Donderdag 28/05/2020

Czeslaw Milosz dichter van de woede

e Nederlandse schrijver-dichter Benno Barnard onderzoekt in deze reeks het ondermaanse hiernamaals van grote twintigste-eeuwse dichters. Na Emile Verhaeren, Hendrik Marsman, Georg Trakl, Joseph Brodsky, T.S. Eliot, W.H. Auden, Paul Celan, Nelly Sachs & René Char reist hij Czeslaw Milosz achterna, van Vilnius, het hart van Europa, naar Szetejnie, een dorpje in het aards paradijs op het Litouwse platteland. De reeks verschijnt binnenkort bij Atlas.

Hij werd geboren in tsaristisch Rusland, woonde een half leven in Amerika en stierf in postcommunistisch Polen: onze oude, verregende eeuw hing om zijn schouders als een jas vol gaten.

Vogelenzang vulde het rivierdal waar het landgoed van zijn grootouders lag; in de moerassen kwaakten de kikkers. Onvatbaar was het contrast met het door oorlog en revolutie gegeselde land der sovjets. De boeren in zijn geboortedorp spraken Litouws, maar zijn eigen taal was die van de landadel en intelligentsia: het Pools. Door de barokke kerken, vreemde objecten in deze noordelijke wouden, zweefde het Latijn van de liturgie. In de stad heerste een polyglotte vanzelfsprekendheid, zoals in zoveel Midden-Europese steden, Bialystok, Czernowitz, Lwów - het Jiddisch van de ene helft van de bevolking scheen de andere helft niet te storen.

Ik stel me een zomeravond in dit Wilno voor, waar hij het gymnasium en de universiteit bezocht: door een open raam klatert een waterval van pianoklanken richting plaveisel, waar asjkenazische joden een even alledaags verschijnsel zijn als paardenvijgen, zonder per se als dusdanig te worden behandeld. "Maar plotseling wordt dit alles geloochend door het demonische gedrag van de geschiedenis, die de trekken van een bloeddorstige godheid aanneemt", zoals hij in 1981 bij de uitreiking van de Nobelprijs zei.

Czeslaw Milosz, gekweekt uit alle denkbare Europese tegenstellingen, waarvan die tussen katholicisme en communisme zeker niet de kleinste was, beschouwde het als een morele plicht over ons treurige continent na te denken. De levenden hadden een opdracht gekregen van degenen die voorgoed zwegen: het nauwkeurig reconstrueren van de dingen zoals ze geweest waren en het ontworstelen van het verleden aan verzinsels en legenden. Ziedaar de taak van alle zuurstofverbruikers op twee benen; het alternatief heette propaganda en/of copywriting. Heldendom was niet vereist, maar enig sarcasme hielp:

Wie over de geschiedenis spreekt,

is altijd veilig.

De doden staan niet op om te getuigen

tegen hem.

Elke daad kun je hun toeschrijven,

welke je maar wilt -

zwijgen zal het enige antwoord zijn.

Dit zegt hij in 'Kind van Europa' (1946), een woedend gedicht over alle leugens die na de oorlog ingang vonden. Althans, hij zegt het zo in de woorden van wijlen Gerard Rasch, de grote bemiddelaar tussen de Poolse ziel en ons verstand, uit wiens ver-taling van de Gedichten (2003) ik hier en elders citeer.

Ik ontbijt nabij het geografische middelpunt van Europa met paprika, komkommer, zwart brood en zoute zalm, in gulzige porties, want ik ben dol op de onsubtiele keuken in het hart van Europa - alleen een wei-achtige substantie laat ik uit eerbied voor de menselijke voortplanting aan me voorbijgaan. Wanneer ik nadien onder een grijze meilucht de stad in wandel, voorzien van moleskine, plastic fototoestel en een gids voor Vilnius ('also called Wilno and Vilna'), smaakt mijn verhemelte naar Oostzee.

Het hotel ligt aan de rand van het centrum. Ik passeer romantische rommeligheid, houten huizen met daken van golfplaat, waaromheen seringen uitbundig staan te verwilderen. Maar een paar straten verderop al verrijst die verrukkelijke burgerlijkheid waar de Bauhaus-architect Adolf Loos cum suis zo'n hekel aan hadden; en de negentiende eeuw leidt me naar de somptueuze barok van de binnenstad, die zich in velerlei eetbare kleuren aan mij openbaart, nu de ochtendnevel is opgelost. Ik weet niet wat ik zie, of liever gezegd ik weet het wel: dit is Rome, maar dan gedroomd door een Oostenrijker, en het is allemaal bij zonsopgang gerestaureerd, en daarbij heeft het jezuïetendom niet op een kuip slagroom gekeken. Op een tafel in een portiek, recht tegenover de kathedraal van de heiligen Stanislaus en Vladislaus, is een hele tafel bedekt met boeken over de stalinistische kampen. Er hangt een kaart boven waarop 'The places of deportation and imprisonment of Lithuanian citizens in the Soviet Union, 1940-1988' met zwarte driehoekjes zijn aangeduid. Honderden driehoekjes. In een doos op de grond vind ik een boek in het Engels. Het heet Whoever Saves One Life en gaat over 'the efforts to save Jews in Lithuania between 1941 and 1944': dat zijn de jaren van de Duitse bezetting. Plaatselijk uitgegeven in 2002. Achterin staat een lijst van 508 door Yad Vashem erkende 'rechtvaardige gojs'. Het past wel in mijn enigszins krankzinnige bibliotheek. De vrouw bij wie ik afreken, is een etnische Russin, en dus heeft ze rood haar en massieve heupen, geheel conform mijn eigen rassenleer. Litouwers daarentegen zijn blond en hebben doorschijnende ogen, net als Polen. Daar wonen er tegenwoordig nog altijd 100.000 van in Vilnius, dat toch niet veel groter is dan Antwerpen, waar er trouwens niet veel minder wonen tegenwoordig. Tijdens het interbellum, toen maarschalk Jozef Pilsudski de stad voor het herrezen Polen had veroverd, gooiden zijn nationalistische landgenoten vooraanstaande Litouwers en Wit-Russen in het gevang. De Litouwers op hun beurt, halve analfabeten dikwijls, waren nationalisten met een verschrompeld vaderland, dat in de Middeleeuwen als het Groothertogdom Litouwen tot de Zwarte Zee had gereikt - en velen onder hen haatten de joden, die boeken lazen en niet om grenzen gaven. En dus hielpen ze de nazi's bij het vermoorden van 200.000 van die rossig behaarde lezers. Hun toewijding was overweldigend, het moet gezegd.

