Maandag 17/02/2020

Conservator van de wolken

Rudy Pieters / Foto Filip ClausJan Hoet een week voor de opening van het SMAK

Conservator was hij al sinds 1975, maar zijn museum krijgt hij pas volgende week, twee jaar voor hij met pensioen gaat. Ondanks een lange en vaak bikkelharde strijd staat hij scherper dan ooit. Jan Hoet over de folies van architecten, het ultieme schaakspel tegen het stadsbestuur en de maatschappelijke relevantie van boksen.

Daar gaat mijn interview, schoot het even door mijn hoofd. Ik had nog maar net mijn bandje aangezet of Jan Hoet begon te schelden, zonder het minste teken ooit nog te zullen stoppen. Een kwartier lang bleef hij aan de gang, vijftien eindeloze minuten vol razernij. Twee keer leek het alsof de storm geluwd was, twee keer probeerde ik het gesprek voorzichtig in de richting van zijn Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) te sturen, maar hij hoorde het gewoon niet. Hoet bleef maar doorrazen over Paul Robbrecht, want dat was het voorwerp van zijn toorn - ik had zijn naam zelfs niet eens genoemd, een kleine allusie volstond. Niets kon zijn stadsgenoot nog goed doen in zijn ogen. De architect die straks de concertzaal in Brugge bouwt, die hij in 1992 nota bene zelf had gelanceerd door hem vijf paviljoenen voor documenta IX te laten ontwerpen en waarmee hij aanvankelijk ook in zee zou gaan voor het SMAK - deze man had het helemaal, maar dan ook helemaal verkorven. De liefde leek in haat te zijn omgeslagen.

Nochtans was het interview niet slecht begonnen, zeker gezien de onvermijdelijke nervositeit en de hectische drukte voor de opening van zo'n groot museum. Bij wijze van opwarming had ik geïnformeerd naar zijn voorbereiding op de boksmatch tegen de kunstenaar Dennis Bellone, een van de evenementen op het openingsfeest, en meteen stak de voormalige amateur-bokser een exposé af over de maatschappelijke relevantie van gevechtssporten. "Niemand kan zich in de normale werkelijkheid afreageren, je moet telkens een hele bureaucratie door, alles is overgereglementeerd", betoogde hij fel gesticulerend, een eerste sigaret in de hand. "Het zou daarom goed zijn alle jonge gasten naar die gevechtssporten te sturen, met de nadruk op de trainingen, niet zozeer de matchen. Het is interessant als zelfverdedigingsstrategie, en tegelijkertijd om hun agressie af te reageren."

Agressie afreageren - ik had de bui natuurlijk moeten zien hangen. Maar nietsvermoedend wierp ik hem meteen daarna voor de voeten dat niet iedereen gediend was van die boksmatch. "Dat boksgedoe", had Robbrecht enkele weken voordien geschamperd in een interview met De Morgen, waarin hij Hoet spektakelzucht verweet en Gent intellectueel hersendood verklaarde. Even naar dat interview verwijzen volstond. Een kwartier lang hebben we het geweten. "Godverdorie," riep Hoet ergens halfweg de tirade, "waarom komt ge mij nog spreken als Gent hersendood is. Gent leeft dat het verschrikkelijk is, ge voelt dat toch, aan alle kanten bruist er iets van jonge gasten die allemaal initiatieven nemen, ik weet niet wat allemaal. Maar hij zit daar niet bij natuurlijk. Hij is de elitaire." En: "Ik heb toch genoeg gedaan hier in de stad zeker! Als er iemand is die iets gedaan heeft in de stad, ben ik het toch wel zeker! Alstublieft jongens!" En: "Hij heeft alles aan mij te danken, miljaardenondedju!"

