Maandag 16/12/2019

Cubaanse kunst verovert de wereld

Marco en Dagoberto zijn het hipste kunstenaarsduo van Cuba en verleiden galeriehouders van New York tot São Paulo en de Ruhr. Zeker nu de banden tussen Cuba en de VS aangehaald worden. Peilend naar het nieuwe Cuba gingen we in hun Madrileense atelier op bezoek.

Het gaat goed met de Cubaanse hedendaagse kunst. Een duizendtal galeriehouders, curatoren en verzamelaars uit New York, Miami en Los Angeles speurde vorige lente de Biënnale van Havana af. De verwachting dat vroeg of laat het VS-handelsembargo opgeheven wordt, lokte op beide oevers van de Straat van Florida artistieke en zakelijke koortsachtigheid uit.

Nu na bijna 60 jaar ook de bilaterale betrekkingen weer hersteld zijn, gewagen kunsthandelaars als Sean Kelly in Manhattan, van "grootse toekomstperspectieven voor de Cubaanse kunst". De VS en Cuba zijn naaste buren. Of ze het nu met elkaar vinden of niet, ze voelen elkaars hete adem in de nek en dat alleen al schept wederzijdse gefascineerdheid. "Eindelijk kijken de twee elkaar weer in de ogen", zegt Kelly, die het voorbije decennium om de haverklap in Havana neerstreek.

Via Sean Kelly kunnen we Los Carpinteros, Spaans voor 'timmerlui', ontmoeten. De galerist heeft namelijk de vrienden Dagoberto Rodríguez en Marco Castillo in huis. Overal ter wereld gooit het duo hoge ogen. In de nieuwe vleugel van het Londense Victoria & Albert Museum van Europe 1600-1815, meer bepaald in de afdeling verlichting, staat sinds 9 december een gigantische architecturale installatie van hun hand. The Globe, zoals het kunstwerk heet, is een eivormige sculptuur van beukenhout. Met binnenin een zitruimte met 30 plaatsen die behalve de 18de-eeuwse saloncultuur ook de traditionele Spaanse en Spaans-Amerikaanse gesprekskringen of tertulias oproept. Om The Globe heen staat L'Encyclopédie (1751-1772) van Diderot en d'Alembert opgesteld.

Los Carpinteros hebben hun omvangrijke meubel bovendien opgevat als een panopticon, een 18de-eeuws architectuurbeginsel dat ontsproot aan het brein van de Britse filosoof Jeremy Bentham. Zijn geruchtmakendste toepassing kreeg het panopticon, Grieks voor 'alziend', in de gevangenissen: het stelde de autoriteiten in staat een groep gedetineerden vanuit een centraal punt te controleren, te bestuderen en te beschaven.

Zo verwijst The Globe ook naar Cuba. Daar, op Isla de la Juventud, bevindt zich Presidio Modelo. In die panoptische modelgevangenis zat eerst Fidel Castro en na diens revolutie van 1959, zijn aartsvijanden: de contrarevolutionairen, de dissidenten, de huurlingen ook die het Varkensbaai-debacle op hun rekest hadden en Cuba binnengevallen waren in de hoop Castro uit het zadel te wippen.

Inner dan in

"Let op waar je je voeten zet!" Over de bodem van hun Madrileense atelier slingert een meterslange boa. Het reptiel, geassembleerd uit pins van de drie grootste politieke partijen van Brazilië, luistert naar de titel Constrictora. Het tot voor kort zo rooskleurige Brazilië gaat ten onder aan ongehoorde corruptie, particularistisch gekrakeel en politieke charlatanerie. De groene, rode en zwarte wurgslang is een geknipte metafoor.

Het kunstenaarsstel laat ons ook bakvormen zien voor koekjes waarop begrippen als corrupção te lezen zijn, of nog, de daarmee over een kam geschoren Olimpíadas - de Olympische Spelen die volgend jaar in Rio plaatsvinden maar waar geen Braziliaan nog warm voor loopt, of het moest uit boosheid zijn. "Onze opdrachtgever, (de erg prestigieuze, LD) galerie Forta Vilaça, vroeg ons het moment te vatten waarin Brazilië verkeert. Dat hebben we dan ook gedaan."

Los Carpinteros hebben er zelf niet van terug: Cubaanse kunst is inner dan in, voor hun werk wordt een fortuin neergeteld.

Hoe anders zagen hun levens er een kwarteeuw geleden nog uit, toen de jongeheren uit hun rurale contreien Camaguey en Las Villas naar Havana besloten te verkassen, meer bepaald naar de vroegere upperclasswijk Country Club, naar de ISA-kunstschool vooral, van alle overwoekerde ruïnes op Cuba de modernste en meest prestigieuze.

