Donderdag 26/01/2023

Creatief weglaten is een kunst

Exact twaalf maanden geleden schetste Colin Powell in de VN-Veiligheidsraad het gevaar-Saddam. Maar de zekerheid van toen is weg. Zowel Bush als Blair zijn in een robbertje vechten met de inlichtingendiensten beland. Die slikken het niet dat ze de zwartepiet krijgen toegespeeld voor het debacle met de Iraakse massavernietigingswapens. Hun verweer, zo bleek deze week, kan hoogst gênant worden voor hun regeringen.

Fabian Lefevere

Stilaan wordt de puzzel ingevuld en krijgt de buitenwereld zicht op hoe de dossiers tegen Saddam totstandkwamen. Niet op basis van harde, wetenschappelijke feiten, zo mag stilaan met enige zekerheid beweerd worden. Zowel het Witte Huis als Downing Street kozen uit de rapporten van de inlichtingendiensten à la carte gegevens die hun politieke doeleinden dienden. De context, twijfels over de gegevens of voorbehoud bij de bronnen werd gemakshalve weggelaten om de publieke opinie niet al te zeer te verwarren.

"Misschien maakte de Amerikaanse regering zich niet schuldig aan leugens", schreef ex-CIA-analist Kenneth Pollack deze week in een essay in een Amerikaans tijdschrift. "Maar wel aan creatieve weglating." Pollack is nochtans een Midden-Oosten-expert van onverdachte achtergrond: hij schreef ooit een boek over de noodzaak om Saddam uit het zadel te lichten. Allerminst een klassiek linkse rakker dus, maar nu noemt hij de handelswijze van de regering Bush onomwonden een "roekeloos verraad".

Wat hij daar precies mee bedoelt, mag blijken uit de behandeling die de kliek rond vooral vice-president Dick Cheney en minister van Defensie Donald Rumsfeld voor de CIA in petto had. Bij de haviken van de Amerikaanse regering leefde klaarblijkelijk ongenoegen over de geheime diensten, die de ultieme zonde begaan hadden: ze zaten in de politiek verkeerde hoek. "Een stelletje naar links neigende cultuurrelativisten die systematisch de dreigingen voor de Verenigde Staten minimaliseren", zo beschreef Pollack met zijn vele connecties bij de CIA de perceptie.

De confrontatie tussen regering en inlichtingendiensten vertaalde zich in de aanloop naar de Irak-oorlog in een gevecht om het imago van Saddam. De regering zag de gevallen dictator als de grootste bedreiging voor de VS, het Midden-Oosten en de wereld tout court. Daar kon niets of niemand wat aan veranderen. Elke twijfel aan of voorbehoud bij Saddams wapens of intenties werd meteen onder tafel geveegd. "De mensen van de regering", zo schrijft Pollack op gezag van anonieme bronnen, "reageerden erg sterk, negatief zelfs, als ze geconfronteerd werden met informatie die in tegenspraak was met wat zij geloofden over Irak."

Nu kan het een vreemde voorstelling van zaken zijn om een agentschap met de geschiedenis van de CIA af te schilderen als een stel linkse jongens, het wantrouwen bij het Pentagon was zo sterk dat het een parallelle organisatie in het leven riep. Dat werd het schimmige Office of Special Plans, een genootschap van Rumsfeld- en Cheney-getrouwen dat op zijn beurt het ruwe materiaal van de geheime diensten tegen het licht hield. Zij haalden er alles uit wat de Bush-regering van nut was om een overtuigende casus belli op te bouwen.

"Natuurlijk", zegt Pollack daarover, "moet een regering niet zomaar geloven wat de inlichtendiensten haar vertellen. Maar op een zeker moment worden nieuwsgierigheid en ijver een vorm van druk." De verpersoonlijking van die regeringsdruk werd het Office of Special Plans, dat volgens Pollack de bedoeling had de informatie te manipuleren.

Haast automatisch vonden de verhalen van het Iraqi National Congress (INC) van Ahmed Chalabi gretig aftrek bij het Office of Special Plans. Chalabi was in Jordanië weliswaar veroordeeld wegens fraude maar gold altijd als een trouwe vazal van de neoconservatieven. Nu nog heeft hij een prominente stem in de Overgangsraad die de verkiezingen in Irak moet voorbereiden.

Het INC was (en is) bevolkt door Iraakse expats die op de vlucht gingen voor het Saddam-regime. Bij de CIA had het INC zo'n slechte reputatie dat haast al zijn verhalen meteen in de vuilnisbak gekieperd werden. Niet zo bij het Office of Special Plans, dat de INC-verhalen niet alleen slikte maar ze ook nog eens als absolute waarheid ging verdedigen bij de regering. Uit de hoek van Chalabi kwam overigens ook de claim, zo cruciaal voor het Britse dossier, dat Saddam binnen de 45 minuten chemische en biologische wapens in stelling kon brengen. Daarover straks meer.