Zelfs het hele architectengild moest het ontgelden. "Negentig procent van de architecten zijn criminelen, echt de waarheid. Als ze het geld hebben, doen ze om het even wat. Zo is dat." Behalve Koen Van Nieuwenhuyse, de stadsarchitect die het voormalige Gentse casino tot Hoets museum heeft verbouwd. De antipode van het exuberante Guggenheim-museum in Bilbao creëerde hij, geen kunst voor de architectuur maar architectuur voor de kunst, vindt Hoet. "Koen Van Nieuwenhuyse is nederig. Zijn gebouw is honderd procent voor de kunst. Het is dus anoniem eigenlijk, maar decent, ongelooflijk decent. Het geringste architecturale element dat je in een museum toevoegt kan storend zijn. Een trap, een deur, een doorgang, dat zijn allemaal dingen die kunnen storen voor de kunst. De enige plek waar de architect zijn goesting kan doen is de trapzaal, van al het overige moet hij afblijven met zijn folies."

Eindelijk had ik hem waar ik hem hebben wilde: in zijn museum, het gebouw waar hij bijna een kwarteeuw voor heeft moeten vechten. Welgeteld vierentwintig jaar lang was Jan Hoet een conservator zonder eigen museum. Met zijn alsmaar groeiende collectie hedendaagse kunst moest hij vrede blijven nemen met de achtervleugel van het Museum voor Schone Kunsten tegenover het casino. Nu het SMAK er eindelijk is, hangt hij de bokshandschoenen nog niet aan de haak - verre van zelfs. Hij lijkt nu een even zware strijd te gaan voeren voor het Citadelpark, waar beide musea deel van uitmaken.

Er bestaan al enkele jaren plannen om dat park te herwaarderen, waarbij een prachtige wandelroute van de Heuvelpoort naar het Sint-Pietersstation zou ontstaan, dwars door een opengemaakte Floraliahal. Die enorme hal, een restant van de Gentse wereldtentoonstelling van 1913 - met haar stalen skelet doet ze aan een van de stationshallen van Delvaux denken -, verbindt het SMAK met de wintervelodroom (het Kuipke) en het congrescentrum (ICC), twee gebouwen die de stad in concessie heeft gegeven aan privé-exploitanten.

Door haar centrale ligging zou de hal zelfs het kloppend hart van een herlevend Citadelpark kunnen worden, maar tot nog toe bleef ze leeg; alleen het SMAK gaat er nu een derde van inpalmen voor zijn grote werken, zoals Panamarenko's zeppelin Aeromodeller. "De privé-sector heeft tot nu toe nog niets geïnvesteerd in dat Citadelpark. Ze hebben alleen maar aan winstbejag gedacht. En ik ga het zeggen op de opening. Ik ga zeggen: kijk jongens, dat is hier het resultaat van de ambtenarij en van de overheid, de rest heeft men in privé-handen gestoken en er is hier nog niets gebeurd. Het wordt hier maar kadukelijker en kadukelijker. De Floraliahal, dat is een krot. Wanneer gaan zij daarin investeren? Het Kuipke: ja, hun bureaus hebben ze ingericht, dat hebben ze gedaan. Maar voor de gemeenschap, voor het oog van de mensen hebben ze nog niets gedaan. En dat vind ik zeer erg. En ze wisten dat het museum ging openen. Ze hebben het Citadelpark verdorie gekregen van de stad voor een symbolische frank bij manier van spreken. En er gebeurt niets. Eerst moeten ze geld verdienen, en dan pas doen ze iets.

"Als ik hier gedaan heb, ga ik vechten voor dat Citadelpark. Absoluut. Dat is trouwens ook mijn territorium, heel mijn leven geweest. Toen ik elf jaar was, wou ik al in het Museum voor Schone Kunsten wonen. Ik ben opgevoed in de Fortlaan (de straat langs het Citadelpark, RP), heb mijn vrouw gevonden in de Fortlaan, ben naar school gegaan in de normaalschool aan het park, ben naar de universiteit geweest, ook tegen het park, heb Geirlandt gekend, die tegen het park woonde, en daarna het Museum voor Schone kunsten en nu het SMAK. Dat moet in orde komen. Mijn vader zei het al: ze zijn het allemaal aan het verloederen, heel dat park hier."

