Zaterdag 20/07/2019

'Copains' onder elkaar

Hergé die kwam solliciteren bij de Spirou-redactie? Een stripblad dat symbool moest staan voor het Belgische verzet? Gedetineerden die de staart van de Marsupilami gestalte geven? Onlangs werd Spirou, het oudste stripweekblad van België en mogelijk ter wereld, 75 jaar. Wie een duik neemt in de geschiedenis stoot op heel wat bijzondere verhalen. M ontdekt het roemrijke verleden van Spirou. Geert De Weyer

Het was een sleutelmoment in de ontwikkeling van de Europese strip, maar geen hond die dat vermoedde toen het eerste exemplaar van Spirou (Waals voor eekhoorn, GDW) op 21 april 1938 in Marcinelle van de drukpersen rolde. Drukker-uitgever Jean Dupuis was er tussen 1922 en 1934 al in geslaagd drie succesvolle bladen op de markt te brengen (Les Bonnes Soirées, Le Moustique en Humoradio) voor hij, zich goed bewust van het feit dat de strip in opmars was en van stripbladen amper sprake was, het gat in de markt dichtte met het Franstalige stripweekblad Spirou.

Dupuis streefde naar een kwaliteitsblad voor kinderen dat speels, amusant en onderhoudend moest zijn. Maar de verborgen agenda van Spirou kwam pas afgelopen januari aan het licht in het naslagwerk Le véritable histoire de Spirou. Daarvoor interviewden de Franse auteurs Christelle en Bertrand Pissavy-Yvernault de eerste hoofdredacteur van Spirou: Jean Doisy. Met verrassende resultaten. Christelle Pissavy-Yvernault: "Toen Wereldoorlog II uitbrak, zag hoofdredacteur Doisy de verschijning van het blad als de gedroomde kans om de jeugd uit de armen van de bezetter te houden. Men wilde via de strips en redactionele verhalen, en de latere Spirou-club, de Belgische kinderen herinneren aan hun menselijke plicht. Voor Doisy was dat de logica zelve, want tijdens de oorlog was hij lid van het verzet".

Hulp kreeg hij daarbij vanuit onverwachte hoek. "Niet alle Duitsers waren nazi's. Majoor Franz Kreft, toezichthouder op de censuur, was zo iemand. Hij stond aan de kant van de Belgen. Hoewel hij een Duits uniform droeg, heeft hij Doisy echt geholpen om Spirou te kunnen laten verschijnen. Bij de bevrijding werd Kreft overigens een 'vertrouwensman van de Amerikaanse bezettingsmacht'. Doisy zette de bezetter ook regelmatig op het verkeerde spoor. Om de Duitsers te misleiden, schreef hij vrijwillig een artikel in Spirou om het communisme aan de kaak stellen, terwijl hij zelf communist was. Hij moest slimmer zijn dan hen, vond hij."

Dat wil niet zeggen dat de bezetter geen immense druk op de familie Dupuis legde. "De Duitsers wilden in de nieuwsmagazines Le Moustique en Humoradio hun eigen fascistische boodschappen laten opnemen. Jean Dupuis weigerde zich daaraan te onderwerpen, meteen de reden waarom hij er in 1940 voor koos om de publicaties te staken tot 1943."

De gouden jaren

Na de oorlog nam zoon Charles als uitgever het roer in handen van Spirou. Hoewel gestreefd werd naar een blad van Belgische makelij, kon de hoofdredactie tijdens en na de oorlog niet ontsnappen aan de publicatie van talloze strips uit de VS, waar de strip al langer furore maakte. Zo verschenen in het blad vervolgverhalen van Dick Tracy, Tex de cowboy, Red Ryder en later zelfs Superman. Niettemin wist Dupuis daarnaast toch een handvol Belgische tekenaars bijeen te sprokkelen als Rob-Vel, Sirius, Fernand Dineur en Jijé. Die laatste nam de reeks rond titelheld Spirou over van de in Frankrijk residerende auteur Rob-Vel, zadelde hem op met een nerveuze vriend genaamd Kwabbernoot en schreef op die manier stripgeschiedenis.

