Maandag 29/11/2021

CSI België: 96 op de 100 verkrachters riskeren niets

Marieke (30) ging ongeveer een jaar geleden naar gewoonte nog een paar rondjes joggen in het stadspark. Een jonge kerel fietste haar een paar keer voorbij. Vreemd, dacht ze, maar tijdens het lopen werd ze wel vaker begluurd. Het was klaarlichte dag, ze maakte zich geen zorgen. Tot hij haar van achteren vastgreep en mee de bosjes in sleurde.“Ik sloeg en schopte maar uiteindelijk lag hij bovenop me. Telkens ik probeerde recht te krabbelen, duwde hij me terug op de grond. Ik kon geen kant op. Mijn loopoutfit werd in een ruk van mijn lijf gerukt. Ik voelde zijn vinger in mijn vagina. Tijdens een cursus zelfverdediging had ik geleerd dat ik moest blijven roepen. Dat deed ik. Daarop probeerde hij mijn mond dicht te snoeren. Toen twee vrouwen me uiteindelijk te hulp schoten, ging hij van me af en wandelde hij rustig terug naar zijn fiets. Alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Hij is me op weg naar de uitgang zelfs nog eventjes gevolgd. Bleef me bedreigend aankijken. In zijn ogen was ik een stuk vlees waar hij macht over bezat.”Psychologe Daniele Zucker onderzocht recentelijk honderd dossiers van verkrachting tussen 2001 en 2007 in ons land. Slechts één leidde tot een effectieve veroordeling. In vier van de 100 zaken werden de verdachten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden tot drie jaar, maar drie daarvan waren volledig met uitstel.51 dossiers werden al snel afgesloten omdat de dader niet kon worden geïdentificeerd. In 45 andere gevallen was de dader wel bekend maar was er niet voldoende bewijs voorhanden. Het onderzoek van Zucker kadert binnen een Europese studie in 33 landen onder leiding van de London Metropolitan University. Wie de cijfers naast elkaar legt, merkt dat het veroordelingspercentage in 2006 in de meeste Europese landen onder de helft lag. Alleen in Hongarije en Luxemburg eindigden minstens 80 procent van de verkrachtingsdossiers dat jaar met een veroordeling. Met 13 procent bengelt België samen met Portugal, Zweden en Duitsland eerder onderaan de lijst. Er zijn nog enkele andere landen waar je als slachtoffer moet leren leven met de hallucinante cijfers: in Ierland (7 procent), Engeland (6 procent) en Schotland (3 procent) werden de minste straffen opgetekend.Voor vijf Belgische vrouwen kwam er vorige week een einde aan jaren van onwetendheid en over de schouder kijken. Alle vijf waren ze tussen 2002 en 2006 in de buurt van Hasselt aangerand of verkracht met behulp van een mes en/of tape. Alle vijf waren ze daarna moedig naar de politie gestapt. Robotfoto’s en DNA-stalen ten spijt werd hun belager niet gevonden. Pas toen Ronald Janssen vorige week tijdens een verhoor besloot te bekennen dat hij naast enkele moorden ook verschillende verkrachtingen op zijn geweten had, kon hun dossier worden afgerond.“Zelfs als aangerande vrouwen de drempel nemen om aangifte te doen, komt daar zelden een veroordeling uit voort”, zegt professor Liesbet Stevens, experte in strafrecht en seksualiteit. “Vaak omwille van gebrek aan bewijsmateriaal. In veel gevallen loopt het slachtoffer na de feiten liefst zo snel mogelijk naar huis om uren onder de douche te staan en alles van zich af te wassen. Als ze later toch beslissen om met hun verhaal naar voren te komen zijn alle sporen allang uitgewist. Dan is het woord tegen woord. In tijden waar casual seks meer aanvaard wordt, is het voor vrouwen ook moeilijk geworden om aan te tonen dat er geen sprake was van wederzijdse toestemming. Veel vrouwen die verkracht zijn koesteren terecht wantrouwen tegenover het gerecht en kiezen ervoor om de hele lijdensweg van de aangifte niet te doorstaan. Vaak vanuit de idee: ‘Dit wordt toch niets...’”