Met de Russin kan ik niet praten, maar de jongeman in het kantoortje van de toeristische dienst naast de universiteit versta ik maar al te goed. Ik vraag hem naar de enige van de 105 synagogen die is overgebleven; hij duidt hem op mijn plattegrond aan. "Ze wan zee hevnd bomd jet", zegt hij in opgewekt Indo-Germaans.

Ik kijk hem zo moralistisch mogelijk aan.

"Grapje", zegt hij haastig. "Ik heb niks tegen joden, hoor. Mijn ouders zeggen altijd dat het bolsjewieken waren."

Hij heet Eugenijus, studeert economie en heeft duidelijk geen notie van de lompen en de lege magen in het verdwenen getto, de duistere alkoven, het rottende stro op de binnenplaatsen. Ik peil beleefd naar het antisemitisme onder zijn generatie en stuit op een groot enthousiasme voor het Deutschtum. Er ontspint zich een gesprek dat ik elders in het Balticum ook al heb gevoerd, in precies dezelfde semiotische verwarring over beschaving en barbarij. We zullen in de Europese Unie moeten leren leven met lidstaten waar veel mensen ook vandaag de dag nog met bloemen naar de nazi's zouden zwaaien, naar de bevrijders uit de tentakels van de sovjets, zoals indertijd de grootouders van deze aardige jongen.

Een poort leidt me de alma mater van Czeslaw en Eugenijus binnen, die in de zestiende eeuw is gesticht, door jezuïeten natuurlijk. Een Escher van trappen, binnenplaatsen, zuilengangen, nissen vol schemering: hier liep hij dus in de vroege jaren dertig rond, met een verstand vol poëzie, al studeerde hij dan ook rechten, een gesublimeerd soort hersenloosheid, waar hij dan ook nooit iets mee zou doen. Maar nu ik dat zeg, moet ik aan Erich Kästners Fabian (1931) denken, de crisisjaren, Berlijn, herinneringen aan de eerste oorlog: "Weet je nog? We schreven opstellen en dictaten, we studeerden schijnbaar, en het was onverschillig of we dat nu deden of nalieten. Wij moesten immers naar de oorlog. Zaten we niet als onder een glazen stolp, waaruit men langzaam maar onophoudelijk de lucht wegpompte? (...) Und jetzt sitzen wir wieder im Wartesaal, und wieder heisst er Europa!" Misschien lag het anders. Hoopte hij (in zijn autobiografie blijft hij vaag over zijn motieven) via het wetboek de waarheid te betrappen en het kwaad te bestrijden, want dat waren al vroeg zijn grote thema's. Hoopte hij dat zijn generatie nog uit de wachtkamer kon ontsnappen. Trap op, trap af, hem op de hielen. Ik kijk naar de zwart-witte Czeslaw met achterovergekamd haar die in mijn gids prijkt. Voor mij uit zweven nabeelden van die student in de gerechtigheid, slierten lichte mist zoals een man van zijn formaat die wel moet achterlaten, als vegen op een foto die gemaakt is met een sluitertijd van zeventig jaar. Ik volg hem naar de universiteitsboekhandel, waar een Engelse poster gedenkt dat het tsaristische verbod op het drukken van boeken in het Litouws, en in het Latijnse alfabet tout court, in 1904 werd opgeheven, honderd jaar geleden. Er is een tafel gedekt voor boekenwurmen, maar de enige naam die ik ken is die van Josif Brodsky. Een juffrouw met ogen van barnsteen, waarin ze haar mannen bewaart, zingt iets in het Litouws tegen me: het klinkt wonderzoet, deze oertaal waarvan de etymologie in het hele Avondland rondzwerft, maar elke taal zou uit de mond van deze sirene zo klinken, haar speeksel is honing. Ze wijst me het westen van de winkel. Daar liggen de Baltische Rundschau en The Baltic Times. Een Litouws literair tijdschrift in het Engels, editor Christopher Barnard. Een bloemlezing van Vierzehn Litauische Poeten, Keturiolika Lietuviu Poetu, gedichten van na 1990, meldt de inleiding. Misschien staat het vol smerige nationalisten, maar ik betaal graag 15 litai 10 (groschen? kopeken?) oftewel 4 euro 32 cent voor de ironie van de pagina die ik op goed geluk lees:

Es war die Hauptstadt prächtig zu

beschauen

aus fernen Ländern brachten Händler

Erz und Frauen

doch eines Nachts der Mond stand

hoch am Himmel

ward eine Säule Staub erblickt dann

Chaos und Gewimmel

ein Graben gähnte wo zuvor die Stadt

zwei Händler stritten ob es sie je

gegeben hat

aber was sonst in uns konnte so

stürzen.