De boegbeelden Franquin (Guust Flater) en Morris (Lucky Luke) arriveerden er pas na de oorlog. Zij bepaalden mee de gouden jaren van het blad (en de Belgische strip), waarmee de periode vanaf 1945 tot een stuk in de jaren zestig wordt bedoeld. Steeds meer Belgische auteurs vervoegen dan de redactie. Onder hen Victor Hubinon, Eddy Paape en Jean-Michel Charlier. Stap voor stap wordt de Amerikaanse strip door hun aanwezigheid teruggedrongen en wordt Spirou/Robbedoes het blad dat stichter Jean Dupuis voor ogen had: een blad van Belgische makelij: gedrukt, gepokt, gemazeld en getekend in België, door Belgen.

Sterker: Spirou/Robbedoes wordt een kweekvijver voor nieuw Belgisch striptalent. Peyo, later bekend om zijn Smurfen, vervoegt het stripweekblad in 1952, waarna een heus leger auteurs zich aanbiedt als Jean Roba, Will, Maurice Tillieux, Mitacq. Hun papieren helden als Bollie en Billie, Johan en Pirrewiet, de smurfen, en de Beverpatroelje breken potten in de verkoop. De Belgische strip heeft er een uithangbord bij. De Amerikanen staan erbij en kijken ernaar. Zo ook de Fransen en andere Europese stripartiesten die, langzamerhand, ook dankzij concurrent Tintin/Kuifje, hun geboorteland verruilen voor het mekka van de Europese strip: België.

De term 'de gouden jaren' slaat niet zozeer op de meest commerciële periode, dan wel op de meest creatieve periode, meent Erwin Cavens, die tussen 1979 en 2005 als hoofdredacteur aan het roer stond van de Vlaamse Robbedoes. "De economische gouden jaren, dat waren de jaren zeventig, met verkooppieken tot 130.000 exemplaren, voor Spirou en Robbedoes samen. De jaren zestig vielen om hele andere redenen op: alles kon, hoe idioot of absurd een idee in eerste instantie ook leek. Er was weinig invloed van de directie, waardoor hoofdredacteur Yvan Delporte, die zeer nauw samenwerkte met zijn kompaan André Franquin, maffe maar aantrekkelijke ideeën naar voren kon schuiven én uitvoeren. Ik herinner me een nummer waarin een gat aangebracht werd, zogezegd omdat Lucky Luke een kogel door de hele oplage had gejaagd. Nog straffer was het idee van Delporte en Franquin om de staart van de Marsupilami, die op de cover verscheen, binnenin met papier en touw te laten aanhechten zodat lezers de staart konden uittrekken. Daarvoor ging de gehele oplage naar de gevangenis van St. Gillis waar gedetineerden uren bezig waren om die geel-zwarte staarten vast te hechten. In de jaren zeventig kreeg Spirou een extra bijlage, Le trombone illustrée, volgens Franquin en Delporte om een nieuw publiek aan te spreken. Het wordt niet meteen een commercieel succes, maar staat bekend als iets legendarisch. Dat kan en mocht toen allemaal."

Bourgeois versus populair

Spirou/Robbedoes had, mede door die initiatieven, de reputatie een blad te zijn waar sfeer heerste. De verschillen met concurrent Tintin/Kuifje waren enorm. Het cliché dat Tintin eerder bourgeois, en Spirou eerder populairder van toon zou zijn, is niet geheel onjuist, meent Christelle Pissavy-Yvernault. "De persoon Hergé is onlosmakelijk verbonden met het imago van zijn blad, net zoals Charles Dupuis dat was metSpirou. "Hergés personages en aanpak stond bekend als netjes en verzorgd. Zijn redactie was goed georganiseerd. Hij was iemand die geen grove woorden gebruikte, terwijl hij net als zijn personage Kuifje wat gereserveerder was. Dupuis was iemand die geen hogere studies had gedaan. Hoewel hij erg intelligent was, was hij een man van het volk die veel lachte en naturel en spontaan overkwam. Als je beide attitudes zou doortrekken, kom je als vanzelf uit bij hun Kuifje en Robbedoes. Die laatste gedroeg zich tegenover zijn lezers als een vriend, een copain. Kuifje deed dat helemaal niet: hij was niet zozeer de vriend van de lezer, dan wel hun rolmodel."