We schrijven de prille jaren 90, de laatste Sovjets hadden de sonde doorgeknipt waar het communistische eiland al sinds de jaren 60 op leefde. De Cubanen konden hun enige product, suiker, niet langer kwijt aan hun enige afnemer, Moskou. De gevolgen bleven niet uit: de contractie was dusdanig dat Cuba een oorlogseconomie in vredestijd kreeg. De Cubanen leden honger. Voor de duizenden vluchtelingen was alles wat dreef - binnenbanden, wrakhout of tot schip omgebouwde bestelwagens - goed genoeg , zolang de varende vehikels de kust van Florida maar haalden.

Overlevingsschool

"We kregen amper te eten op de kunstschool. We hadden nauwelijks kleren", zegt Marco. "De kunstopleiding duurde vijf jaar, maar na een jaar vroegen we ons al af hoe we verder moesten: als crimineel? Als prostitué? Of toch maar als kunstenaar? Medestudenten haakten af om hun ding te doen, maar ons ding was kunst, en dat bleef het."

Net als Dagoberto is Marco halfweg de veertig. Grijzende baard, kortgeschoren kruin, even diepe als donkere ogen. "Toen wij er arriveerden, lagen de scholen (het ISA telt behalve een instituut voor plastische kunst ook een theater-, een ballet- en een muziekschool, LD) er hopeloos verwaarloosd bij. Het was alsof we naar Pompeï trokken, of naar een pre-Colombiaanse tempel in het oerwoud. Net daarom was het ook een geprivilegieerde plek, vol intellectuele luxe. De sfeer was er zowel creatief als ernstig. Mensen van divers artistiek pluimage woonden er samen en gaven elkaar feedback."

Dagoberto, subtielere gestalte, coole bril, valt in. "Onze school was een overlevingsschool. Mentaal zaten we in de jungle. Zonder materiaal. Vergelijk het met survival in een realityshow. Het enige wat we konden doen was spullen recyclen die we op school zelf aantroffen." "Naar de kunstscholen gaan," neemt Marco over, "was vooral ook het verleden induiken. De scholen, het oeuvre van drie Italiaanse architecten, werden in de jaren 60 gebouwd op een golfterrein. Fidel Castro en Ché Guevara speelden er het allerlaatste partijtje golf in decennia dat op Cuba nog gespeeld werd, want golf was bourgeois."

Dagoberto, hevig knikkend: "De school bood een heel erotische aanblik, met veel koepels en een vulva-achtige fontein. Toen de Sovjets in de late jaren 60 het laken naar zich toe trokken en de Cubaanse revolutie creativiteit inruilde voor bureaucratie, gold de instelling plotsklaps als onrevolutionair. Om ideologische redenen werd ze verlaten. Op Cuba is absoluut álles ideologisch. In een autoritaire context was voor scholen als deze, hoe progressief ook, geen plaats"

Niks bouwstof om artistieke artefacten uit te fabriceren, dus. "Zo komt het dat we in de buurt de achtergelaten villa's van de bourgeoisie te lijf gingen, die van de suikerbaronnen en andere miljonairs", lacht Marco. "Voor de afwerking van raam- en deurlijsten hadden ze het duurste hout gebruikt, het timmerwerk was eersteklas en van een niveau dat in het communistische Cuba niet langer voorhanden was. En wat deden wij? We ontmantelden de zaak, namen mee wat we konden en leefden er ons op uit." (schaterlacht)

"Zonder het te willen, zijn we zo naar de jaren 50 teruggekeerd", gaat Dagoberto verder. "Aan de academie hebben we een stuk Cubaanse realiteit beleefd dat allang niet meer bestond. We voelden ons antropologen. Het soort dat niet naar sporen van inheemse beschavingen zocht maar naar de ziel van de verdwenen Cubaanse aristocratie, haar levensstijl en overvloed. Midden in de armoede van de jaren 90 was het heerlijk, wat zeg ik, noodzakelijk om aan de opulentie van de jaren 50 terug te denken. De fifties waren onze levenslijn."

Een geestdriftige babbel voeren we, veeleer dan een vraaggesprek waar Los Carpinteros toch niet van houden. The Globe, het werkstuk in het V&A, mag het bewijs leveren: deze jongens hebben wat met bouwsels. Anders dan de broers Castro dus, die allerminst een hart voor architecten hadden.

