Zaterdag 22/01/2022

Cynisme is moorddadig

Albert Camus over opstand en revolutie

In het pas vertaalde essay De mens in opstand blies Albert Camus het ware humanisme nieuw leven in. Met het boek blies hij meteen ook zijn vriendschap met Sartre op.

Albert Camus

De mens in opstand

Oorspronkelijke titel: L'Homme révolté

Vertaald door M. Woudt

De Prom, Amsterdam, 320 p., 24,95 euro.

Wanneer Albert Camus na het ontbijt in hotel Lutétia afscheid neemt van zijn latere biograaf Jean-Claude Brisville zegt hij: "Laten we elkaar de hand schudden. Want binnen enkele dagen zullen er niet veel meer mensen zijn die me nog een hand willen geven." We schrijven oktober 1951, de eerste exemplaren van Camus' essay De mens in opstand liggen enkele dagen later in de Parijse boekhandels. Binnen de vier maanden zullen er meer dan 60.000 exemplaren verkocht worden van deze genuanceerde en erudiete kritiek van de wereld, van Kaïn tot aan de Tweede Wereldoorlog. Vooral zijn beredeneerde, maar harde kritiek op het communisme was in het Parijs van de jaren vijftig een voldoende reden voor een genadeloze excommunicatie.

De latere Nobelprijswinnaar voelde de bui hangen. Olivier Todd schrijft in zijn Albert Camus, een leven (1996) dat Camus zeker niet de enige was die de ogen niet langer wou sluiten voor de gruweldaden van het stalinisme. Zo had de schrijfster Marguerite Duras de Partij al verlaten in 1949, en in 1956 zouden nog vele anderen volgen. Maar Duras was toen amper bekend, en Camus was een van de allereersten om tegen de heersende doctrine in te gaan. Bovendien stond hij aan de top van het Franse intellectuele leven - zijn subversieve boek kón men gewoonweg niet negeren.

Toch zou dat andere intellectuele opperhoofd, de existentialistische filosoof Jean-Paul Sartre, dat aanvankelijk proberen. De redactie van Les Temps Modernes, het tijdschrift van Sartre, had eerst besloten om L'Homme révolté niet te recenseren. Uiteindelijk trommelt Sartre een lakei op om toch een stuk over het boek te publiceren. Zoals Annie Cohen-Solal vertelt in haar biografie van Sartre werd het een heel "onbarmhartig" artikel. Camus was sowieso al gekrenkt omdat Sartre het boek niet zélf had willen bespreken en in een brief aan Sartre zei hij dat hij het moe was om als oude militant "lessen in doelmatigheid te ontvangen van critici die ooit alleen hun stoel in de richting van de geschiedenis hebben geplaatst". Het antwoord van Sartre was kwetsend en onder de gordel: "En als u zich nu eens heeft vergist? En als uw boek nu eens getuigde van uw filosofische incompetentie? Als het nu eens was gemaakt van haastig en uit de tweede hand vergaarde kennis? (...) Bent u zo bang voor tegenspraak?" Camus zou gemeenschappelijke vrienden dwingen om tussen hem en Sartre te kiezen. De vriendschap tussen de twee was voorgoed ten einde.

Wie een slordige vijftig jaar later het essay leest, dat nu pas voor het eerst integraal in het Nederlands vertaald werd, staat voor een verrassing. Niet de radicaliteit van Camus' stellingname is onverwacht, maar juist de relatieve vanzelfsprekendheid ervan. Vanaf de dood van Stalin (1953) zou het dogmatische geloof in het communistische systeem bij weldenkend links langzaam afnemen. Zeker na de val van de Muur (1989) kreeg de veroordeling van de Sovjet-Unie vaste vorm. Maar in 1951 was Camus' genuanceerde evaluatie van de ideologie not done. Hij schreef dat Marx "in zijn leer een zeer waardevolle kritische methode heeft kunnen vermengen met een zeer aanvechtbaar utopisch messianisme". Dat lijkt vandaag een zeer overtuigende en helder geformuleerde inschatting. Maar het revolutionaire messianisme, dat moorden en andere terreurdaden vergoelijkt in afwachting van een groter heil aan het einde van de geschiedenis, was toen nog een om zich heen grijpende infectie van de geest, ook al was een andere geestdriftige utopie nog maar net gestrand in de fabrieken van de dood.

Overigens was Camus' kritiek op het communisme slechts een beperkt, zij het belangrijk, onderdeel van zijn grotere project, het boek dat hijzelf zijn belangrijkste zou noemen. In De mens in opstand tracht hij een nieuw humanisme te ontwerpen, dat leeft van de opstand als inspirerend en beslissend moment: "Wat is een mens in opstand? Een mens die nee zegt. Maar ook al weigert hij, hij geeft niet op: het is ook een mens die ja zegt, vanaf zijn eerste impuls." In die inleidende zinnetjes zit de hele visie van Camus op de geschiedenis, de revolutie en de menselijke vrijheid vervat. Wie revolteert tegen een meester die hem onrecht aandoet, doet dat vanuit een waarde die de toevallige ellende van de benadeelde overstijgt. De waarachtige opstand breekt uit wanneer een ondergeschikte zich "ontkend" voelt in iets "wat niet alleen aan hem toebehoort, maar wat een algemeen kenmerk is dat alle mensen, zelfs degene die hem beledigt en onderdrukt, gemeenschappelijk hebben." De opstandige zegt "nee" tegen het onrecht, maar anders dan de op hol geslagen revolutionair verliest hij zich niet in de nacht van de negatie, in de rampspoed van de totale vernietiging. In een noot voegt Camus fijntjes toe dat ook de beul tot dezelfde gemeenschap als zijn slachtoffers behoort: "Maar de beul weet dat niet." De opstandige rebelleert, maar zegt altijd ook ja. "Ja aan het leven" klonk in de jaren vijftig nog niet als een reclameslogan.