De Vlaamse auteur Berck, de geestelijke vader van onder meer Pechvogel en Sammy, herinnert zich hoe hij door zijn collega's werd verzocht om de overstap te maken van Kuifje/Tintin waarvoor hij toen werkte, "omdat volgens mijn vriend Raymond Marcherot (Chlorophyl en Snoesje, GDW) de sfeer er kameraadschappelijker is en de verhouding tussen uitgever Charles Dupuis en zijn tekenaars optimaal is".

Los daarvan: Tintin/Kuifje zou niet eens bestaan hebben, mochten enkele zielen op 16 oktober 1945 daar anders over beslist hebben, zo bleek verrassend uit La véritable histoire de Spirou. Daarin dook een foto op van een pagina uit de agenda van Paul Dupuis (broer van Charles), waarin een zakenlunch met Hergé werd vermeld. Christelle Pissavy-Yvernault: "Hergé deed hem een voorstel om zijn toen al populaire reeks Kuifje te verkopen. Paul Dupuis en zijn schoonbroer René Matthews opperden dat Hergé inlijven een gedroomde opportuniteit was om alle bestaande concurrentie weg te werken, maar Charles Dupuis was niet overtuigd. Hij wilde de populaire Robbedoes als uithangbord niet kwijt, noch wilde hij hem de concurrentie laten aangaan met die andere Belgische stripvedette Kuifje."

Het hardste en meest overtuigende argument kwam evenwel van zijn redacteurs, die de komst van Hergé zelfs verafschuwden. "Heel wat redacteurs hadden in het verzet gezeten, ze hadden gevochten voor hun vrijheid en ze konden zich niet voorstellen om samen te werken met een man die er de voorkeur aan had gegeven zijn ogen te sluiten voor het fascisme. Alleen al om die reden bleek het onmogelijk om het personage Kuifje, en daarmee dus de grote Hergé, binnen te halen." Uiteindelijk werd besloten Hergés voorstel te verwerpen. Een maand later kreeg Hergé het verzoek van uitgever Raymond Leblanc om een blad op te richten rond Kuifje. Een jaar later verscheen dat stripblad ook.

Robbedoes: the end

Terugkijkend op zijn hoofdredacteurschap tussen 1979 en 2005, zegt Erwin Cavens dat die functie relatief gezien weinig voorstelde. Robbedoes bleek een doorslagje van Spirou. Maar begin jaren tachtig lagen de kaarten heel even anders. "Gedurende een periode van ongeveer een jaar vulden wij één van de drie katernen van het blad zelf in. Robbedoes kreeg een eigen smoel, waarbij we Vlaamse en Nederlandse auteurs aantrokken om speciaal voor ons reeksen op te starten. Hec Leemans mocht Circus Maximus voor ons maken, terwijl Nederlandse topauteurs als Gerrit de Jager Roel en zijn beestenboel voor ons tekende."

Structureel gezien werd er in Marcinelle echter amper gevolg aan gegeven. "Die aanpak had rendabel geweest, mocht men die voorpublicaties vertalen naar albums, maar dat gebeurde niet. Wij betaalden dus onafgebroken een dure plaatprijs. Dat verhaal moest dus wel aflopen."

Het einde voor het Nederlandstalige Robbedoes kwam sneller dan verwacht. "Begin jaren tachtig hadden we voor vijfentwintig- à dertigduizend bladen in leesportefeuilles in Vlaanderen en Nederland staan. Dat stopte omdat niemand ooit getracht heeft die leesportefeuilles op te volgen. Dupuis beschikte over een dienst, direct marketing-operations genaamd, maar die bleken enkel te werken voor Spirou, niet voor Robbedoes. Het ene na het andere leesportefeuille-contract liep af. Ach, toen was de trend ook al ingezet van de dalende verkoop van stripbladen. Kuifje, Suske en Wiske-weekblad, Wordt vervolgd,... Allemaal moesten ze er het bijltje bij neerleggen. Kijk, we hebben in die periode echt wel gezocht naar een formule om het blad in leven te houden, maar geen enkel Nederlandstalig stripblad is er toen in geslaagd."

In juli 2005 verscheen het laatste nummer. Het blad zou naar verluidt tot maar liefst tweeduizend exemplaren zijn teruggelopen. Het blad Spirou bestaat vandaag de dag nog steeds.

Le véritable histoire de Spirou 1937-1946, Christelle en Bertrand Pissavy-Yvernault, uitgegeven bij Dupuis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden