Dinsdag 26/10/2021

Compagnon de route Exclusieve voorpublicatie uit het boek over Frans Verleyen, 'De heldere taal van een grafstem'

Hugo De Ridder: 'Verleyen heeft door zijn wekelijkse commentaren en zijn bewonderende vriendschap een geul opengevaren voor Verhofstadt, maar zelf heeft hij het beloofde land niet mogen zien'

Hugo De Ridder

Een getuigenis als deze vergt ongebruikelijk veel schroom. Welke gesprekken, welke handelingen mag je drie jaar na iemands overlijden al aan de openbaarheid prijsgeven? Welke brieven en onthullingen zijn rijp voor publicatie? Welke bestanden uit zijn geheim opslaggebied kan je al openen? En vooral hoe de nog levendige impressies doen aanvoelen in hun tijdgebonden samenhang? We spreken immers over een periode van meer dan dertig jaar. Daarom zal ik mijn relaas doorweven met enkele persoonlijke aantekeningen, zonder verfraaiing of postsynchronisatie, opgeschreven in de hitte van de actualiteit.

Ook de weerloosheid van de dode houdt me bezig. Sus kan zich niet meer verdedigen tegen mijn verhaal. Ik kan hem frontaal belichten of zijdelings, zijn rol uitvergroten of toegeven aan een moeilijk te vermijden egoïsme dat eigen is aan iedereen die een compagnon de route beschrijft. Of moet ik me volledig wegcijferen, een objectieve analyse maken van de pers tussen 1967 en 1997, haar evolutie en de plaats die de Knack-bezieler zich erin veroverde? Dan hadden de Vrienden van Sus Verleyen beter een professor, een mediadeskundige of een historicus aangesproken.

Sus Verleyen kwam begin 1969 op de politieke redactie van De Standaard. Hij was twee jaar voordien ook al even op de redactie buitenland voorbijgekomen om zich dan te gaan begraven - zoals hij zelf zegde - in de kelders van het rijksarchief in Beveren-Waas, van waaruit hij De Nieuwe ingewikkelde buitenlandse analyses toestuurde en de radio pittige en soms melancholische bespiegelingen...

Rond Sus hing toen al een geraffineerde aureool. Zijn improvisaties in het Leuvense studentencafé De Munt, de wijze waarop hij cantussen leidde en de kleinkunsteilanden aaneenpraatte, bekoorden radioman Jan Geysen. Tegelijkertijd schreef hij op vraag van Gaston Durnez meesterlijke stukjes met een opvallend vernieuwende woordkeuze voor Het Nieuwsblad onder de naam van zijn aanbeden Tamino, de aristocratische prins uit De Toverfluit van Mozart. Later zou hij zeggen dat heel zijn leven een aarzeling is geweest tussen Tamino en Papageno.

Inhoud en stijl trokken de aandacht van Luc Vandeweghe, de directeur van de redactie van De Standaard, die eropuit was jonge, niet-conventionele en voldoende linkse pennen naar de krant te draineren: Johan Anthierens, Johan De Roey, Bob Wezembeek en nadien Hans Muys, Freddy De Pauw, Mia Doornaert, Mon Vanderostyne.

Verleyen was niet aangeworven voor 'het kleine politieke werk' van kamer- en senaatsverslagen, commissies en kabinetsraden, wel voor continentoverspannende analyses. Hij wilde reizen, grote reportages maken. Tot veler verbazing stemde directeur-generaal en mede-eigenaar Albert De Smaele ermee in dat hij een reeks opzette over 'Het papieren Europa - Kranten, ketens en concentratie' (24 tot 27 november 1969). Voordien werd er over persconcentraties nauwelijks bericht. De krant negeerde straal de scheldtirades van Jos van Eynde in Volksgazet tegen de 'Vlaamse Axel Springer'.

Verleyen was na zijn reeks tot de slotsom gekomen dat de krant als strijdorgaan had afgedaan. De toekomst is aan kranten die volledig en objectief informatie verschaffen. Dit was, zelfs na mei '68, een wel zeer gewaagde stelling.

Onder meer Emiel Van Cauwelaert, hoofdredacteur van Het Volk repliceerde dat "indien de krant als enige reden van bestaan heeft de lezer te informeren of te verstrooien, zij geen toekomst meer heeft en het papier niet waard is waarop zij gedrukt wordt. De krant zal bovendien op beide gebieden steeds geklopt worden door de informatiemedia waarvan wij de steile opgang slechts kunnen vermoeden". En van Cauwelaert voegde er (weinig profetisch) aan toe: "Wij hebben nooit onze vlag op zak gestoken en zullen dat in de toekomst ook nooit doen... Deze waarden zullen binnen 25 jaar evenzeer deel uitmaken van het ideaal van Het Volk als op de dag van heden."

Sus keek aanvankelijk nogal neer op de Belgische politici. Uit zijn cursiefjestijd had hij een citaat van E. Cummings meegenomen dat hij graag debiteerde: "De politicus is een achterwerk waarop iedereen gezeten heeft, behalve een mens." Als historicus vond hij het Wetstraat-wereldje erg benepen. Buitenland en cultuur, daarin kon een journalist zich pas echt uitleven.