Aldus 'Hauptstadt' (Vilnius, neem ik aan) van mijn schimmige vakbroeder Donaldas Kajokas, dat mij bereikt langs een taal die de minder ontwikkelden onder ons nimmer met humor associëren, als bestonden er geen Tucholsky, Brecht, Kästner.

Dan maakt een dik boek, versierd met de duistere kwadraten van Gods eigen geheimtaal, zich van zijn plank los. Het heet Lithuanian Jewish Culture en de auteur is Dovid Katz, de grootste levende kenner van het Jiddisch, zoon van de dichter Menke Katz, vroeger professor in Oxford, thans hoofd van het onlangs gestichte departement Jiddisch alhier. Het slaat zijn harde kaften open, het is een gevleugeld boek, dat alles weet over dit 'Yerusholayim d'Lité', dit Jeruzalem van Litouwen, centrum van de joodse Verlichting, New York van het oude Europa; alles weet over Elijah ben Salomon Zalman, die hier in de achttiende eeuw de Babylonische talmoed redigeerde en becommentarieerde, en het spreekt natuurlijk vanzelf dat 333 plaatselijke wijzen de vierenzestig delen uit het hoofd kenden. Dovid Katz, gij hier! Langharige en bebaarde leermeester van mijn even geschifte als geleerde Engelse vriend Christopher Hutton, zelf professor Jiddisch en peetvader van mijn zoon Christopher.

Nu zweeft het boek de winkel uit, en ik volg het, door okeren straten, langs heiligen en consumenten, door de zuiderpoort, waar de Madonna van Vilnius met enkele mismaakte bedelaars samenwoont, helemaal naar de Pylimo Gatvé 39: daar vliegt het boek over het smeedijzeren hek en stijgt dan op om de stenen tafelen met de Tien Geboden op het timpaan te begroeten. Ik kijk naar de laatste synagoge en vraag me af wat ik hier doe. Het is een koffiekleurige teleurstelling in moorse stijl, namaak uit 1903. Ik had het kunnen weten, weinig synagogen stellen bouwkundig iets voor. Zoveel heeft het Oost-Europese jodendom nu ook weer niet bijgedragen aan de seculiere cultuur. Weg met al dat dwaze, hersenloze filosemitisme, zou ik zo zeggen. De sjoel is trouwens dicht. Het boek valt uit de lucht. Daar sta ik dan, een ezel beladen met zeven kilo judaïca, waaruit hij nutteloze dingen kan leren, zoals het feit dat de joodse gemeenschap op 13 december 1942 bijeenkwam om te vieren dat er voor de honderdduizendste keer een boek was geleend in de gettobibliotheek.

Op de terugweg bekijk ik het roomse suikergoed op de eerste verdieping van de zuiderpoort. Het vervult me met afgrijzen. De ontelbare votiefgeschenken - nee, ze zijn geteld, achtduizend stuks, een wemeling van zilveren ledematen en zilveren harten. Maar ook de Madonna zelf: zeventiende-eeuws, tempera op eiken planken, verpest door een stralenkrans van zwaardklingen, een gouden stekelvarken in een gouden baljurk, een... Kon je maar een davidster slaan!

Volgens zijn eigen zeggen in Alfabet (1997/1998, vertaling van Gerard Rasch uit 2002) was zijn levensloop een van de wonderlijkste waarop hij zelf ooit was gestuit, al bezat zijn biografie dan ook niet "de duidelijkheid van een moraliteit, zoals die van Joseph Brodsky" die zich in een sovchoz nabij de poolcirkel richting Nobelprijs ploeterde, waartoe hij heel convenabel het land uit zou worden gezet. Diezelfde Brodsky leverde in 1978, inmiddels zes jaar verbannen, het bekendste citaat dat over hem in omloop is: "Czeslaw Milosz is een van de grootste dichters van onze tijd, misschien wel de grootste." Het verschil zat hierin, dat Milosz vrijwillig naar het Westen uitweek. Zijn koffer verving zijn vaderland; dat verweten de domste Poolse nationalisten hem zelfs postuum nog. Maar hij was een dichter, dus zijn vaderland had geen territorium of leger, het had een grammatica en een woordenschat: de Poolse.

Iemands lot is het product van zijn geboortegrond en zijn tijdvak, dus wat dat betrof, zat het met het spektakel in zijn leven al bij voorbaat goed. Als je zowat de hele twintigste eeuw op aarde doorbrengt, en daarbij de Oktoberrevolutie meemaakt in Rusland en de Tweede Wereldoorlog in Warschau, mag je niet mopperen.

