Vrijdag 17/09/2021

Coppi, een droom die nooit terugkeert

Natuurlijk is Merckx de grootste, maar Coppi was het origineel: beter en sterker dan de rest. Op 2 januari was Fausto 53 jaar dood. In Novi Ligure werd nog eens geweend, in België verscheen een nieuw boek. 'Hij was superieur, maar hij werd nooit arrogant.'

Un uomo solo è al comando della corsa. La sua maglia è biancoceleste, il suo nome è Fausto Coppi.
(Mario Ferretti, radioverslaggever)

In de mooie taal die het Italiaans is, kan een mythe nog wat groeien, maar radioverslaggever Mario Ferretti sprak deze zin echt uit: 'Een man rijdt alleen op kop van de wedstrijd. Zijn trui is wit en hemelsblauw, zijn naam is Fausto Coppi.' Het was 1949, 10 juni, tussen Cuneo en Pinerolo reed de renner liefst 192 kilometer alleen op kop. Over vijf Alpencols. En won. Il suo nome è Fausto Coppi.

Fausto Coppi, een in Bianchi-hemelsblauw linnen uitgegeven boek dat nog net onder de kerstboom kon, begint met die anekdote. Eigenlijk een heel eenvoudig zinnetje, al zal daar de poëzie wel in schuilen. De poëzie van een jongen die altijd een beetje op een oude man leek, maar die in zijn woonplaats Novi Ligure nog elk jaar Milaan-Sanremo, de Giro en de Ronde van Lombardije wint en die op 2 januari 1960 domweg stierf aan malaria. Het boek eindigt met een ander citaat dat eigenlijk net zoveel zegt en dat we allemaal kennen: Penso che un sogno cosi non ritorni mai piu. Het is het begin van 'Nel blu, dipinto di blu' van Domenico Modugno, bij ons toch vooral bekend als 'Volare', een nummer dat Fausto Coppi in 1958 blijkbaar zelf eens zong op de Italiaanse tv. Vertaald: 'Ik denk dat zo'n droom nooit meer terugkeert'.

Hij zou dit jaar 93 worden en op een rots in de Franse Alpen fotografeerde Stephan Vanfleteren nog VV COPPI. Staat voor 'Viva Coppi'. Maar wie ooit vanuit Novi Ligure naar Castellania reed, zo'n 20 kilometer verderop over een meanderend en golvend wegje langs postkaartjes van landschappen, komt uiteindelijk toch bij zijn graf. Bij dat van Serse Coppi ook, zijn broer, renner, gestorven na een val in de Ronde van Piemonte van 1951. Dat was vijf dagen voor de Tour zou beginnen, Fausto was zo verdrietig dat hij niet meer wilde starten, maar de Bianchi-ploegleiding overhaalde hem. Hij deed het. En stortte in. Dat ellende fotogeniek is, wordt nog maar eens bewezen: in de rit naar Montpellier wordt de mentaal en fysieke gekraakte kampioen met water besprenkeld door zijn ploegmaat Luciano Pezzi. Coppi haalt die dag nét de tijdslimiet, zelfs helden zijn maar mensen. Coppi is een supermens: een jaar later wint hij toch nog de Tour en de Giro, nog later het WK.

Maar dat dubbele graf in Castellania dus, bij het Centro Documentazione Castellania. Op een dag in maart van 2000 stapte Ettore Milano er uit zijn auto. Wellicht niet toevallig, ongetwijfeld kwam hij er elke dag. Wat hij toen vertelde, zegt hij waarschijnlijk ook elke dag. De man was helper van Fausto Coppi, trouwde uiteindelijk met Ada Cavanna, de dochter van Coppi's blinde soigneur Biagio en noemt zichzelf 'onafscheidelijk'. Dat is bijna letterlijk: tot zo ver na de dood. Maar wat zei hij toen: "Ooit was Jacques Goddet (de vroegere directeur van de Tour, RVP) in Novi Ligure. Ze vroegen hem wie hij de grootste atleten uit de geschiedenis vond. "Drie zwarten en één blanke", antwoordde hij. De zwarten waren atleet Jesse Owens, honkballer Jackie Robinson en voetballer Pelé. De blanke was geen Belg. Een uitgelichte quote van diezelfde Goddet bevestigt dat. "Merckx was de grootste qua resultaten. Maar Coppi steekt daar nog bovenuit. Omdat hij het goddelijke en bovenmenselijke benaderde."