Sus was 28 en ik 37 toen we elkaar vonden. We woonden op loopafstand, namen dezelfde trein en in mekaars kelders wisten we de beste wijnen liggen. Mijn kinderen waren babysit bij zijn kinderen. Niemand keek nog op als Sus om 11 uur 's avonds aanbelde voor een partijtje schaak dat pas om vier uur 's nachts eindigde, waarna we elkaar rendez-vous gaven voor de trein van 9.31 uur op het perron van Hove.

We trokken samen naar Parijs en Amsterdam om er het nieuwe stedelijke parfum te gaan opsnuiven, maar ook de vernieuwers van dat ogenblik Jean-Jacques Servan- Schreiber en Hans van Mierlo te interviewen. Na enkele maanden werden we onafscheidelijk, een journalistieke tweeling. We hadden ook onze eigen rituelen. Als we mekaar een tijdlang niet gezien hadden, knipte ik symbolisch met mijn vingers de vele draden door waarmee hij hypergevoelig op zijn omgeving reageerde en hij woelde met zijn hand door mijn haar om de muizenissen uit mijn hoofd te verjagen.

In de lente van 1970 kreeg ik een telefoontje van Geertje Van Cauwelaert met de mededeling dat haar baas, minister voor Wetenschapsbeleid Theo Lefèvre, 'iets te zeggen had'. Of er geen interview afkon? Ik bereidde een aantal vragen voor. Toen was het immers niet ongewoon dat de interviewer zijn vragen vooraf aan een minister bezorgde zodat diens medewerkers al antwoorden konden verzinnen. Het was een heksentoer om in zo'n context toch een spraakmakend gesprek gepubliceerd te krijgen.

(Uit mijn dagboek 13.4.'70)

"Ik heb Sus, die niets omhanden had, meegenomen naar Theo Lefèvre... Ik zit zowat verstijfd van schrik, zoek oogcontact met Theo om me met een schouderophalen als het ware te verontschuldigen voor de brutale vlegel die ik heb meegebracht. Alle kleine kantjes en anekdotes van Theo - ik ken hem toch al veertien jaar - passeren de revue. Sus schijnt elk kritisch woord dat ik hem over Theo heb verteld te willen toetsen. Seffens zet hij ons aan de deur, vrees ik. Maar neen, Theo gaat gedreven in op zijn 'onbetamelijke' vragen: hoe hebt u de oorlog beleefd? Wat was uw echte roeping? Hield u van uw vader? Vragen ook over de recente zelfmoord van zijn twintigjarige zoon Titi, over erotiek, over het genot van whisky, van sigaren, het kettinkje rond zijn pols enzovoorts. Of hij lustgevoelens had als hij op de schouders werd gehesen en toegejuicht. Mijn klassiekere vragen beantwoordt Theo haast met tegenzin.

We schreven twee nachten aan het interview. Ik nam de puur politieke uitspraken voor mijn rekening, Sus al het overige. Het 'portret' bleef liggen in het kopijmandje van de chef binnenland Lode Bostoen. Het beantwoordde immers aan geen enkel van de toenmalige redactiecriteria: veel te lang, het belangrijkste stond niet vooraan, het bevatte geen nieuws en de stijl was te zweverig, niet zakelijk genoeg. Het zou gepubliceerd worden als er eens echt niets anders was.

Toen het dan toch verscheen, maakte het meteen veel ophef. Lezers prezen de ongewone, haast literaire woordkeuze. Ze ontdekten eindelijk een politicus die verder keek dan zijn kleine cenakeltje. Beiden waren de verdienste van Sus. Het was het begin van een portrettengalerij van politici uit alle partijen en streken waarvan er tien gebundeld werden in Waar is nu mijn mooie boomgaard (Lannoo 1971). We kregen er zelfs de Vlaamse persprijs voor.

In het nawoord bij het boek schreven we:

'Nadat het hele onderhoud met Lefèvre op papier was gezet, kwamen we meteen tot de ellendige conclusie: dit is niet te publiceren. Er komt zoveel herrie van dat we nooit meer een woord los krijgen. We haalden dus, zo behoedzaam en toch zo eerlijk mogelijk, de dikste brandnetels weg en leerden de wijze kunst van het bloemenschikken.'

Toch vonden velen in de Wetstraat dat we nog te ver gingen. Een bewindsman mocht zich op die manier niet laten uithoren over zijn privé-bestaan. En dan wisten onze critici niet eens dat Edmond Leburton tijdens een memorabele nacht in Waremme ongeremd sprak over la préférée onder zijn maîtresses en Pierre Descamps in een roezige bui gênant intieme details blootlegde over zijn vier huwelijken.