Veertig keer plaatste de CIA voorbehoud bij het ruwe materiaal over Saddam, maar dat verdween tussen de plooien. Zo kwam het dat Bush tijdens zijn State of The Union zonder verpinken verklaarde dat Saddam "zowel over de wetenschappers als de infractructuur beschikt voor een nucleair programma". Of dat vice-president Cheney wist te vertellen dat "als het Iraakse regime verrijkt uranium met de omvang van een tennisbal kon produceren, kopen of stelen, het binnen het jaar een kernwapen heeft". Nu is dat geen echte leugen. Alle informatie van de inlichtingendiensten wijst erop dat Saddam zijn nucleaire programma wel bevroor maar nooit helemaal opgaf. Pollack: "Maar elk van die beweringen vertelt maar een deel van het verhaal. Het sensationeelste."

Halve waarheden

Zeker na lectuur van de 337 pagina's van het Hutton-rapport, lijkt alles erop te wijzen dat in Groot-Brittannië min of meer hetzelfde procedé gevolgd werd. De geheime dienst, in dit geval MI6 en de Defense Intelligence Service (DIS), verzamelden en interpreteerden het ruwe materiaal, maar de bedenkingen werden onder tafel geveegd door een sterk gepolitiseerd comité. Waarop met boude uitspraken uitgepakt werd in het publiek, zoals Blairs bewering dat Irak binnen de drie kwartier chemische en biologische wapens in stelling kan brengen.

Een gelijkaardige rol als het Amerikaanse Office of Special Plans speelde in Groot-Brittannië immers het Joint Intelligence Comité onder het voorzitterschap van John Scarlett. Dat bestond weliswaar uit mensen die gepokt en gemazeld waren in de geheime diensten, maar stond tegelijkertijd ook onder curatele van niemand minder dan Blairs communicatiedirecteur, de inmiddels afgetreden Alastair Campbell. Zoals bekend liet die enkele frasen in het dossier van de Britse regering tegen Saddam scherper stellen, iets wat Campbell aanvankelijke ontkende tegenover de parlementscommissie Buitenlandse Zaken maar tijdens de hoorzittingen van het Hutton-onderzoek toegaf.

Hoe halve waarheden als hele in het uiteindelijke Britse dossier belandden, vertelde Brian Jones al tijdens het Hutton-onderzoek. Jones was voor de Defense Intelligence Service, de cel van de geheime dienst op het kabinet van Defensie, chef van de technische sectie chemische en biologische wapens. Bleek tot zijn ontzetting dat zijn duidelijk uitgesproken twijfels bij de bewijslast tegen Saddam weggemoffeld waren in het dossier zoals Blair dat in september 2002 presenteerde. De claim dat Saddam binnen de drie kwartier een chemische en/of biologische aanval kon lanceren was immers afkomstig van één enkele bron, bovendien gehoord uit tweede hand, en van niet eens zo'n betrouwbare bron. Zoals gezegd kwam ze uit de hoek van Ahmed Chalabi.

Jones citeerde tijdens de hoorzittingen van het Hutton-onderzoek uit een memo dat hij zijn rechtstreekse baas geschreven had. Een paar citaten. "We hebben geen problemen met een oordeel dat gebaseerd is op inlichtingen dat Saddam groot belang hecht aan het bezit van massavernietigingswapens. Maar we hebben de informatie niet gezien die bewijst dat hij die inderdaad bezit. ... De bewijzen waarover wij beschikken, suggereren veel meer dan dat ze aantonen dat Irak van plan was om zijn capaciteit van massavernietigingswapens te verbergen. ..."

Nog: "We beschikten niet over bewijs dat er recentelijk tests of experimenten werden uitgevoerd. ... We hebben geen bewijzen gezien die aantonen dat Irak tussen '98 (datum waarop de wapeninspecteurs uit Irak vertrokken, FL) en 2002 stoffen voor chemische wapens heeft aangemaakt. Al is het ook ons oordeel dat hij dat waarschijnlijk gedaan heeft." Jones herhaalde zijn bezwaren deze week in The Independent, waarin hij het Britse wapendossier 'misleidend' noemde. Zijn claim stond niet eens zo ver af van die van Andrew Gilligan, de gewraakte BBC-journalist die beweerd had dat het Britse dossier 'sexier' gemaakt was.

Jones' woede had alles te maken met de houding van zijn superieuren. Hij had het memo, geschreven in een taal die volgens iedereen uitzonderlijk scherp was, immers meteen doorgespeeld aan zijn chef Tony Cragg. De dag voor het afsluiten van het dossier, was dat. Cragg, nu net als Jones gepensioneerd, was vice-directeur van de DIS en zetelde samen met de directeur, maarschalk Joseph French, in het Joint Intelligence Comitttee. Daar werden de bezwaren van Jones van tafel geveegd. Het argument was dat de bron voor de claim van drie kwartier (de groep rond Chalabi, dus) betrouwbaar was. En zo werd waarschijnlijkheid zekerheid.