De Gentse advocaat Karel Geirlandt richtte in 1957 de vereniging op die hard voor een Gents museum van hedendaagse kunst zou gaan lobbyen. Zo lang duurt de strijd dus al: 42 jaar. Zo lang al dat Hoet nauwelijks kan geloven dat het volgende week zover is. "Het is bijna een mirakel. Vooral omdat het niet vanuit de politieke wil is gegroeid. Er is wel een politieke wil nodig geweest om het te doen maar het is niet door hen gegroeid. Het is echt van hieruit, vanuit de mensen van het museum gekomen. Maar goede dingen duren altijd lang. Kijk naar MUHKA (Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen, RP): men beslist zomaar en er is een museum, voilà. Jan Hoet moet jarenlang voor een eigen museum vechten en zij hebben het meteen. Dat is Antwerpen. Maar het enige wat ze kunnen doen is er een kunsthal van maken en stoppen met de aankoop van werken. Ze kunnen Gent niet meer inhalen, dat bestaat niet."

Bijna had Hoet er het bijltje bij neergelegd. Onder het vorige, paarse stadsbestuur, met de socialist Gilbert Temmerman aan het roer, was het museum er weer niet gekomen, het sein voor de conservator om zijn allerlaatste troef op tafel te gooien. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 liet hij zich via de lijst van de CVP-oppositie tot gemeenteraadslid verkiezen, een mandaat waardoor hij ontslag zou moeten nemen als ambtenaar-conservator. Dat zou de reden geweest zijn die het nieuwe paarse bestuur (ditmaal zonder Temmerman) deed besluiten het SMAK helemaal bovenaan op de prioriteitenlijst te zetten.

Die versie klopt niet helemaal, zeggen ze in het stadhuis, maar Hoet is er niet van af te brengen. "Dat was een boksmatch bijna. Een harde confrontatie met de politiek. Het was het enige wat mij nog restte. Ik heb nooit de bedoeling gehad om in de gemeenteraad te gaan, maar dat kon ik toen niet gaan zeggen natuurlijk. Alleen de groep hier wist dat ik het daarom deed. Als het ultieme schaakspel. Ik moest ze schaakmat zetten. Het was een risico natuurlijk. Maar ik was er absoluut van overtuigd dat het zou lukken. Ik heb het hard tegen hard gespeeld omdat Temmerman het museum bleef dwarsbomen. Misschien was dat ook goed. Uit conflicten groeit altijd iets. Stel u voor dat we sympathiek hadden gestaan tegenover elkaar, dan was ik ook tolerant geweest tegenover welke beslissing ook; zelfs tegenover een njet.

"Het is toch magnifiek hoor wat hier gebeurd is. Miljaar jongens, vijfentwintig jaar, en ondertussen toch een collectie opgebouwd. Dat is het. Zonder dezelfde middelen te hebben als het MUHKA. Dat doe je door veel kunstenaars te kennen, door heel dicht bij hen te zijn. Anders lukt dat niet. Maar ook dankzij de generositeit van bepaalde galeristen, zoals Ronny Van de Velde en Micheline Szwajcer. Als ik absoluut iets voor het museum wil en ik heb geen geld, dan zeggen ze: je mag het hebben, wanneer denk je te kunnen betalen? In sommige gevallen is dat drie jaar, en ze gaan allemaal akkoord.

"Dat vind je niet veel. Ze moeten voelen dat je eerlijk bent, en dan kun je bergen verzetten. Ze weten ook dat ik al mijn honoraria afsta aan het museum, alles, voor documenta was dat tien miljoen. Ikzelf strijk niets op, ik heb alleen mijn salaris. Wie doet dat? Dat Polleke Robbrecht daar ne keer aan peinst. Intellectueel hersendood! Mentaal zijn we er nog hoor! We zijn ambtenaar en we zijn er voor de gemeenschap - en dat is het enigste."