Onze politieke portretten, in de voetsporen van Bibeb in Vrij Nederland, waren een voorzichtige doch duidelijke breuk met de journalistieke aanpak in Vlaanderen. De terughoudendheid, de schroom ten overstaan van gezagdragers waren algemeen aanvaard en stonden zelfs in de statuten van de openbare omroep vermeld. Een uitdrukking als 'wij moeten de politici tegen zichzelf beschermen' klonk toen niet blasfemisch en riep geen doofpot op, ze werd niet gezien als zelfcensuur noch als een inbreuk op vrije nieuwsgaring.

Twintig jaar en evenveel ontgoochelingen later zou Sus het fameuze in grote opwinding uitgesproken zinnetje van Wilfried Martens wereldkundig maken: "Tindemans is de slechtste mens die ik ken."

Op elk partijcongres was er ook in de jaren '60-'70 wel een kwartiertje beschimpen van de tegenstrever bij om de ingedommelde militanten te animeren. De kranten schonken daar nauwelijks aandacht aan. De toenmalige mentor van de Vlaamse pers, Toon Breyne, placht dan te roepen: "Pennen neer, ze zijn aan hun kwartiertje zelfbevrediging toe." Dertig jaar en evenveel politieke culturen later zullen partijen congressen organiseren met de uitsluitende bedoeling één polemisch zinnetje in het tv-journaal te krijgen.

Na de portretten van onder meer Gaston Eyskens, Leo Collard, Omer Vanaudenhove, Edmond Leburton, Alfons Vranckx, Jos Van Eynde, Maurits Coppieters, Pierre Descamps enzovoorts was Verleyen aan de politiek verkocht.

Hij ging op zoek naar informanten, frequenteerde politici 'waarmee te klappen viel' en schreef fluwelige sfeerstukjes bij politieke gebeurtenissen. Hij ontmoette op een PVV-congres "hoog gespleten Avenue Louise-vrouwen, iets duurder doch zoveel beter". En op het socialistisch congres had hij tenoren horen smeken "naar likjes rode verf om hun geveltjes te schilderen naar Joegoslavisch model".

Zijn jonge liefde voor de politiek beleefde hij op de hem eigen gulzige wijze. Hij moest alles weten over de Wetstraat-gangers: hun verhalen, hun familiale omgeving, hun raadgevers en hun intimi. Privé- en maatschappelijke problemen liepen voor Sus vaak door mekaar.

Zo kon hij erg goed opschieten met de onconventionele stijl binnen het grote gezin van de Antwerpse CVP-senator Rika Van Ocken, gehuwd met dokter Herman De Backer. Na korte tijd werden Rika en Herman deelgenoot in zijn persoonlijke crisismomenten. Het inspireerde hem tot een verrukkelijke ontboezeming over Rika: "Een kameraad van een vrouw." Een analoge 'totale omgang' met politici viel naderhand ook de gezinnen Martens, Schiltz, Van Miert, Verhofstadt enzovoorts te beurt.

Zijn party's in zijn tuin aan de Ster in Hove werden legendarisch. Je kon er naast nymfomane vrouwen, anarchistische acteurs en hun flodderige aanhang, ook een christelijke eerste minister, een progressieve socialist, een in Argentinië ondergedoken collaborateur ontmoeten. Sus zong, dirigeerde, droeg romantische verzen voor, speechte, koppelde cabinetards in driestuks herenpak aan laatbloeiende flowerpowermeisjes, weende, lachte, stak een groot vuur aan, onderhandelde met de door wakkere buren opgeroepen rijkswacht en troostte ontredderde gasten.

Op De Standaard begon Verleyen systematisch te pleiten voor nieuwe accenten. Hij wilde progressieve en genereuze groeperingen een kans geven, oubollige organisaties bekritiseren... Toen hij lucht kreeg van gesjoemel bij IVPO, de Internationale Vereniging voor Plattelandsontwikkeling (in Afrika), trok hij meteen ten strijde met een flink gedocumenteerde perscampagne die op 8 juli 1971 uitmondde in een bitsige reeks interpellaties in de Kamer. Sus was vooral verontwaardigd omdat de bevlogenheid van zoveel jongeren misbruikt werd door verpolitiekte instellingen.

Hij hield er helemaal geen rekening mee dat naast voorzitter De Kinder (BSP) gewezen CVP-minister Moyersoen ondervoorzitter van IVPO was, een invloedrijk man bij de BBL van Aalst, waar De Smaele zijn steeds groter wordende leningen voor De Standaard moest loskrijgen.

Hier kwam het tot een open incident want Manu Ruys verbood Verleyen verslag uit te brengen over de persconferentie van Moyersoen "omdat hij te zeer bevooroordeeld was". En een reporter werd uitgestuurd om de repliek te noteren op het investigatiewerk dat Verleyen met veel inzet en zweet had bijeengeschreven.

Het zou niet zijn enige aanvaring zijn met de hoofdredacteur. Sus stak zijn kritiek niet onder stoelen of banken toen Manu jonge progressieve Davidsfondsers neersabelde die in opstand waren gekomen tegen voorzitter Raymond Derine. Tijdens de nieuwjaarssortie van de politieke redactie begin 1972 kreeg hij het aan de stok met Ruys door publiek de taboevraag te stellen hoe een hoofdredacteur het zich kon permitteren als bezoldigd ambtenaar van de Kamer het verslag van de openbare zittingen op te tekenen.