TOT EEN UITSTRIJKJE TOE

Marieke wist dat de eerste uren na de feiten cruciaal zijn om sporen op het lichaam te vinden. Dus repte ze zich meteen naar het dichtstbijzijnde politiekantoor in plaats van naar de dichtstbijzijnde douche. “Ik begrijp best dat sommige vrouwen zo’n fysiek onderzoek vlak na de feiten moeilijk of niet aankunnen, maar ik reageerde die eerste uren en dagen bijzonder rationeel”, vertelt ze. “Voor mij was het duidelijk: ze moesten de man die me dit had aangedaan koste wat het kost vinden en straffen. Dus deed ik alles om de politie daarbij te helpen. Ik drong zelfs bij de dokteres die me onderzocht aan zoveel mogelijk stalen af te nemen. Tot een uitstrijkje toe. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor alle andere vrouwen. Dit mocht niemand anders overkomen. Die man moest gestopt worden.”Enkele dagen later kreeg Marieke een telefoontje. Haar belager was op heterdaad betrapt na een nieuwe aanranding. De jonge Turk had 22 vrouwen aangerand en twee daadwerkelijk verkracht. Soms gebruikte hij daarbij een mes. Marieke raapte voor de tweede keer al haar moed bij elkaar en ging hem identificeren. “Ik was daar achteraf niet goed van. Ik stond echt te trillen op mijn benen van de adrenaline. Maar ik wist: ik moet dit doen.”

EEN KELDER VOL UITSTRIJKJES

DNA-materiaal zoals huidschilfers, speeksel, haren en spermastalen kunnen een doorslaggevende factor zijn bij het vinden van verkrachters. Tenminste: als ze ook geanalyseerd worden. In de kelder van het Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde van het UZ Antwerpen staan enkele honderden kartonnen dozen opeengestapeld. Voor elke vermeende verkrachting een doos. Erin zit bewijsmateriaal: kleding maar ook DNA-staafjes met biologisch materiaal van mogelijke daders. Twee derde van dit materiaal is nooit geanalyseerd. En elk jaar worden er tweehonderd nieuwe dozen aangeleverd.“Niet elke stalenset die wordt afgenomen, wordt systematisch onderzocht”, zegt diensthoofd Werner Jacobs. “Dat is een beleidskeuze vanuit justitie. Analyses kosten geld en men wil net op de gerechtskosten besparen. Neem nu de zaak van Ronald Janssen. De kans is reëel dat sommige niet-geanalyseerde stalen met zijn DNA overeenkomen. Alles wat niet geanalyseerd wordt, komt echter ook niet in de DNA-databank terecht. Die databank kan nochtans een belangrijk instrument zijn in het helpen oplossen van onopgeloste misdrijven: DNA gevonden op een slachtoffer kan op die manier heel makkelijk vergeleken worden met voor het gerecht bekende daderprofielen. Alleen werkt de bank pas als er voldoende materiaal in zit. We zitten momenteel aan enkele tienduizenden DNA-stalen. Ter vergelijking: de databank in het Verenigd Koninkrijk telt zo’n 5 miljoen stalen. Elke dag levert dat tientallen hits op met potentiële daders. Wij mogen blij zijn als we er enkele tientallen per jaar hebben.”In de Belgische DNA-databank worden enkel daderprofielen opgenomen van criminelen die veroordeeld zijn voor zware feiten. In het Verenigd Koninkrijk daarentegen volstaat het als de man of vrouw ernstig wordt verdacht van zedenfeiten. “Dat is het gevolg van een politieke afweging tussen het belang van misdaden oplossen en het recht op privacy”, zegt Dieter Deforce van het Labo voor Farmaceutische Biotechnologie van de Universiteit Gent. “Men heeft zo het idee dat we bij DNA-onderzoek opeens alles te weten zullen komen over een persoon, terwijl enkel die stukjes geanalyseerd worden die geen biologische functie hebben. Een groot privacyprobleem is er dan ook niet aan verbonden. Nu bestaat de kans dat we hetzelfde DNA-materiaal meerdere keren moeten analyseren, omdat die verdachte in vorige zaken niet in de databank werd opgeslagen. De mogelijkheden van DNA-onderzoek en de databank zouden nog beter benut kunnen worden. Bij voorbeeld in het kader van verkrachtingszaken waar de kans op recidive of betrokkenheid bij meerdere feiten hoog is.”In 1990 lanceerde toenmalig staatssecretaris voor Maatschappelijke Emancipatie Miet Smet de zogenaamde ‘Seksuele Agressie Set’. De set was bedoeld voor artsen en politiemensen. Het bevatte naast instrumenten om sporen mee af te nemen en bijbehorende handleiding, papieren kledij voor het slachtoffer en een checklist voor het verhoor. “Voor de invoering van de SAS had de politie gewoon geen manier om sporen bij slachtoffers af te nemen. Dus gebeurde het niet”, weet Miet Smet nog. “Er werden ook opleidingen voorzien voor politiemensen en artsen om met slachtoffers van seksueel geweld om te gaan. We wilden ervoor zorgen dat men hun klacht en opvolging ervan au sérieux nam.”De slachtoffers werden op hun beurt met campagnes als ‘Doorbreek de stilte voordat je zelf gebroken bent’ en ‘Verkrachting. Wie help je door te zwijgen?’ aangespoord om meteen na de feiten een uitstrijkje te laten nemen. Miet Smet lijkt in haar opzet te zijn geslaagd. Hoewel er nog steeds sprake is van een zogenaamd dark number, doen steeds meer verkrachte vrouwen aangifte. “Ook wat betreft slachtofferbejegening en sporenonderzoek bij de politie is er de afgelopen jaren een grote evolutie geboekt”, zegt Liesbet Stevens. “Helaas zien we dat zich dat tot nu toe niet in meer vervolgingen vertaalt. Eigenlijk zou van ieder slachtoffer een videoverhoor moeten worden afgenomen. In geval van woord tegen woord moet de rechter vaak beslissen. En dan zie je dat zij geschreven verklaringen van het slachtoffer vaak verkeerd begrijpen. Die bevatten soms tegenstrijdigheden omdat de vrouwen in shock zijn. Ook dat het slachtoffer pas in latere verhoren nieuwe details vertelt, wordt soms misbegrepen. Dat doen ze vaak uit zelfbescherming: in het begin geven ze maar een fractie van het verhaal prijs omdat ze willen testen of de politie hen wel gelooft. Op video worden ook hun lichaamstaal, emoties en eigen bewoordingen vastgelegd. Bovendien hebben we gespecialiseerde rechters nodig die over de nodige achtergrondkennis beschikken om de feiten naar behoren te wegen en te achterhalen of het om een waarheidsgetrouwe of valse klacht gaat.”Senator Els Van Hoof (CD&V) wil op haar beurt een wetsvoorstel indienen om ook DNA van officiële verdachten in de databank op te nemen. “Het big brother-bezwaar gaat niet op, want enkel magistraten kunnen de DNA-gegevens opvragen”, zegt Van Hoof. “Niets doen is geen optie. Te veel seksueel misbruik blijft onbestraft. Vaak net omdat er te weinig bewijzen zijn.”