Hij kwam ter wereld in het aards paradijs, op het Litouwse platteland, in het dorp Szetejnie, drie jaar voor Europa in vlammen opging. Het herenhof van zijn moeders familie symboliseerde alle ouderwetsheid en geborgenheid die de Poolse landadel te bieden had, al betekende zo'n titel niet veel, want iedere tiende Pool was wel van adel, in diverse gradaties van opzichtigheid. Ergens achter de westelijke einder speelde de moderniteit zich af, waar iemand als hij per definitie als een gedegenereerde landjonker gold; in het Oosten daarentegen, waar Litouwen staatkundig bijhoorde, stonden de Romanovs garant voor achterlijkheid en lijfeigenschap.

In 1914 werd zijn vader gemobiliseerd: als ingenieur moest hij wegen en bruggen bouwen voor het Russische leger. Het gezin reisde mee. In het Wolga-gebied maakte de zesjarige Czeslaw de revolutie mee. In 1918 keerde hij met zijn ouders naar het voorouderlijke landgoed terug, dat maatschappelijk gezien misschien niet deugde, maar ondertussen wel lag ingebed in een onaangetaste landschappelijke liefelijkheid, die een conservatief als ik erg aantrekkelijk voorkomt en die nog best eeuwen had meegekund. Volgens mijn antischolastische vrienden bestaat 'het kwaad' louter als abstractie en categorie, maar Milosz had er oog in oog mee gestaan, de knallen, de bajonetten, het bloed, de stupide wreedheid, en het maakte een manicheïst van hem, die van het reëel bestaande kwaad moest getuigen als hij zijn pen opnam:

Ik zet hem op papier en hij krijgt

knoppen, bladeren, raakt bedolven

[onder bloemen,

en de geur van die boom is schaamte-

loos, want daar, op de reële aarde,

groeien zulke bomen niet en als een

klap in het gezicht

van hen die lijden is de geur van die

boom.

Zo staat het in 'De arme dichter', 1943. Google, de god der jongeren, alwetend maar niet barmhartig, vindt in zijn tot het krankzinnige uitgedijde talmoed deze regels uit zijn 'early works' voor me:

What is poetry which does not save

Nations or people?

Ik herken ze uit 'Voorwoord', een vers uit 1945; ik weet niet wat Milosz er later van vond. In elk geval zou Audens geestige maar verschrikkelijke conclusie worden gelogenstraft als zou poëzie niets laten gebeuren in communistisch Europa. De Muur zou zonder woorden niet zijn omgevallen.

In 1921 werd hij in Wilno naar school gestuurd. Een rariteit van een stad, waar regio's elkaar overlappen, vergelijkbaar met Triëst of Czernowitz, schrijft hij in Geboortegrond (1958; de vertaling van Rasch is in 2005 herdrukt). De Poolse titel luidt trouwens Geboortegrond Europa, en dat lijkt me correcter, want deze autobiografie gaat over heel wat meer dan Szetejnie. Het oude Groothertogdom Litouwen, waarvan Milosz zich als student de laatste onderdaan placht te noemen, was een lappendeken van volkeren en talen, gescheurd langs alle zomen, oud maar dierbaar. Met grote koppigheid verzetten hij en zijn vrienden zich tegen de Poolse nationalistische agressie in de aloude hoofdstad van dat land, waar in 1937 naast 74 Poolse kranten en tijdschriften ook nog altijd 16 joodse, 12 Wit-Russische, 9 Litouwse en 3 Russische periodieken verschenen.

Later zou Milosz bekennen dat hij voor de oorlog niets had afgeweten van het joodse intellectuele leven in Wilno, waar niet alleen vrome rabbijnen boeken schreven, maar ook grote Jiddische auteurs als Abraham Sutzkever. Dat was tot op zekere hoogte de schuld van de linkse intelligentsia van joodse afkomst, die haar eigen verleden verborg achter een kamerscherm van theorieën over de gelijkheid van alle mensen. Wat niets veranderde aan het feit dat Europa hen toch niet moest, zoals Moses Rosenkranz (1904-2003) uit Czernowitz heel goed begreep:

Ich kam zur Welt in einem Reiche,

das über seine Grenz mich schub,

in eine Welt, die mich begrub,

kam ich und war doch keine Leiche.

In 1931 bracht hij een jaar in Parijs door, waar hij zijn familielid Oscar Venceslav de Lubics-Milosz-Milasius, vulgo Oscar Milosz (1877-1939), leerde kennen, een kluizenaar, even krankjorum als zijn naam, dichter van duistere Franse verzen, visionair en kabbalist. De jongere Milosz sprak op zijn Nobelprijsfeest met vertedering over deze verre verwant, die hem als een verloren zoon had onthaald. Zijn eigen poëzie uit die begintijd behoorde tot het door hemzelf uitgevonden 'catastrofisme', dat de dreigende ondergang van de westerse beschaving predikte (hij debuteerde in 1933 met 'Gedicht over de bevroren tijd'); maar aangezien manicheïsten ook in het licht geloven, was hij ontvankelijk voor de voorspelling van Oscar Milosz dat er na de godenschemering een tweede renaissance zou komen.