Een en ander bleef niet zonder gevolg. Jonge redacteurs kwamen in pure mei '68-stijl apart samen. Sus berichtte mij over die vrije vergaderingen. Ik stelde een nota op met daarin een pleidooi voor meer equipewerking en vernieuwing van de politieke, sociale en economische thema's. We moesten ook loskomen uit oude tegenstellingen en een stem geven aan de nieuwe generatie.

Luc Vandeweghe, directeur van de redactie, die de onlustgevoelens bij zijn 'poulains' opving, nodigde op vrijdagavond 11 februari 1972 een beperkte groep redacteurs bij hem thuis in Mechelen uit voor een confidentiële vergadering. Daar opende Sus dadelijk het vuur: "Als Vlaanderen straks kaal zal zijn als een kei, als we op het punt staan weggevaagd te worden door de milieuvervuiling, vast te rijden in de noord-zuidkloof, zal De Standaard nog uitsluitend een standpunt innemen over de Vlaams-Waals-Brusselse tegenstellingen."

De toon was gezet. Redacteurs die dossierstukken brachten of onregelmatigheden uitspitten, eisten zelf het commentaar daarop te mogen leveren. Iedereen bleek het daarmee eens en Vandeweghe bedankte me in een nagesprek: "Het vuur is uit de lont, er is voldoende olie op de golven gegoten, nu Manu nog overtuigen."

Iedereen keerde terug naar zijn besognes. Tot twaalf dagen nadien, op 23 februari 1972, het jonge weekblad Knack bericht over een generatieconflict op De Standaard. Het is een complotachtig verslag over de vergadering bij Vandeweghe met de gechargeerde slotzin: "De grijze leeuw Ruys (hij is overigens nog geen 50) ziet de hongerige pretendenten naar zijn suprematie al om zich heen lopen in steeds kleiner wordende cirkels."

In het kantoor van De Smaele heeft de topic de uitwerking van een bom. De krantenbaas moet via een lek vernemen dat in zijn eigen huis de directeur van de redactie met de linkse falanx complotteert tegen de politieke coördinator Ruys. Mevrouw Decq, de invloedrijke medewerkster van De Smaele, wordt op informatieronde gestuurd naar Vandeweghe en Ruys.

(uit mijn dagboek woensdag 23.2.1972)

"Het huis staat in rep en roer. Manu neemt het zeer slecht op. Sus is bij hem gaan aankloppen maar werd bars de deur gewezen. Na een briefing op Binnenlandse Zaken kom ik om halfvier op de redactie toe. Sus staat me op te wachten. Hij is in alle staten. We trekken naar de E-ville. Daar zitten te veel bekenden. We beginnen een dwaaltocht door de kleine zijstraatjes van de Jacqmainlaan. 'Ik ga weg en jij moet met mij meegaan. Morgen tekenen we ons contract bij Knack. De Nolf zal ons met open armen ontvangen.' (Enkele maanden tevoren waren we op een koninklijke wijze met oesters, kreeft en champagne onthaald in de villa van Knack-eigenaar Willy De Nolf. Hij bood ons zesduizend frank boven de conventie.) 'Ik kan hier niet meer ademen. De Smaele en Ruys zullen wel op mijn kap blijven zitten. Vandeweghe deed zeer vreemd. Voelt zich ook bedreigd. Jij zult de volgende zijn. Alleen Bostoen houdt het hoofd koel.

Ivpo, Derine en in het begin van de maand dat gewriemel rond Martens waar je mij niets van gezegd hebt... Kom, we gaan de Vlaamse L'Express maken, samen worden we de J.J.S.S. (Jean-Jacques Servan-Schreiber) en de Françoise Giroud van Vlaanderen.'

Knack is na enkele maanden al aan zijn tweede hoofdredacteur toe en lijkt een niet levensvatbaar kasplantje. Ik vraag een nacht bedenktijd. Sus zegt zeer affirmatief: 'Ik ga in elk geval, als je niet meegaat, ga je je dat bitter beklagen.'"

Het was voor mij een verscheurende keuze. Enkele weken voordien had Sus nog in een uitzending van het radioprogramma Kramiek gezegd: "Als ik ooit zelfmoord wil plegen zal Hugo De Ridder de man zijn die ik voor de fatale daad ga opzoeken." Kon ik mijn gezin met drie tieners in de waagschaal gooien voor wat toen in mijn ogen een journalistiek avontuur was?

's Anderendaags deelde ik Sus mijn beslissing mee en zei hem: "Doe wat je denkt dat je moet doen, doe het met stijl en overdenk toch nog eens of je met die beslissing de rest van je leven kunt leven." Gaston Durnez noteert hierover in zijn geschiedenis van De Standaard: "Hugo De Ridder bleef op de krant. De tweeling was uiteengevallen." (p.462)

Sus had het de eerste maanden zeer moeilijk op Knack. We reden zoals vroeger samen naar Brussel om te praten over pers en politiek. Hij vond dat de Nederlander Henri Schoup als Knack-hoofdredacteur steeds de verkeerde keuzes maakte, zich te zeer inspireerde op Time en Newsweek en bijvoorbeeld een groot omslagverhaal bracht over de misdadigheid in de Bronx, maar niet over de onveiligheid in Brussel. Sus genoot zichtbaar het vertrouwen van Willy De Nolf en na vier maanden werd hij hoofdredacteur na het pijnlijk bruuske ontslag van Schoup.