VERTROUWEN ZOEK

Gebrek aan bewijs was bij Marieke niet echt het probleem. De jonge Turk die haar aanrandde, werd op heterdaad betrapt. “Bij zijn aanhouding verklaarde hij echter dat hij minderjarig was”, vertelt Marieke. “Hij was zeventien jaar en zes maanden en bij zijn tante op bezoek, zo zei hij. Niemand die dat kon verifiëren, want hij had geen papieren. Een botscan is nooit uitgevoerd. Mijn advocate heeft nog geprobeerd om hem als volwassene te laten berechten, maar de jeugdrechter heeft haar verzoek afgewezen. Resultaat: een verblijf van enkele maanden in de jeugdgevangenis van Ruislede waar hij geen begeleiding kreeg omdat niemand daar Turks sprak. Daarna zou hij op een vliegtuig worden gezet richting Turkije. Alleen: toen ik eind juni bij justitie polste of dat daadwerkelijk was gebeurd, kreeg ik als antwoord: ‘Dat weten we niet, dat kunnen we niet weten’.”Sindsdien voelt Marieke zich nergens meer echt veilig. Bevindt ze zich voortdurend in een ‘staat van paraatheid’. Klaar om haar belager opnieuw van zich af te slaan. Haar vertrouwen is volledig zoek. Vertrouwen in mannen, in vreemden, maar ook in de staat. “Ik voel mij zo vernederd en miskend. Justitie heeft me het gevoel gegeven dat ze mij, mijn belager en mijn verhaal niet au sérieux namen. Alsof ik helemaal alleen stond in mijn strijd. Dat ze hem zo gemakkelijk weg hebben laten komen, voelt voor mij nog erger aan dan de verkrachting zelf. Als psychologe besef ik maar al te goed dat de meeste daders zonder de nodige begeleiding gewoon verder doen. “Ik weet: wat hij mij die dag heeft ontnomen, zal nooit meer hersteld kunnen worden. Op sommige dagen voel ik me vuil, alleen en angstig. Dan beleef ik het opnieuw en word ik heel erg triest en kwaad. Mijn relatie is erg onder druk komen te staan. Mijn beleving van seks ligt helemaal overhoop. Maar was hij wel gestraft en begeleid geweest, dan had ik misschien een grens onder die verschrikkelijke gebeurtenis kunnen trekken. Dan had ik tenminste het gevoel gehad dat justitie al het nodige doet om te voorkomen dat dit nog eens gebeurt, dat ik niet voor mijn eigen bescherming moet instaan. De eerste stap van het verwerkingsproces na een verkrachting is het herstellen van het veiligheidsgevoel bij het slachtoffer. Zover ben ik nooit gekomen. Ik ben nog altijd bang dat hij weer voor me zal opdoemen. Ik durf niet meer te leven. Dat gevoel van veiligheid, van geborgenheid, dat krijg ik misschien nooit meer terug.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234