"Op zeker ogenblik begon de revolutie haar eigen optimisme verdacht te vinden, in zoverre dat een van de architecten van onze school de cel werd ingegooid, de meest overtuigde communist van het drietal nog wel. Voor de revolutie was op Cuba een belangrijke inspanning geleverd om met de openbare ruimte om te gaan. Toen de scholen in de steek gelaten werden, verwees de staat ook onze architecturale traditie naar de vuilnismand. In Country Club stonden talrijke villa's in de trant van Le Corbusier. De revolutionairen hebben er nooit naar omgezien."

Een vrijplaats in de eenpartijstaat, dat was het instituut waar Los Carpinteros het vak onder de knie kregen en waar ze de naam van hun collectief bedachten - een subtiel huldebetoon aan een ambacht waar decennialang socialistisch prefabbeleid korte metten mee maakte.

Zegt Dagoberto, terwijl hij met twee espressokopjes speelt waar hij zo te zien een kunstwerk in vermoedt: "Toen we kinderen waren, en de Russen nog op Cuba aanwezig waren, genoten we een solide opleiding en had onze school nog uitrusting ter beschikking. Het was het tijdperk waarin ons verteld werd dat we nieuwe mensen zouden worden, mooi zoals Ché ons dat had voorgespiegeld. We geloofden dat de toekomst glorieus aan de horizont zou oplichten. Alleen: pal op het moment waarop we dachten dat de nieuwe mens nabij was, viel de Muur en stortte de Sovjet-Unie in."

Marco continueert in verbluffende symbiose met zijn partner: "Die nieuwe mens, die ontdekten we inderdaad. Alleen zag hij er volslagen anders uit dan we gehoopt hadden. De nieuwe mens leed honger, de nieuwe mens wilde weg uit Cuba."

Maar het was niet alleen dat. Dagoberto: "In de jaren 80 werden de scholen erg gecontroleerd. Meerdere studenten zijn toen aan de deur gezet. Ik herinner me momenten waarop de censuur met de loep voorbijkwam om te zien wat het jonge volk uitvrat. Het was de tijd van de perestrojka in Rusland. Wij Cubanen hoopten op iets soortgelijks, maar het kwam er niet van. Het is er nooit van gekomen."

"De regering gaf aan wat de rode lijnen waren", gaat Marco door. "Zo mochten we in ons werk nooit de afbeelding van onze leiders gebruiken, van Fidel Castro dus, of vreemde dingen doen met de kop van Ché. Gelukkig interesseerde zoiets onze generatie allang niet meer. Wij waren bezig met overleven, met dingen die essentiëler waren voor de kunst dan Ché: de vraag, nogmaals, over welk materiaal we konden beschikken en welke gebruiksvoorwerpen we daaruit konden distilleren."

"De functionaliteit van objecten als een boekenrek, een tafel of een stoel, en de menselijkheid van onze vriendschap: dat was wat ons bezighield", verduidelijkt Dagoberto. "Intellectueel was de school intussen top. Duchamp, Beuys, de popart, niets van wat jullie in Europa leerden was ons vreemd. Umberto Eco en Jorge Luis Borges waren verboden maar circuleerden onder de mantel. De zeldzame boeken die ons uit het buitenland bereikten? Die las gewoon iedereen!"

Fijn neveneffect

Marco en Dagoberto waren gepokt en gemazeld in de rigide pedagogie van het communisme. Maar soms sorteerde ongeluk een fijn neveneffect: "Het feit namelijk dat wij de enigen niet waren die honger leden. Ook de censoren wilden eten, en je kreeg haast medelijden met ze. Die mannen zagen er erg vermoeid en afgetakeld uit. Goed, op school liepen altijd weer lui rond van wie we wisten dat het geen studenten waren. Eén keer hebben ze ons in de rats gebracht. We hadden een marktje georganiseerd waarop geen groente verkocht werd maar hoopjes aarde. Dat was onze kritiek op het feit dat de regering tijdens de turistrojka (de reconversie van de Cubaanse economie richting internationaal toerisme, LD) grond ter beschikking stelde van buitenlandse investeerders, terwijl wij Cubanen niets mochten kopen of verkopen. Wij wilden dat aanklagen. Welnu, de censuur is met de installatie aan de haal gegaan. Grappig eigenlijk, dat kat-en-muisspel met de apparatsjiks.

"Ze hebben ons getraind om aan de censuur te ontsnappen. Een van de ontsnappingsroutes heet humor. Niet dat we bang zijn, maar de angst voor de censuur verplicht je ertoe je taalgebruik complexer te maken. Door ironie, door cynisme of door codeboodschappen. Die zitten ook in ons werk: geen eenduidige, expliciete boodschap, veeleer een mix van allerlei ideeën."