Onder zijn redactionele leiding kwam Knack in wat stabieler vaarwater. In politieke kringen kreeg het weekblad echter nog niet zoveel aandacht. De gevestigde krantencommentatoren voelden zich trouwens allerminst bedreigd door de wat zweverige, warme en genereuze stukjes van Verleyen.

Het Helsinki-avontuur deed er ook al geen goed aan. De CVSE (Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa) op 1 augustus 1975 in de Finse hoofdstad zou niet alleen een aanloop worden naar nieuwe verhoudingen tussen Oost en West maar ook het leven van Sus Verleyen grondig overhoop gooien. Hij werd er smoorverliefd op de medewerkster van minister van Buitenlandse Zaken Renaat van Elslande. Eindelijk had hij zijn Avenue Louise-vrouw ontmoet. Het was het begin van een verscheurend mooi en niet banaal liefdesverhaal gekruid met politieke intriges.

Een en ander werd druk befezeld en kwam bij de 'weldenkenden' in de Wetstraat en belendende percelen het prestige van de Knack-hoofdredacteur niet ten goede. Sus voelde zich bespioneerd. En inderdaad 's avonds werd zijn huis in Hove in het oog gehouden. Ik meende door een privé-detective van een jaloerse echtgenoot. Hij zag er de hand van de staatsveiligheid in want zijn vriendin had toegang tot 'de geheimen van defensie en diplomatie'. Herhaalde malen moest ik hem helpen door list zijn schaduw af te schudden.

Achteraf zou hij deze periode zelf beschrijven in Het beleg van Brussel. In een niet gevleid zelfportret laat hij zich door zijn sleutelromanpersonage Leonhard Corstius (Leo Tindemans) als volgt typeren : "Hij irriteert met zijn ongrijpbaar, lief en verraderlijk stijltje. Hij spuit overal gif in en schrijft zonder gevoel voor verantwoordelijkheid over ons milieu alsof het hele spel vervalst is." (pag. 75)

Na zijn vertrek uit Hove om wat hij noemde "het clericale onbegrip van zijn lokale burgemeester Frank Swaelen voor zijn persoonlijke problemen" en na zijn tweede huwelijk drijft Sus heel snel weg van het christen-democratische milieu. Alleen Martens vindt nog genade in zijn ogen. Achteraf zou hij in een interview zeggen: "Wij kozen voor Martens (onder verstaan tegen Tindemans), dat was een democraat, dat was onze medestudent, de man van de progressieve frontvorming, van de pluralistische gemeenschapsschool, twee begrippen die op de redactie van De Standaard taboe waren.3

Hij heeft inmiddels ook Hugo Schiltz en Karel Van Miert beter leren kennen. Het zou niet zonder gevolgen blijven. Als in 1977, tijdens de regeringsonderhandelingen voor de tweede regering Tindemans, de Vlaamse partijvoorzitters Martens, Schiltz en Van Miert het Egmontpact sluiten met de Franstalige collega's Cools, Nothomb en Defosset, kiest Knack duidelijk het kamp van wat achteraf 'de junta van de partijvoorzitters' is genoemd. Een eenzame positie in het perslandschap die hij deelde met Hugo Camps. Gevestigde namen zoals Manu Ruys, Karel Dewitte, Frans van Erps, Piet van Brabant, Emiel Van Cauwelaert, Mark Grammens, Mark Platel (opvallend: bijna allemaal woonachtig in de Brusselse rand) stonden veeleer aan de kant van het Vlaams-Brusselse verzet tegen het pact.

Deze geschiedenis zou veel wonden slaan in de journalistieke, meer nog in de politieke wereld. Winnaars waren er niet. Maar Verleyen had door zijn commentaren en interviews en zijn eerstebroninformaties duidelijk aan gezag gewonnen. Van Miert, Schiltz en Martens en in hun kielzog vele jonge socialisten, nationalisten en christen-democraten maakten van Knack hun gepriviligieerde tribune.

Verleyens politieke analyses, zijn interviews en 'Woord Vooraf' wonnen aan gewicht. Het politieke establishment ging hem lezen om te weten wat partijleiders of regeringsleden in hun mars hadden. Men wist dat hij ze geregeld zag en hun confidenties aanhoorde. Hij had bovendien 'het oor van de koning' en hij verzorgde zijn relaties in het industriële en culturele milieu. Kortom hij begon 'mee te tellen' zoals zelfs cynische collega's moesten toegeven. Zo bereikte hij stilaan het ideaal van elke hoofdredacteur of commentator: je moest hem gelezen hebben, ook al was je het met hem oneens.