Het nieuwe elan dat Camus trachtte te geven aan een al bij al vrij klassiek maar vitaal humanisme wint aan snelheid in een gevecht met het nihilisme, een probleem dat Camus al langer bezighield en tot een van de belangrijkste toetsstenen van zijn wereldbeschouwing uitgroeide. De fameuze openingszinnen van De mythe van Sisyfus, een ophefmakend essay dat Camus al in 1942 publiceerde, luiden: "Er bestaat maar één werkelijk filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie." Tien jaar later is Camus' blikveld verbreed: "In de tijd van de ontkenning kon het nuttig zijn na te denken over het vraagstuk van de zelfmoord. In de tijd van de ideologieën moeten we moord onder ogen zien." Maar het absurdisme is voor Camus nog altijd even inconsequent. In grote lijnen komt het erop neer dat iemand die de moeite neemt om het absurde van het bestaan te verdedigen, juist omwille van die inspanning zijn geloof aan de zinledigheid logenstraft: "Om te zeggen dat het leven absurd is, moet het bewustzijn levend zijn."

Die opstand tegen het leven, de nutteloosheid en ellende ervan, behandelt Camus onder de noemer "de metafysische opstand". Metafysisch is dat verzet omdat het zich tegen de hele wereld en tegen God keert, eerder dan tegen de meester of de maatschappij die de opstandige onderdrukt. Het essay volgt de voetsporen van Kaïn, maar herkent in de geschriften van de markies de Sade de eerste coherente aanval tegen God, als "één enorme oorlogsmachine" die de libertijn in stelling brengt. Net als voor Nietzsche heeft Camus respect voor de Sade omdat hij zijn uitgangspunten zo radicaal durft door te denken. Uiteindelijk wijst hij de Sades onderwerping aan het kwaad af en ook Nietzsches machtsdenken ziet hij ontaarden in "een verheerlijking van het kwaad": "Overal ja tegen zeggen veronderstelt dat er ja wordt gezegd tegen moord."

De horizon van De mens in opstand is indrukwekkend: naast de genoemde filosofen komt uiteraard ook Marx aan bod, maar ook schrijvers als Lautréamont, Flaubert, Balzac en Proust en - heel prominent - Dostojevski. De taaiste passages zijn vandaag ongetwijfeld die waarin obscure vroeg-socialistische en -communistische denkers als Netsjajev, Lavrov, Herzen en Kaljajev de revue passeren. Niettemin toont Camus ook daar op onverzettelijke wijze aan hoe revolutie in terreur eindigt als het een doel op zich wordt. Dat is de essentie van deze gloedvolle verdediging van de mens als mens: pas in de revolte wordt de mens waarlijk mens, maar de opstand is tegelijk ook een gevaarlijk hoogtepunt, waarin de menselijke waardigheid maar al te snel opzij wordt gezet voor een onzeker en toekomstig doel. Camus joeg de Parijse intelligentsia helemaal op stang met een slotpleidooi voor de maat, tegenover het mateloze bloedvergieten van de revolutie. Tegenover de revolutionaire ontsporingen in de twintigste eeuw "leert de maat ons dat in elke moraal een aandeel realisme nodig is: volledige deugd is moorddadig; en dat in elk realisme een aandeel moraal nodig is: cynisme is moorddadig."

Dat wil niet zeggen dat Camus doet alsof hij de oplossing heeft gevonden. Hij wijst telkens weer op het onaffe van elk menselijk project, op de afgrondelijke eenzaamheid van de mens zonder god, op het onmogelijke verlangen. Dit boek slingert en botst, probeert, faalt en doet toch verder, in grote romantische bewegingen en kleine terzijdes. Wie nog niet overtuigd was dat het leven aan diepte wint door de dood voor ogen te houden, en - omgekeerd - dat elk vitalisme in de dood zal eindigen, kan met de volgende meesterlijke zin zijn voordeel doen: "Wie niet minstens een keer de absolute maagdelijkheid van de wereld en alle mensen heeft verlangd, bevend van heimwee en onmacht tegenover zijn onmogelijke verlangen, wie zichzelf dan niet, onophoudelijk teruggeworpen op zijn heimwee naar het absolute, te gronde heeft gericht in zijn poging op halve kracht te beminnen, die kan de realiteit en de vernietigingsdrift van de opstand niet begrijpen."

Dit boek is lang niet altijd zo persoonlijk als dit citaat doet vermoeden. Camus - uiteindelijk toch meer een schrijver dan een filosoof - is op zijn best wanneer hij grotere politieke ideologieën en structuren te lijf kan gaan, dat wil zeggen wanneer die op mensenmaat concreet worden. Dat neemt niet weg dat ook zijn abstractere analyses hout snijden. Over het levensvuur, hoe het aan te steken en, vooral, hoe er zich niet dodelijk aan te branden, leze men De mens in opstand.

Bert Bultinck

Pas in de revolte wordt de mens waarlijk mens, maar de opstand is tegelijk ook een gevaarlijk hoogtepunt

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234