Het is die Ettore Milano, een van de dertien 'koppen' van Vanfleteren, die vertelt over hoe hij zelf eigenlijk alles dankte aan die Coppi. "Welgeteld drie keer ben ik meegegaan in een ontsnapping", zegt Milano. "In mijn hele loopbaan! Dat was mijn taak niet. In de eerste koershelft moest ik Fausto bijstaan." Daar bouwde Milano zijn carrière en dus zijn leven op. Maar niet zomaar. "Een nederige en bescheiden man was Coppi. Oprecht, goed en intelligent. Dankbaar ook. Als hij iets vroeg, zei hij er altijd 'per favore' bij. Hij was superieur, hij was de 'capitano'. Dat wist hij. Maar hij bleef correct, hij werd nooit arrogant."

Goddelijk en bovenmenselijk: Goddet had gelijk, zeker dat Eddy Merckx qua resultaten Fausto Coppi later zou overtreffen. Maar kijk toch maar eens goed naar die erelijst. Een carrière van weliswaar 20 jaar, maar meteen na de start in 1939 al zogoed als onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Twee dagen na zijn Girozege wordt hij in 1940 als soldaat ingelijfd in de kazerne van Tortona. Hij zal eind 1942 in Milaan nog wel het werelduurrecord breken, maar een paar maanden later wordt hij toch naar het front in Tunesië gestuurd en een maand later (in april 1943) krijgsgevangen genomen. Twee jaar zit Fausto Coppi in een kamp in Algiers. Daar wordt geen koers gereden. Daar win je niet de Tour de France. Toch op dat palmares: een WK, vijf Giro's, twee keer de Tour, vijf keer de Ronde van Lombardije. En altijd oorlog op de weg, in het begin vooral met Gino Bartali.

"In Italië draait alles om de schone schijn. Je moet in dit land weten hoe je moet liegen."

(Rino Negri, wielerjournalist, in La Gazzetta dello Sport)

Nog een foto. Op de rustdag van de Tour van 1949 wordt Fausto Coppi omringd door bewonderaars en handtekeningenjagers. Aandoenlijk beeld is het. Gladgeschoren benen natuurlijk, beetje onnozele sandaaltjes, maar de haren met brillantine achteruit gekamd, zonnebril op, geruit hemd. Jongens en mannen met stofjas en een papiertje in de aanslag achter Coppi aan. Eén vrouw in jurk. Het is een foto die je nu niet meer kan maken, het is een foto uit een Italiaanse film, het is een foto die toch glamour uitstraalt. Goddelijk, jawel. Mooie man, zeggen vrouwen nu nog. In diezelfde zomer schreef Jan de Vries in de Volkskrant: "Ik heb met eigen ogen gezien dat vele eerbare Italiaanse vrouwen het asfalt kusten waarop Bartali en Coppi voor een ontredderd peloton naar de top snelden".

Misschien was een van die Italiaanse vrouwen Giulia Occhini, al schrapte het land voor haar wel het woord 'eerbaar'. Het verhaal is bekend. Fausto Coppi, getrouwd met Bruna Ciampolini en vader van hun dochtertje Maria, valt voor Giulia. Niet zomaar een vrouw, het is de vrouw van zijn eigen dokter Enrico Locatelli. De wereld is dan nog zwart-wit, omwille van de witte jurken die ze draagt wordt ze al snel La Dama Bianca genoemd. Het katholieke land spreekt schande. Zij is de echtbreekster. Hij ook. Zij laat haar twee kinderen achter voor de kampioen. Hij zijn dochtertje Maria. In Fausto Coppi, over het jaar 1953: "Tijdens de Tour de France, waaraan Coppi niet deelnam, vergezelde Giulia Coppi in de Alpen toen die daar het peloton kwam groeten. Daar werden de eerste foto's van het stel gemaakt. Coppi schudde handjes met collega's, terwijl in zijn schaduw een jongedame toekeek. De podiumceremonie na het WK in Lugano, waar Coppi naar eigen zeggen had gekoerst met verliefdheid als brandstof, gaf de doorslag."