Herman van Rompuy formuleerde het onlangs als volgt: "Verleyen had politieke inzichten met als kompas het intuïtieve, wat iets anders is als het emotionele en het instinctmatige... Frans Verleyen had op basis daarvan 'bijzondere vriendschappen' in de politiek. Velen hebben hem ontgoocheld in het beleid dat zij uiteindelijk realiseerden als persoon. De intuïtie is immers niet feilloos."

In de periode 1977-1987 zagen we mekaar nog occasioneel. Familiaal en geografisch waren we ver uit mekaar gegroeid. Soms begaven we ons in een polemiekje naar aanleiding van een interview, de ziekenfondszaak of een boek. Het bleef hoofs, werd nooit persoonlijk.

Veel bedenkingen had ik wel bij zijn boek Een gegeven woord waarin Sus het levensverhaal van de toenmalige premier Wilfried Martens optekende aan de hand van een dagenlange ondervraging op Cap Bénat. Prettig geschreven en vlot leesbaar stak het boek gunstig af bij de vele andere monumenten van papier die politici toen voor zichzelf oprichtten. Maar de biografie was gespeend van elke kritische inbreng van de auteur-journalist en het verscheen drie weken voor de verkiezingen van 13 oktober 1985. (De diepere drijfveer waarom ik zes jaar later Omtrent Wilfried Martens schreef is allicht die onvrede met Een gegeven woord geweest.)

Twee jaar later deed Sus het nog eens over met De factor-Verhofstadt. Ook dat boek verscheen twee maanden voor de verkiezingen van 13 december 1987. Het had evenwel meer envergure. Verleyen had zich ingewerkt in de theorieën van de nieuwe economen aan wie de jonge Verhofstadt zijn radicaal liberaal denksysteem had ontleend.

Die studie leidde Sus naar een soort bekeringsmoment. Hij had eindelijk een man en een denkrichting gevonden die België uit zijn verstarring kon halen: beter nog dan Ciel et Terre van J.J.S.S. en D'66 van Hans van Mierlo. Christen-democratie en socialisme waren volgens hem niet (meer) in staat een toekomstproject geloofwaardig te belichamen. Zijn lezers zouden het geweten hebben.

Bovendien klikte het wonderlijk genoeg bijzonder goed tussen Guy en Sus. Uit die samenwerking en vriendschap zou in januari 1991 (alweer een verkiezingsjaar) het eerste Burgermanifest van Guy Verhofstadt groeien, waarvan elke pagina de onnavolgbare stijl van de ghostwriter verraadt.

Inmiddels is Sus steeds dieper tot de kern van de besluitvormers doorgedrongen. Eerste minister Wilfried Martens komt geregeld op bezoek in de Brugse woning van Sus en Astrid. Kris, zijn gehandicapte zoon, wordt er bij tussenpozen opgevangen. Tijdens de regeringscrisis van 1987-1988 regelt het gezin Verleyen het verjaardagsfeestje voor de premier; zitten naast Sus en Wilfried mede aan tafel in Den gouden Harynck: gouverneur Fons Verplaetse, formateur Jean-Luc Dehaene, de kabinetschef van de koning Jacques van Ypersele. 's Anderdaags 18 april 1988 geeft Martens, tegen vroegere verklaringen in, zijn akkoord om opnieuw premier te worden.

Wanneer dat Brugse feestje uitlekt, verhoogt het in niet geringe mate de politieke zichtbaarheid van Verleyen. Het door hem niet ontkende gerucht van een privé-reis met koning Boudewijn naar Spanje stuwt eveneens zijn gezag als commentator omhoog. Ook al omdat Manu Ruys bij De Standaard in 1989 met pensioen is gegaan. Toch bedenkt De Morgen Sus wat kwaadaardig met het epitheton 'de pluchegeile hagiograaf van Martens en Verhofstadt'.

Na mijn vertrek op De Standaard halverwege 1990 was Sus een van de aandachtigste toehoorders op mijn afscheidslezing 'Pers en politiek'. Hij bleek bijzonder gecharmeerd door mijn oneliner: "Een journalist zonder engagement is een trieste vent." We hebben daar uren over geboomd. Volgens Sus was het totaal legitiem dat een journalist een rol speelde, mensen en dingen wilde beïnvloeden.

Noem mij één belangrijke journalist zonder engagement, zei hij vaak. Hoe zullen zij op hun leven terugkijken, die journalisten zonder betrokkenheid, zonder opinie? Is het nobeler voor het familiebezit van een krantenbaas te knokken dan voor een man met ideeën?

Wij zijn de nieuwe onderwijzers. Ook zij geven neutrale informatie door, maar de besten met een geweldige persoonlijke betrokkenheid. Van je criticasters moet je je niets aantrekken. Als je engagement je vervult, de moeite waard lijkt, is het enige probleem eerlijk te blijven tegenover jezelf.