Nu zou ik hem naar Polen moeten volgen, want vanaf 1937 werkte hij in Warschau bij de radio - maar waar ligt Polen eigenlijk, behalve een stuk westelijker dan toen? Wij kennen de Polen als stukadoors en liefhebbers van autowrakken, maar zodra ze beginnen te drinken krijgen ze last van een ziel, veranderen ze in sentimentele imperialisten met een geniale literatuur, wier vaderland in de loop van de geschiedenis dikwijls genoeg niet heeft bestaan om van het verloren paradijs hun belangrijkste geografische notie te maken. Hun psychologie verwart het ware Polen altijd met Eden. Vandaar dat Frédéric Chopin steeds een potje Poolse aarde op zak had: een merkwaardig voorbeeld van metaforiek gesmoord in het letterlijke. "Vertrek bij de achterdeur van Eden, daar waar God de al te ijverigen een trap onder hun kont geeft, loop dan een paar eeuwen, en onderweg kom je wellicht Polen tegen, als het intussen niet helemaal is opgegaan in zijn eigen schaduw", zoals een theaterdirecteur ooit tegen Johan de Boose zei (een eminent kenner van het Polendom). Maar Czeslaw Milosz was natuurlijk geen echte Pool, hij was een bastaard, een zwerfkei die door de ijstijd van de twintigste eeuw steeds verder naar het Westen werd geduwd, een Europeaan kortom.

Gedurende de hele Duitse bezetting was hij actief in het ondergrondse literaire leven in Warschau. Hoe belangrijk boeken waren, ja, hoe tientallen kilo's mens zich letterlijk aan een paar honderd gram papier vast konden klampen, vertelt hij in zijn autobiografie: ooit weigerde hij de Collected Poems van T.S. Eliot onder machinegeweervuur van de SS los te laten, want dat boek was afkomstig uit de universiteitsbibliotheek, en bovendien had hij het nodig, al kon aan die laatste omstandigheid weldra een einde komen. Maar behalve woorden viel er niet veel te redden. In de bundel Redding uit 1945 staat de schuldbekentenis "Een arme christen kijkt naar het getto" - van het getto zijn zelfs de fundamenten uitgebrand, en dan verschijnt de geheimzinnige "bewaker-mol":

Ik ben bang, zo bang voor de

bewaker-mol,

zijn ooglid is gezwollen als bij een

patriarch

die veel in kaarslicht heeft gezeten,

lezend in het grote boek van

onze soort.

Wat zal ik hem zeggen, ik jood van het

Nieuwe Testament,

die tweeduizend jaar al op de

wederkomst van Jezus wacht?

Mijn versplinterd lichaam zal zich aan

zijn blik uitleveren

en hij zal mij rekenen tot de helpers

van de dood:

de onbesnedenen.

Hoe vaak heb ik mijn in Duitsland getraumatiseerde vader zichzelf niet horen beschuldigen van oorlogslafheid? Wantrouw schrijvers die hun familie ter sprake brengen, maar ik kan dit niet lezen zonder aan hem te denken: om allerlei redenen doen deze regels pijn. Het zou me verbazen als ze niet meer mensen van mijn generatie raakten, vooral degenen die christelijk zijn opgevoed. Ongetwijfeld is deze vorm van appreciatie in strijd met een of ander leerstuk over de autonomie van het kunstwerk, maar ik kniel niet voor dat altaar. De poëzie van Milosz is een vorm van geschiedschrijving, en hoe goed zij ook is, ze is nooit los te denken van haar tijd, o neoplatonisten.

Het zou logischer zijn als ik helemaal niet van Milosz hield.

Om te beginnen is hij een amper-lyrische dichter, vervuld van wantrouwen jegens de klankroes, de akoestische bedwelming. Dat is een absint waar wij dichters moeilijk van af kunnen blijven, maar hij zegt nee tegen die fles:

Ik heb altijd verlangd naar een vorm

die meer kon bevatten,

die niet al te zeer poëzie was, noch al

te zeer proza,

(...)

Gedichten mogen we zelden schrijven,

slechts met tegenzin,

onder ondraaglijke dwang en alleen

met de hoop

dat goede geesten, en geen boze, ons

als instrument gebruiken.

Dit schrijft hij in 'Ars poetica?' (1968).

Sinds de romantiek houden we onszelf voor dat waarheden subjectief zijn; en onder het bewind van het postmodernisme hebben we ook nog eens geleerd de romantiek met zichzelf te vermenigvuldigen, want ons arme ik is zelf subjectief, nietwaar. Maar Milosz, die in 1968 in Berkeley woonde en het geprevel uit Parijs (waar hij tien jaar had gewoond) heus wel opving, bleef doof voor het evangelie van de romantiek. Net als Wystan Auden experimenteerde hij met preromantische verstechnieken, die een zo groot mogelijke nuancering en objectivering mogelijk maakten, met ritmen eigen aan het Pools ("zonder die ritmen zou ik nooit durven hopen dat wat ik schrijf goed is", zegt hij in Alfabet), met de vorm van het bijbelvers ook, die hij aan de Poolse barok ontleende, alsof hij verzen wilde schrijven die bij het straatbeeld van Wilno of Kraków pasten. En dit alles diende om de waarheid te betrappen.

Hoe ouderwets! Staat u mij toe dat ik glimlach.