Boksen, schelden, vechten, uitdagen - het is Jan Hoet ten voeten uit. Voortdurend zoekt hij de confrontatie, keer op keer zet hij zekerheden op losse schroeven. "Altijd doe ik dat. En men kan mij daar niet op pakken." Is het dat wat sommige mensen op de zenuwen werkt? Is het omdat zijn weg naar de kunst altijd via die chaos, dat zwarte gat verloopt, dat mensen zich bedreigd voelen? In de inleiding tot de SMAK-catalogus beschrijft hij een incident dat zich eind vorig jaar in een Oostends restaurant voordeed. Plots, zonder enige reden, kwam een man hem aan zijn tafel de huid vol schelden. Dat ze kerels als hem op een dag wel klein zouden krijgen, dat hij een gevaarlijke vent was met zijn gezwets over kunst.

"Onvoorstelbaar was dat. Waarom deed die man dat? Omdat je alleen maar zorgt dat er een dynamiek ontstaat rond de kunst. Want het is zo rap versleten allemaal. Iedereen komt af: ah, ik heb ook een Tuymans; ah, ik heb ook een Appel - daar gaat het dus niet over! Mij gaat het erom: welke Appel heb je, hoe functioneert die Appel, hoe raakt hij u, raakt hij u nog? Mij raakt een Appel nog als ik ernaar kijk. Vooral de twee die wij hebben. De rode is brutaler dan de andere. Die blauwe, dat is zilver, dat is gelijk een huid, ongelooflijk, dat zindert van licht maar die toetsen die zo juist liggen dat je je afvraagt hoe dat mogelijk is, met zo'n snelheid geschilderd en die toetsen die zo juist liggen."

In het SMAK vullen de Appels en de andere Cobra-werken een volledige muur, als een pall-mall, een opeenstapeling van kunst zoals in de Hermitage. Maar ook hier geen verheerlijking, welconfrontatie: in dezelfde ruimte plaatst Hoet het Russische openbare toilet van Ilja Kabakov, de kunstenaar die voor Hoet de jaren negentig bepaald heeft, zoals Joseph Beuys voor hem de jaren tachtig heeft gedomineerd. Cobra versus Kabakov, typische museumstukken tegenover onverbloemde werkelijkheid. "Het icoon van het museum tegenover het icoon van de realiteit. Daarom hou ik ook zo van Claus, omdat dat ook de trivialiteit is en tegelijk een soort droomwereld. Het museum is voor mij ook nog altijd een droom maar het is tegelijkertijd iets wat ik wil aanvallen, wat ik wil ondervragen - ondergraven zelfs."

Niets staat vast voor Hoet, zelfs zijn eigen SMAK niet. In zekere zin blijft hij dus een conservator zonder museum. "Ik denk het. Vandaar dat het mijn wens is dat er na mij iemand zou komen die ook in staat is te consolideren. Ik heb dat niet gekund. Het is ook gevaarlijk, maar toch is het nodig. Consolideren in de zin van: niet permanent omwoelen. Ik heb altijd omgewoeld. Af en toe heb je een ruggengraat nodig in je benadering van kunst." Het is wellicht geen toeval dat Hoet de grote bronzen man van Jan Fabre op het dak van het SMAK heeft gezet, de man die met een grote meetlat tussen zijn uitgestrekte armen de wolken staat te meten. "Ik vind dat een schoon symbool, een droom van het onmeetbare. Het willen meten en niet kunnen. Het bij voorbaat zeker zijn dat je kunst uiteindelijk nooit honderd procent kunt vatten, dat ze altijd vragen oproept - of in de hoop dat ze altijd vragen oproept."

De Morgen besteedt de hele volgende week aandacht aan het SMAK. In de maandagkrant: de voorgeschiedenis, met de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst in de hoofdrol.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234