COPPI: in 2000 staat de naam nog in hoofdletters op de bel aan een gesloten hek voor een huis in Novi Ligure. Villa Coppi is dan nog het huis waar Angelo 'Faustino' woont, het kind van die verboden liefde, een jongen die man zou worden maar nooit coureur. Een jongen van wie de foto de wereld rondging toen hij zijn papa groette op de massaal bijgewoonde begrafenis van Fausto Coppi in Castellania. Daar schrijft de Nederlander Wilfried de Jong dit over: "De zoon van Coppi leeft nog altijd. Hoe vaak denkt Angelo aan 4 januari 1960? Aan de dag dat hij zijn vader voor het laatst zag. Door dat ruitje. Wezenloos staarde het kleine jongetje naar het gezicht van zijn papa dat bij leven in duizenden fotokaders gevangen was. Plaatjes voor de eeuwigheid."

Nog een anekdote wil dat een man te voet vanuit Milaan naar Castellania was gekomen om Coppi, die hem ooit 10.000 lire had gegeven om een operatie aan zijn been te bekostigen, de laatste eer te bewijzen. 10.000 lire was in 1960 misschien een fortuin, vandaag zou het zo'n vijf euro zijn. De prijs waarvoor je in Novi Ligure nog elk jaar kalenders kunt kopen met daarop alleen foto's van Fausto Coppi.

Dat hij stierf door malaria, na een criterium in Ouagadougou, is bekend. In Castellania het doodsprentje van Coppi: 'Van het goede leven zijn de dagen geteld. Maar de goede naam blijft voor eeuwig.'

Aanbellend bij Villa Coppi wordt die dag overigens de deur niet opengemaakt. Misschien maar goed. Wat moet je de man vragen? Wat moet de man zeggen? Altijd opnieuw over die mythe. In 1993 overleed La Dama Bianca na een ongeval met een auto, vlak voor Villa Coppi.

'Op de Ghisallo stapte Coppi plots af. Iemand aan de kant van de weg stak hem een naald in de bil, dwars door zijn broek. Ik wist dus wel wie ik in de gaten moest houden.'

(Roger Decock, wielrenner)

"Zúlke pillen had Coppi", vertelde de, inmiddels overleden, ex-wereldkampioen Marcel Kint ooit. Met zijn duim en wijsvinger maakte Kint een cirkel. Wat vandaag een probleem is in het peloton, was het ook in de jaren '50 al. Of beter, was het destijds géén probleem. Toen in 1952 een reporter vroeg wat er in het flesje in zijn achterzak zat, zei Coppi: "La bomba. Dat is een stel reservebenen, samengesteld uit geheime ingrediënten waarvan de belangrijkste zijn: dextro-amfetamine en het rotsvaste geloof dat het spul werkt. Alle renners nemen 'la bomba'. Houd de lucifers ver weg van degenen die beweren dat ze het niet nemen." Roger Decock, een jongen van nu 85 uit Izegem die in 1952 de Ronde van Vlaanderen won, zag het gebeuren tijdens de Ronde van Lombardije in 1956. Op de Ghisallo. Vandaag staat daar boven het kerkje van de Madonna del Ghisallo. Binnen zie je memorabilia uit de wielergeschiedenis: de gedeukte fiets waarmee Fabio Casartelli in 1995 viel en overleed, een beker van Merckx, truien van Coppi. Maar nog meer dan de 'naald-in-de-bil-anekdote' van Roger Decock, toont dit hoe groot Coppi was: "Ik had hem bijna ingelopen". Decock vertelt het bij een verhaal over een tijdrit in de Tour van 1951. Bijna. Quasi con Coppi, nooit helemaal. Bijna. Bijwoord vol ontzag. Raphaël Geminiani: "Toen ik hoorde wat ik allemaal moest laten om een kampioen als Coppi te worden, was ik op slag gedemotiveerd".

Nog één keer terug naar Novi Ligure, waar Fausto als 14-jarige een baantje vond als slagersgast. Met de fiets bediende hij de klanten van Domenico Merlani. Als Milaan-Sanremo, zoals elk jaar nog, na een goeie 95 kilometer door het stadje passeert, hangen in de etalages van de winkels foto's van wielrenners. Niet van Filippo Pozzato, Alessandro Ballan of Vicenzo Nibali. Hier hangen Costante Girardengo, ook van dit stadje. En Fausto Coppi. Altijd maar Coppi, slagersgast met een willetje, in 1938: "Worsten en kaas verkopen kun je je hele leven. Als ik wil koersen, dan moet ik er nu voluit voor gaan."

De citaten en foto's bij dit verhaal komen uit Fausto Coppi, het prachtigeboek van Frederik Backelandt, Wilfried de Jong en fotograaf Stephan Vanfleteren. Uitgeverij Kannibaal, 165 pagina's, 39,95 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234