Maar het effect van zijn gedichten op mij, talmoedistje, postmodernistje mijns ondanks, is wel of een verstand mijn verstand aanraakt, of allerlei beschaafde conventies ijl worden in mijn hoofd en of ik wat hij zegt niet kan ontkennen. Want we zijn heren onder elkaar, we weten toch wat we met ik en waarheid en zo bedoelen? Daartoe hebben we enkele cultuur-historische afspraken gemaakt, indertijd in Hellas al, en later in de scholastiek. Als ik in naam van het westerse denken verklaar dat de waarheid niet bestaat, moet ik ook tegen Milosz zeggen dat de leugen onder Stalin niet bestond, en de waarheid is dat ik dan lieg.

Hij is nogal on-Hollands, die Milosz.

In plaats van de traditie schaterend in de afgrond te werpen, omhelst hij haar. Hij houdt zich onledig met wat veel groter is dan hijzelf, de taal, de geschiedenis, de waarheid, het kwaad. Bijna altijd impliceert zijn ik een wij, de Polen, de Oost-Europeanen, de mensheid: geen dichter kan mooier ik zeggen dan Milosz. En hoewel hij een kind van de moderniteit is, gunt hij evenmin als Eliot de kunst de rol van de religie - die rol mag de religie zelf spelen, meer bepaald de rooms-katholieke, waar hij koppig aan vast blijft houden, tot de laatste snik van zijn laatste verzen.

Ik citeer het uitstekende nawoord van Rasch: "Milosz' hele oeuvre is doortrokken van de vraag waar het kwaad vandaan komt, unde malum?, gesteld door kerkvader Augustinus, wiens werk Milosz al voor de Tweede Wereldoorlog las. In zijn debuut zocht hij de oorsprong van het kwaad nog in de sociale verhoudingen, maar in zijn tweede bundel zag hij het kwaad als immanent in de Schepping aanwezig, in de natuur, in de mens, dus ook in hemzelf. (...) Vandaar ook zijn behoefte aan vergeving, verlossing, zijn geloof in zondeval en paradijs, al is daarvoor geen enkele rechtvaardiging te vinden."

Het kwaad dus, een uitgestorven begrip in de kringen waarin ik mij beweeg. Over dat schouderophalen van ons heb ik mijn verwekker ooit schokkend van emotie horen zeggen: "Er moet verdomme een hel bestaan voor die SS'ers!"

In 'Gebeurtenissen elders' (1994) zegt Milosz:

'Kom ik die zo aardig en braaf was in de

hel? Onmogelijk!'

riep kleine Adam uit toen de duivels

hem omringden.

Maar een hemelse bode (op zoek naar zijn antipode) verjaagt ze en veroordeelt hem tot een verblijf tussen de lijders in een hospitaal:

Kortom, de wrede vaudeville van de

kosmos,

die daarin van de Hel verschilt dat er

geen niets is,

maar zonder ophouden alleen bestaan

en lijden.

(...)

en elke dag zul je je schuld leren

kennen,

tot je inziet dat je niet beter verdient.

Wat moeten wij met zo'n Pool? Daar kunnen we toch alleen maar een grensconflict mee hebben? Merkwaardig genoeg ontbloeide na de publicatie van Gedichten allerwegen het applaus op de handpalmen, maar ik ben er zeker van dat een Nederlandstalige Milosz een ander lot beschoren was geweest: hij zou zijn weggehoond. Nee, deze was niet geschikt voor onze contreien, want daaruit stijgt een moerasgas op dat iedere zin voor de pre-ironie bedwelmt - maar in het kader van onze historisch geconditioneerde gastvrijheid zijn we graag bereid een uitzondering te maken voor een buitenlandse grootheid.

Wat overtuigt mij, agnosticus, van die grootheid? Ik ben toch aangewezen op vertalingen, en zoals je I.Q. in een vreemde taal met dertig punten zakt, zo vergaat het de dichter in zijn vertalingen. Misschien de onverbiddelijkheid waarmee hij de condition humaine européenne onder woorden brengt, geholpen door het perspectief dat zijn leven in Amerika hem bood?

Met linkse sympathieën, maar zonder het minste geloof in het communisme, werd Milosz na de oorlog diplomaat van het nieuwe Polen, eerst in Amerika, later in Parijs. Daar vroeg hij in 1951 asiel aan. Twee jaar later publiceerde hij De geknechte geest, een analyse van de intellectuele geestesgesteldheid onder het stalinisme. De bollebozen op de Rive Gauche slaakten verontwaardigde kreten. Dat decadente stuk Poolse landadel, die overloper, die het licht verwierp dat uit het Oosten kwam! Sartre hoogstpersoonlijk noemde hem "een schurftige hond", wat ik een halve eeuw later des te grappiger vind omdat mijn ouders toen een hond bezaten die naar de naam Jean-Paul luisterde.

In 1960 werd hij 'visiting lecturer' in Berkeley, later professor. Amerika vervulde hem met bewondering, verbazing en ook een lichte afkeer. Dat eerste begrijp ik, maar dat laatste ook, want het protestantisme maakt Amerika steeds onuitstaanbaarder - wanneer ik terugkom van over de oceaan omhels ik snikkend het eerste het beste kruisbeeld, om mijn dankbaarheid uit te drukken dat God een Europeaan van me heeft gemaakt. Maar helaas, ik weet uit ervaring dat onze zo geminachte overkant veruit de beste plek is om naar Europa te zitten kijken. De indrukwekkendste summa van de zieltogende christelijke cultuur is gemaakt door een dichter uit St. Louis, Missouri, The Four Quartets van T.S. Eliot. Zonder Amerika had Milosz nooit zoveel indringende dingen over ons geschreven.