Vijfenveertig minuten

Zoveel is inmiddels duidelijk: van aperte leugens is niet echt sprake, ook niet in het Britse dossier. Het devies van ex-CIA-analist Pollack, dat er veeleer "creatief weggelaten" werd, geldt al evenzeer in Groot-Brittannië als in de VS. Wij hebben niet gezegd dat er een imminente dreiging van Saddam uitging, verklaarde eerder al de Britse minister van Buitenlandse Zaken Straw en deze week ook de kringen rond Bush. "Dat hebben de media gedaan."

Maar voor wie eraan zou twijfelen dat de bedoeling van de publieke statements een maximale impact in de media was, is er de triomfantelijke memo van Blairs kabinetchef aan Alastair Campbell, publiek gemaakt tijdens het Hutton-onderzoek. "Wat zal de kop in de Standard zijn? Wat we willen dat de kop is." De Evening Standard kopte op de dag dat het dossier gepubliceerd werd inderdaad de volgende onheilstijding: "45 minuten verwijderd van een aanval". The Sun titelde: "Vijfenveertig minuten verwijderd van onheil".

Geen echte leugens dus, maar de grens tussen leugen en vrije interpretatie is bijwijlen flinterdun in deze affaire. Bleek bijvoorbeeld dat de mobiele Iraakse raketlanceerders op de satellietfoto's die Colin Powell aan de VN-veiligheidsraad toonde, in werkelijkheid landbouwwerktuigen waren. Dat stelde David Kay, de Amerikaanse chef van de wapeninspecteurs die onlangs aftrad met de pijnlijke motivering dat er geen verboden wapens meer gevonden zullen worden in Irak.

Of nog: pas deze week is gebleken dat de chemische en biologische wapens die Saddam in drie kwartier kon afvuren, als ze er al waren, zeker geen langeafstandsraketten waren. In tegenstelling tot de indruk die bij de publieke opinie gewekt werd, konden ze noch Jeruzalem, noch de Britse basis op Cyprus en noch de Jordaanse hoofdstad Amman bereiken. De wapens waren bedoeld voor het slagveld. Dat wist het Joint Intelligence Committee en ook minister van Defensie Geoff Hoon. Dat wisten zelfs de Israëli's, zo verklaarde deze week Yossi Sarid, lid van de parlementscommissie voor Buitenlandse Zaken en Defensie. Voor de petite histoire: Tel Aviv trok tegen beter weten in miljoenen dollars uit om hun bevolking van gasmaskers te voorzien.

De enige die, naast het publiek uiteraard, niet op de hoogte zou zijn geweest, was Tony Blair. De Britse premier zou pas na afloop van de oorlog zijn ingelicht. Dat klinkt bizar? Zeker wel, volgens Robin Cook, die aftrad als minister omdat hij niet tevreden was met de Britse aanpak van het probleem Irak. Ook hij kende immers als toenmalig verbindingsminister met het parlement de ware toedracht van het dossier."Ik heb het de voorzitter van het JIC, John Scarlett, gewoon gevraagd", zei hij donderdag in het parlement. "Is het niet moeilijk te geloven dat hij tussen september, toen het dossier gepresenteerd werd, en het einde van de oorlog de premier niet inlichtte?" Ja dus, volgens Cook, die deze week ook beweerde dat hij twee weken voor de militaire campagne in Irak een gesprek had met Blair waaruit bleek dat die laatste wel degelijk op de hoogte was. Maar dat is een zaak die het volgende onderzoek zal moeten uitspitten.

Zwartepiet

Inmiddels is het weinig verwonderlijk, tegen deze achtergrond, dat de geheime diensten zich weren als een duivel in een wijwatervat nu blijkt dat zij de zwartepiet toegespeeld krijgen voor het debacle met de massavernietigingswapens in Irak. Want dat lijkt de stellige bedoeling van het onderzoek naar het werk van de inlichtingendiensten dat zowel Bush als Blair gelast hebben. Brian Jones zei al dat het een klucht zou zijn als de zijn DIS de schuld zou krijgen. En ook George Tenet, de geplaagde baas van de CIA, roerde zich deze week. Tenet mag dan al een intimus van George Bush zijn, ook hij zag zich nu genoodzaakt om, voor het eerst, zijn inbreng in het debat te doen. En die was koren op de molen van de oppositie tegen Bush. Tenet zie weliswaar dat er nooit enige druk van de regering is geweest op de inlichtingendiensten, maar ook: "Wij hebben nooit gezegd dat er een directe dreiging uitging van Irak."

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234