgemat in talkshows, en dat was lang niet alleen omdat zijn gezondheid te lijden had onder het drukke werkschema dat hij zichzelf had opgelegd. De alcohol en de sigaretten begonnen hun tol te eisen. Steeds werd zijn slaap verstoord door heftige nachtmerries, of dronk hij zich letterlijk in coma. Maar overtuigd van zijn eigen onsterfelijkheid bleef de Franse volksheld zich in snel tempo het graf in drinken. Daar kwam geen verandering in toen hij opnieuw een hartaanval kreeg. Pas toen in ’89 twee derde van zijn lever werd verwijderd - de Franse kranten hielden hun necrologieën al klaar - boekte hij een kamer in Hotel Raphaël en verbood hij het personeel hem alcohol te serveren. Lang duurde de afkickperiode evenwel niet. Na zijn desastreuze samenwerking met het toenmalige kindsterretje Vanessa Paradis raakte de inmiddels fel verzwakte Gainsbourg opnieuw aan de drank. En ook nu bleef het niet bij een glas of twee. De fles moest op. En de volgende ook.

De laatste maanden van zijn leven waren te treurig voor woorden. Inmiddels was kanker bij hem vastgesteld, maar niemand kon zich ertoe bewegen hem dat te vertellen. Naar de buitenwereld toe was Gainsbourg opnieuw zijn oude zelf. Hij grapte dat de box met zijn verzamelde werk een sarcofaag was, en vertelde in interviews (want ook in deze fase bleef hij mediageil) dat zijn lemma in de Larousse Encyclopedie er een stuk beter zou uitzien mocht zijn geboortedatum niet gevolgd zijn door een liggend streepje en een lege plek. Maar ver weg van de media en de televisiecamera’s was Gainsbourg een vereenzaamde zestiger die ’s nachts het gezelschap opzocht van de politie, omdat zij de enigen waren met wie op dat uur nog iets te drinken viel. Want ook al bleven de vrouwen in zijn leven hem verzorgen, toch was er maar één constante meer: de drank. En op 2 maart, een maand voor zijn drieënzestigste verjaardag, werd hij dood aangetroffen op zijn bed in de rue de Verneuil. Het was de brandweer die, gealarmeerd door ongeruste buren, zijn lichaam vond.

In de bescheiden necrologie die op de dag na zijn dood in The Independent verscheen, stond “dat Gainsbourg in zijn streven naar sterrendom gehinderd werd door iets wat nog veel erger was dan toondoof, blind en stom zijn. Hij was Frans.” Ook in andere buitenlandse kranten werd zijn overlijden hooguit één kolommetje waard geacht. Net daarom zou het Gainsbourg deugd hebben gedaan dat hij nu erkend wordt als de Franstalige evenknie van Bob Dylan, Lou Reed of Leonard Cohen. Dat zijn werk vandaag invloedrijker dan ooit is geworden, ook in de Angelsaksische wereld, zonder dat hij daar ooit een artistieke toegeving voor heeft moeten doen, is de ultieme revanche voor het gebrek aan erkenning dat hij het grootste deel van zijn leven heeft moeten verduren. En zelfs sterven deed hij met een vlekkeloos gevoel voor timing. Op het moment van zijn dood hing Parijs volgeplamuurd met affiches voor Merci la vie, de film waarin dochter Charlotte de hoofdrol vertolkte. En twee dagen na zijn dood verscheen zijn nieuwe single: een remix van het plots wel erg toepasselijke ‘Requiem pour un con’. Het werd postuum een nummer 1-hit.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234