In Amerika legde hij zich ook toe op het Hebreeuws (hij publiceerde onder meer een vertaling van het boek Job), en daarbij is het hem ongetwijfeld opgevallen dat die taal geen duidelijk onderscheid maakt tussen verleden tijd en presens, of tussen presens en futurum. Wij, oudziende Europeanen, moeten het boek Europa steeds verder van onze ogen vandaan houden om het nog te kunnen lezen.

Tot 1989, het jaar van de grote omwenteling, woonde Milosz in Amerika; nadien verbleef hij lang en vaak in Krakow, van welke stad hij ereburger was, en de laatste jaren van zijn leven ook gewoon burger.

Hij stierf in augustus 2004, drie maanden nadat ik hem achterna was gereisd, tegen de geschiedenis in. Bij zijn begrafenis demonstreerden leden van de ultrakatholieke Liga van Poolse families en de nationalistische Poolse jeugd tegen het opnemen van deze antikatholieke, anti-Poolse Litouwer in het Pantheon der Grote Polen in Krakow. Het is altijd hetzelfde met dat tuig; Joseph Roth had groot gelijk toen hij zei dat God eerst de nationalisten schiep en daarna de apen, en dat die al een hele verbetering waren.

Szetejnie (Seteniai) ligt midden in Litouwen, nabij de provinciestad Kiejdany (Kedainiai), en daarheen begeef ik mij vanuit Vilnius in een rood Fordje, samen met de rijzige doctoranda Jolita Urnikyté-Vosylienié, die 50 procent van alle tolken Litouws-Nederlands ter wereld vormt. Dit aangename gezelschap heb ik aan een gemeenschappelijke vriendin te danken, want de diplomatie kon me niet helpen. "Could you please repeat the name of this poet?", zei de Litouwse ambassade in de hoofdstad van Europa. We rijden door een groene, heel soms even opbollende vlakte, waar keuterboerderijtjes in het gras hurken, onder een Baltisch-blauwe hemel - als ik de auto langs de kant van de weg zet, om een ooievaar in zijn nest op een telegraafpaal te observeren, stort een tsaristische leeuwerik zijn anachronistische lied over me uit. Dat het een leeuwerik is, leer ik van Jolita, want de zang van die gevederde Europeaan klinkt me even wonderlijk in de oren als het muziekje van het Litouws.

"En toch staat onze taal van alle Europese talen het dichtst bij het Indo-Europees."

Ik zeg dat de her en der in Van Dale opduikende etymologische verwijzingen naar het Litouws me intrigeren; ze lijkt het als een persoonlijk compliment op te vatten.

"Soms is het net Latijn. Vuur is ugnis, bijvoorbeeld, en man is vyras."

Ik moet aan Milosz denken, wiens familie al in de zestiende eeuw Pools sprak - gek, ik realiseer me nu pas dat zijn sociale positie als kind nogal Belgisch was, vergelijkbaar met die van Emile Verhaeren, dat sublieme specimen van de nog altijd niet uitgestorven ondersoort der Franstalige Vlaamse bourgeoisie.

"Spreekt Milosz Litouws bij jouw weten?"

"Ja, maar slecht naar het schijnt."

Zoals Verhaeren indertijd 'flamand'. Toen Milosz werd geboren, leefde Verhaeren trouwens nog. Nu leeft Milosz nog, al is hij oud en moe en ziek, en was hij begin dit jaar te depressief om een boodschapper met zijn Gedichten (de vertalingen van de inmiddels overleden Rasch) te ontvangen. Verhaeren was van 1855. Anderhalve eeuw is een ademtocht wanneer je de poëzie als eenheid van tijd opvat.

We rijden naar het gemeentehuis van Kedainiai. Het is vervaardigd van socialistisch-realistisch beton en bevat kamertjes als pashokjes, en dat terwijl de Sovjet-Unie toch eenzesde van het aardoppervlak besloeg. In elk pashokje zit een ambtenaar. We bevrijden Violeta uit het hare. Zij heeft de sleutel van het geboortehuis of wat daarvan over is. Ze spreekt geen internationale taal, ook geen Russisch meer, beweert ze - je moet als kolonisator wel een buitengewoon lompe onderdrukker zijn, om er met zo'n grote literatuur niet in te slagen je taal een beetje sexy te maken. Violeta, van een onbestemde leeftijd tussen de menopauze en het doodsbed, is grijs en vriendelijk en zweert bij het aloude, uit communistische preutsheid en bittere armoe geboren adagium kleding is borstwering.

"Dat is gewoonte", zegt Jolita. "Ze zou wel andere kleren kunnen betalen nu." Vijftien kilometer verder, te midden van de totale leegte, kruist een landweg van lang voor de Oktoberrevolutie onze cartesiaanse asfaltstreep naar de horizon; een bord wijst naar links: C. MILOSO muz. 0,5. Het is een ongewone plek om het woord museum tegen te komen.