De naam Timmerlui is niet alleen een hommage aan vaklui die op Cuba niet langer te vinden zijn - reden waarom het stel zijn kunst in Madrid vervaardigt - hij verwijst bovendien naar een typisch revolutionair procedé om de eigen subjectiviteit te dempen.

"In ons systeem is het individu geheel ondergeschikt aan de groep. Slechts één man, de leider, bezit individualiteit, de rest is louter massa, de partij. Wie zijn eigen ding doet, doet het dus gemaskerd. Tezelfdertijd heeft die werkelijkheid ons ook gewapend. Ik denk niet dat ons duo in een ander land zou hebben overleefd. Het feit dat we er na twee decennia nog altijd staan heeft met onze opvoeding te maken, met onze mentale format. Dat is die van de kibboets, van het collectivisme, van een neiging om alles wat boven het maaiveld uitsteekt te kortwieken. We zijn zo gewoon om naar slechts één leider te luisteren dat het ons moeite kost om voor welk ander individu ook te applaudisseren, of hij nu een zanger, een politicus of een kunstenaar is."

Ofschoon Los Carpinteros wars zijn van etikettering en niet per se in het hokje Cubaanse kunst willen thuishoren, is het Caraïbische eiland, of ze dat nu willen of niet, hun vertrekpunt. "Er zit onmiskenbaar cubanía (cubaansheid, LD) in ons werk", legt Marco uit. "De problemen die we stellen, hebben we in ons Cubaanse leven meegemaakt. Doordat we daar zijn opgegroeid, hebben we andere dingen beleefd dan jullie hier, over spullen gedroomd waar jullie nooit van droomden omdat jullie ze toch al bezaten. We woonden bovendien op een geïsoleerd eiland. Dat alles maakt ons, tja, verschillend."

"Toch is staatkundige geografie niets meer dan een theoretische opsplitsing", vindt Dagoberto. "Ze is ook onrechtvaardig, omdat ze zo'n verplichtend karakter heeft. Jullie hier, wij daar. Geef toe, zo werkt de wereld niet."

"Dat zie je ook in de jongere generatie kunstenaars. Zij willen resoluut internationaal gaan, maar niet per se als Cubanen zichtbaar zijn. Zij willen hun individuele ding doen en werken carrièrestrategieën uit. Dat is een heel ander verhaal dan het onze, wij die opgeleid werden om staatskunstenaar te worden. Wie had ooit gedacht dat wij in het globale kunstcircuit terecht zouden komen?" (brede lach)

On-Cubaans

Het lumineuze atelier, boven een vroegere carrosserie in de buurt van het Bernabeu-stadion, is de kunstenaars ter beschikking gesteld door de gereputeerde kunstuitgeverij Ivory Press. Het is er een komen en gaan van medewerkers, strak en hip. Yani, de eveneens Cubaanse assistente van het duo, beantwoordt mails van galeristen en curatoren wereldwijd, sluit verzekeringen af, regelt facturen. Bepaald kapitalistische en dus on-Cubaanse handelingen. Maar Cuba en het koloniale moederland Spanje liggen minder ver van elkaar dan de weidse oceaan zou doen vermoeden. "Cultureel en mentaal lijken we erg op elkaar", zegt Marco. "Ook hier blijkt de kunstscène erg gepolitiseerd, misschien meer nog dan op Cuba zelf. We arriveerden hier naar aanleiding van een expo, en toen kregen we de kans om een deel van het jaar in Madrid te werken. We kwamen in het holst van de crisis aan maar vroegen ons af: 'Crisis? Welke crisis?' Vanuit het Cubaanse perspectief was deze crisis een grap. Komaan, in Cuba kun je niet eens een kistje schroevendraaiers kopen! Iedereen wilde werk van ons, maar thuis konden we dat niet eens vervaardigen, hier wel."

Valt Dagoberto in: "Neem het van ons aan, een migrant of vluchteling die in West-Europa arriveert, ziet aanvankelijk geen crisis. Er gaat tijd overheen voor hij als een Europeaan naar de realiteit leert kijken."

Des duivels

Dagoberto en Marco spreiden hun leven over twee hoofdsteden, een ongehoorde luxepositie. Want anders dan de ballingen, die het regime lange tijd als gusanos of wormen omschreef, kunnen Los Carpinteros mooi naar huis terug, een paar maanden Madrid, een paar maanden Havana. "Hardlijnse anticastristen in Miami hebben het niet op ons begrepen", zegt Dagoberto, fel. "Ze noemen ons fluwelen ballingen, terwijl we zelfs dát niet zijn. Zelfs als we ballingen hadden willen worden, was het aan de regering om ons die status te geven - en dat doet ze al sinds de jaren 90 niet meer."