Sus vond wel dat ik in de verkeerde personen investeerde: Tindemans, Dehaene, Van Rompuy. Welk project heeft Tindemans? Je verliest je tijd met Dehaene: de grondwet zou moeten toestaan zo'n personage door te spoelen! En wat zie je toch in de pessimist Herman van Rompuy die de jeugd voorhoudt dat alles naar de verdoemenis gaat?

Ik vond dan weer dat hij toch wat ver ging met zinnen als: "Nooit heeft de politieke klasse een schouwspel vertoond dat zozeer in aanmerking kwam voor volkse verachting." En: "Dehaene heeft niets dan een emmer vol juridisch snot geproduceerd." Speelde hij niet in de kaart van de antipolitiek? (beide citaten dateren van voor de opmerkelijke verkiezingen van 24 november 1991).

Zijn repliek hierop luidde steevast: "Ik bied tenminste een alternatief aan. Bovendien ben ik in tegenstelling tot mijn critici en confraters-commentatoren een vooruitgangsoptimist. Als ik naga waarmee ik bezig was op mijn twintigste en ik vergelijk dat met de kennis en de levenswijsheid van de huidige twintigers dan durf ik gerust stellen dat er die dertig jaar een hogerstaande mensensoort is ontstaan."

Veel van onze gesprekken vonden in zijn woning in Brugge plaats, waar hij steeds vaker te vinden was na de diagnose van zijn fatale kwaal. Met zijn gedreven taal maakte hij van een piepklein vlondertje op de Moer een gewijde plaats met grootse afmetingen. Middels goedgekozen woorden praatte hij de verweerde blinde muur weg. De Moer werd een stroom, enkele boomkruinen een arcadisch landschap. Hij slaagde erin dit beeld zo in mijn geheugen te prenten dat als ik nu dat werkmanshuisje in de Moerstraat oproep, er een statige patriciërswoning aan de Brugse reien verschijnt. De primitieve schilderijtjes die hij uit de Balkan meebracht, worden Chagalls.

Sus heeft tijdens die Brugse gesprekken herhaaldelijk getracht mij bij Knack te betrekken. Al wat ik hem kon beloven was dat hoofdstukken uit mijn boeken in voordruk mochten verschijnen. Zo kwamen de Poupehan-geschiedenis en het beraad van Zevenborre als omslagverhaal in zijn blad. Sus heeft ze echter in zijn commentaren allebei een eigen interpretatie gegeven. In Poupehan zag hij vooral de greep van de vakbond op de politieke besluitvorming terwijl het voor mij duidelijk was dat de politiek er vakbondsleider Jef Houthuys kort aan de leiband had gehouden. In Zevenborre vergrootte hij, om mij onverklaarbare redenen, de link met koning Boudewijn uit, ofschoon in mijn relaas de formateur slechts terloops de naam van diens kabinetschef had uitgesproken.

In het voorjaar van 1997 vraagt Sus me of ik stante pede naar de Moerstraat wil komen. Hij ziet er zeer zorgelijk uit. Ik vrees dat hij slecht nieuws heeft over de evolutie van zijn kwaal. Hij spreekt me plechtig aan: "Hug, al wat jij of ik ooit hebben geschreven verdwijnt in het niet als het waar is wat nu wordt onderzocht." Hij vertelt mij, papieren in de hand, het hele verhaal van de X-getuigen die reageerden op de kliklijn van Connerotte, een verhaal dat tien maanden later in De Morgen zou verschijnen. Wel situeerde hij de kampernoeliekwekerij waar een rituele moord op een meisje zou zijn gepleegd niet in de omgeving van Brussel, maar in Limburg. En in plaats van Dutroux en Nihoul waren er vooral gezagdragers bij betrokken.

Ik bekeek hem ongelovig en waarschuwde hem op te letten met getuigenissen van hysterische vrouwen. Daar had hij oren naar. Maar volgens hem geloofden zelfs toppolitici in pedofiele netwerken en zou de rijkswacht veel bewijsmateriaal hebben gevonden. Ook op de redactie van Knack waren er al elementen van het dossier doorgesijpeld. Hij vroeg me wat ik zou doen.

Mijn antwoord was dat je als journalist hoe dan ook oog moet hebben voor de gevolgen van je publicaties. Als het waar is, betekent dat het einde van het regime, als het niet waar is, wordt dat het einde van je blad. Verder suggereerde ik hem een informeel contact hierover te organiseren met alle hoofdredacteurs en eventueel een gemeenschappelijke demarche te doen bij de minister van Justitie.

Met die idee kon hij leven. Sus zuchtte bij het einde van het gesprek: "Het zal niet makkelijk zijn maar wij zullen niet de eersten zijn om het dossier te publiceren."

Ik weet niet of hij mijn andere raad heeft opgevolgd want ons laatste Brugse gesprek ging over leven en dood nadat hij tien dagen in Engeland een uitputtende therapie had gevolgd.

Sus Verleyen is als politiek journalist en commentator in de loop van de dertig jaar sterk geëvolueerd.

Tussen het portret van Theo Lefèvre met de titel 'Het is geen excuus maar wij waren de generatie die alles moest heropbouwen' en zijn laatste Woord Vooraf 'Alles moet weg' ligt veel maatschappelijke pijn en desillusie.