De reiziger van vandaag de dag krijgt geen enkele indruk van hoe het er hier vroeger uitzag, schrijft Milosz in Alfabet. Alles is verdwenen. De bewoners van de omliggende dorpen werden als koelakken naar de Siberische taiga gedeporteerd. De boerderijen werden verwoest, ook die van zijn moeders familie, Podkomorzynek. De prachtige boomgaarden, hoogstam vanzelfsprekend, werden gerooid. In de resterende maanvlakte tierde het onkruid. Vergeleken met die idiote haat van de communisten tegen een eeuwenoude vorm van kleinschalig boerenbedrijf, baadt het rampzalige landbouwbeleid van de Europese Unie in het milde licht van de ratio.

Podkomorzynek is een witte vlek aan het einde van een pad dat door een loofbos slingert. Maar wanneer de coulissen achter ons dichtgaan, manifesteert zich de schrikwekkende banaliteit van een goedbedoelde restauratie: de oude graanschuur, het enige overblijfsel van het herenhof, subliem gelegen, klaar om gekunstschilderd te worden, zou niet opvallen in een Vlaamse verkaveling. Ik kijk om me heen. Bomen. Gras. Parkeerplaats. Achter de witte fermette de glooiing naar de rivier, de Niewiaza (de Issa uit de roman Het dal van de Issa, 1955). Het geboortehuis zelf heeft nog een tijd deel uitgemaakt van een kolchoz, legt Violeta uit. Daarna is het verlaten en ingestort. De collectivisering heeft acht boerderijen overgelaten. Daar wonen nu ingezetenen van de Europese Unie, beroofd van hun tweetaligheid.

Wat is de zin van dit bezoek? Maar de stereoscopische werking van drie dimensies is onvervangbaar.

Binnen hangen foto's van het bezoek dat Milosz in 1992 aan Szetejnie heeft gebracht; de schuur was toen nog een ruïne waar boerenzwaluwen nestelden. Ik zie Milosz in een weiland, zijn hand boven zijn ogen. Ik zie hem bij het graf van zijn ouders en in het kerkje waar hij gedoopt is. Er ligt ook een kopie van het document waarin de overheid hem in 1997 de eigendomsrechten van het goed teruggaf, 10,986 hectare, een flinke achtertuin voor 978 Grizzly Peak Blvd., Berkeley, California 94708; maar hij schonk Podkomorzynek weg aan een culturele stichting die zijn naam draagt.

Met mijn twee vrouwen ga ik naar dat kerkje, een kilometer of zo verderop. We komen langs een niet-gerestaureerd boerderijtje met een waterput, omringd door de parasols van appel- en kersenbomen. Pluimvee is zo vriendelijk er rustiek rond te scharrelen, rook kringelt smaakvol naar de blauwe hemel; noties van een oeroude autarkische wereld dringen zich op, vaders die de hand aan de ploeg slaan, moeders in de weer met het inmaken van fruit: een verwerpelijk prefeministisch leven in een ander Europa.

Het okeren kerkje is van 1774, schattige houten plattelandsbarok, gefinancierd door een rijke landheer. De graven eromheen zijn bucolisch genoeg om een uurtje dood te willen zijn, al was het maar om te controleren of de doden soms dronken zijn van oude, vuile regen, zoals Oscar Milosz over een ander kerkhof beweert:

Tous les morts sont ivres de pluie

vieille et sale...

Vogelgezang. Het boomtheater rondom.

In de ingewikkeld vertakte eik achter het grafzuiltje van de ouders van Milosz hingen na de opstand van 1863 tientallen opgeknoopte Litouwse rebellen, als slappe lullen - alleen grootvader Milosz wierp zijn sabel in de rivier en ontsnapte. De dood als fait divers? De dood als schandaal? "Volgens onze diepste overtuiging, die tot in de kern van ons wezen grijpt, zouden we eeuwig moeten leven. We ervaren onze vergankelijkheid en sterfelijkheid als geweld dat ons is aangedaan. Alleen het paradijs is werkelijk, de wereld is onwerkelijk, slechts voor zolang het duurt. Daarom spreekt het verhaal over de val ons emotioneel zo sterk aan, alsof het een oude waarheid in het ingeslapen geheugen wekt." Zo staat het in Alfabet, dat nuchtere, nostalgische boek van een dichter die de pure gevoelsuitstorting vreest - en dat terwijl Polen toch een geval van lyriek is.

Vogelgezang. Nog nooit heb ik zo'n concert uit duizend kelen gehoord, zo'n oorverdovend gejubel.

En een nieuw citaat dringt zich aan me op, regels uit het proza-achtige en toch lyrische gedicht 'In Szetejnie', thuis in Berkeley opgeschreven, na zijn sentimentele reis, in 1993:

In de zomerdageraad rende ik het vogelrumoer in, ik kwam terug, en tussen moment en moment had ik mijn werk geschreven.

En het vogelgezang zwelt aan, het verdicht zich, daalt neer uit de bomen; het wordt het boek in mijn hand.

Benno Barnard

Czeslaw Milosz, gekweekt uit alle denkbare Europese tegenstellingen, beschouwde het als een morele plicht over ons treurige continent na te denken

Joseph Brodsky leverde het bekendste citaat dat over hem in omloop is: 'Czeslaw Milosz is een van de grootste dichters van onze tijd, misschien wel de grootste'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234