Havana. De wijk Nuevo Vedado. Daar, in de buurt van het Acapulco-park, op een boogscheut van de gelijknamige cinema, konden Los Carpinteros inmiddels de villa van een voormalige guerrilladokter op de kop tikken. Het huis, 800 vierkante meter groot, bevat onder meer een schitterende bibliotheek met duizenden werken over psychologie, geschiedenis, filosofie en politiek, boeken in het Spaans, maar evengoed in het Russisch, in het Duits en in het Engels.

Marco, verbaasd: "Ik wist niet eens dat dat bestond, Marx in Engelse vertaling. Dokter Vallejo had niet alleen zijn boeken achtergelaten maar ook een indrukwekkende collectie lp's. De ontdekking deed me terugdenken aan onze tijd op school: Havana is één permanente bron van archeologie."

"We willen het huis ombouwen tot een studio en er een ook een openbare bibliotheek in vestigen," zegt Dagoberto, "iets waar het publiek wat aan heeft. We willen een platform opzetten voor jonge kunstenaars die niet zichtbaar zijn in Cuba. Of zoiets mag in een land zonder privéstichtingen? We zullen zien hè, maar dit is wat de mensen willen."

We struinen door het Madrileense atelier. Het werk Conga blanca laat het gelijknamige percussie-instrument zien, zij het in een gesmolten versie, alsof de tropische hitte Buena Vista Social Club had laten verweken en uit elkaar doen vloeien.

Maar de desintegratie gaat ook over politiek. Los Carpinteros hebben kleine meubeltjes gemaakt die verwijzen naar monumenten uit de Sovjet-tijd. De beroemde fauteuil LC3 van Le Corbusier hebben ze tot wc verbouwd - minimalistisch, functioneel en bruikbaar in het echte leven. Er zou enkel nog een stapeltje Granma's bij kunnen, de partijkrant die miljoenen Cubanen gebruiken om de schaarste aan toiletpapier te ondervangen. "Cubanen", grapt Marco, "hebben de meest belezen achterwerken van de hele wereld."

Taal die luttele jaren geleden best wel nog des duivels was, daar op hun eiland. Maar ook deze jongens willen vrijheid. Marco: "Meer nog dan vrijheid van meningsuiting de economische vrijheid. Vrijheid van meningsuiting heeft geen zin als ze aan het eind van de rit geen economische vertaling krijgt."

En dan, vurig: "Als iemand op Cuba zich ooit voor het volk moet verantwoorden, dan in de eerste plaats voor zijn economische misdaden. De rest komt erna. Want geef nu toe, hoe kun je een land bestieren met zulke gekke ideeën? De Cubanen aan economische apartheid onderwerpen door twee munten in te voeren? Door buitenlanders in de economie te laten investeren terwijl de Cubanen zelf dat nog altijd niet mogen?"

McDonald's

Toegegeven, de babbel gaat zo lekker dat we de aanleiding ervoor zo'n beetje uit het oog verliezen: het herstel van de bilaterale relaties met Washington, de verwachting dat ook het decennia oude VS-handelsembargo weldra geschiedenis zal zijn en de vrees dat het eiland overspoeld wordt door een kapitalistische vloedgolf - met een spreekwoordelijke McDonald's op de Malecón, de zeeboulevard in Havana, als symbool.

Marco relativeert. "Ach, we hebben wel een complete vloot Amerikaanse auto's, waarom geen McDonald's dan? Misschien moet zo'n fastfood wel het vaccin worden tegen de ergste uitwassen? Nee, echt, jullie buitenlanders hebben een heel sentimentele kijk op Cuba. Enerzijds willen jullie dat ons land verandert, anderzijds mag het niet veranderen. Welnu, ik kan je verzekeren dat er nog volstrekt niets anders geworden is bij ons. Of het moest het woord imperialisme zijn, dat voor het eerst in jaren niet meer uitgesproken wordt op tv. Nee, een algehele veramerikanisering ligt niet in het verschiet."

"Maar áls het gebeurt," zegt Dagoberto, "dan wordt het heel erg."

Erger dan het precaire Cuba van hun jeugd? De kleinere van het stel denkt even na. "Erg genoeg om interessante kunst te maken."

Onder zijn bril verschijnt een grijnzende lach.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234