Aanvankelijk zocht hij, zoals velen, een lichtjes samenzweerderige relatie met alle politieke hoofdrolspelers. Geleidelijk groeide bij hem een afkeer voor sjoemelende, onbetrouwbare politici. Hij had van te velen hun binnenkant gezien. Sommigen hadden hem ronduit bedrogen, ook in zijn persoonlijk leven. Vooral hun snobisme stak hem tegen. Hij ging ze bekijken als een klasse - hij nam dat woord als eerste onder de pen - en begon er ongenadig op te beuken.

Tegelijkertijd was hij heel zijn leven op zoek naar een breed maatschappelijk project waarin hij zijn talenten zou kunnen investeren. Het is een grillige zoektocht geweest: na een korte en niet beantwoorde poging met Tindemans, een lange tijd Wilfried Martens, eventjes Karel Van Miert en Hugo Schiltz om ten slotte aan te komen bij Guy Verhofstadt. En zoals heel dikwijls bij Verleyen was zo'n vriendschap totaal.

Verleyen maakte met zijn intelligente, goed geschreven stukken de kritiek op het politieke establishment, het verzuilde overheidsapparaat, de particratie en de pressiegroepen aanvaardbaar, zelfs salonfähig, bij kaderleden, intellectuelen en leerkrachten. Zij waren gewend aan de commentaren van Ruys die sloeg en zalfde. Ook Ruys heeft de verloedering van de politieke zeden aangeklaagd maar deed het meestal in een gepolijste, verhullende stijl. Hij was er als hoofdredacteur terecht om bekommerd de democratie niet te schaden, de tegenstellingen niet ten top te drijven, regeringen een kans te geven, het Vlaamse belang veilig te stellen.

Pas na zijn oppensioenstelling is Ruys geleidelijk aan de thema's en zelfs de beeldspraak van Verleyen gaan overnemen. In Achter de maskerade (1996) zijn alle remmingen weg en schrijft hij omineuze zinnen als: "Heerszucht is de eerste drijfveer om een politieke loopbaan te beginnen, dan volgen ijdelheid, machtswellust, geldhonger en helemaal op het einde, voor enkelen, eerlijke bezorgdheid om de staat en het welzijn van het volk." (pag.42)

Verleyen heeft door zijn wekelijkse commentaren en zijn bewonderende vriendschap een geul opengevaren voor Verhofstadt, maar zelf heeft hij het beloofde land niet mogen zien.

Onlangs vroeg ik me af hoe Sus het eerste jaar Verhofstadt zou hebben beoordeeld. Hij zou waarschijnlijk een milde maar scherpzinnige criticus zijn geworden van het paarse bewind. En vorig jaar zou de strijd tussen Wilfried Martens en Miet Smet ongetwijfeld anders verlopen zijn, was Sus nog in leven geweest.

Hij was een commentator met een zeer breed spectrum die velen van zijn meesters en voorbeelden naar wie hij opkeek veruit overtroffen heeft. Zijn journalistiek streven heeft er nooit in bestaan louter op te tekenen wat anderen zegden of deden. Hij wilde medespelen, involved zijn in de mooiste betekenis van het woord.

Ook als mens was hij altruïstisch. Alle vrienden van Sus weten dat: hij was een weinig eisende en veel gevende vriend. Velen hebben zich aan hem kunnen optrekken. Overigens bezat hij een gevaarlijke gave. Had hij gewild hij was een soort goeroefiguur geworden, een sektarische leraar die mannen en vrouwen in zijn ban houdt, hen volledig met ziel en lichaam inpalmt. Maar daarvoor had de humanist die hij was te veel respect voor de menselijke waardigheid van zijn discipelen.

Met zijn overlijden is een grote herkenbare stem in de Vlaamse pers tot zwijgen gebracht. Na drie jaar zie ik nog altijd geen opvolger opdagen.

Naschrift: In mijn bibliotheek staan de dubbele exemplaren of boeken die ik nog niet durf weg te gooien verscholen op de onzichtbare tweede rij. Bij een vakantieopruiming merkte ik dat ik het gedicteerde levensverhaal van Wilfried Martens Een gegeven woord in tweevoud bezit. Het eerste staat vol uitroeptekens en in de marge woorden als 'je moet maar durven!' Het tweede exemplaar, zo ontdekte ik vorige week, bevat een opdracht van Sus.

Geroerd lees ik :

"Voor de allerliefste, zachte Hugo en zijn onuitwisbaar vaderschap van al wat ik - op dit gebied - misschien beteken. En voor zijn straat, zijn huis, zijn suburbane Antwerpse cultuur, zijn nooit te grijpen Weltanschauung. Voor die éne seconde onbegrip op 23 februari 1972, en voor alles. Sus 20.9.85."

Het is alsof hij vanuit het graf mijn haren streelt. Zoals vroeger.

Premier Verhofstadt stelt het boek De heldere taal van een grafstem

morgen voor op de Boekenbeurs

(zaal Architectura, 11.00)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234