Dinsdag 22/10/2019

Club zonder gas, club zonder jazz

De teloorgang van de Brusselse jazzclub Le Travers

Wynton Marsalis heeft er gejamd en Archie Shepp heeft er geïmproviseerd. Debutanten speelden er hun eerste voorzichtige solo, talloze bands zagen er het licht. Tot in New York kennen ze de Brusselse jazzclub Le Travers. Muzikanten doen lyrisch over de ziel van deze club. Helaas, volgende zaterdag valt het doek over de legendarische club. De ziel stijgt op naar de eeuwige jachtvelden van de jazz, de piano en de bierglazen gaan onder de hamer van de curator. Requiem voor een brok vaderlandse muziekgeschiedenis, met kans op verrijzenis.

Maandagavond, er hangt verrassend weinig rook in Le Travers. Mijn geheugen protesteert, is dit wel de juiste plaats? Het is vijf jaar geleden dat ik nog een voet in de Brusselse jazzclub heb gezet. Dikke tabakswalmen kleuren de herinnering aan vorige bezoeken. Ongezond, maar het hoorde bij de broeierige sfeer. De smidse van Vulcanus, al wordt er niet op een aanbeeld maar wel op een drumstel gehamerd. Gelukkig klopt de rest van het plaatje wel. Het is er nog altijd even donker, het podium is nog altijd even klein, de geluidsman riskeert als vanouds zijn leven op een wankele stellage. Wie zich Le Travers als een heuse concertzaal had ingebeeld, moeten we ontgoochelen. De woonkamer van een aftands herenhuis, meer stelt de legendarische jazztempel niet voor. Met veel goede wil en opgetrokken knieën vinden 49 toeschouwers er een houten stoel, de ene al gammeler dan de andere. De eerste rij zit letterlijk met de neus op het podium, je vindt er vaak studenten en jonge muzikanten die niet alleen hun oren maar ook hun ogen de kost geven. Hoe bouwt de gitarist zijn solo op? Welke grepen hanteert de saxofonist? Hoe werkt de alchemie van de ritmesectie? Vanavond valt er veel op te steken, want op maandag is het jammen geblazen in Le Travers. De formule is even oud als beproefd. De club huurt een ritmesectie en één solist in, de inkom is gratis, wie een instrument meebrengt mag meespelen. Niet dat de eerste de beste fanfareblazer het in zijn hoofd zou halen op de bühne te klimmen, zelfs conservatoriumstudenten halen eerst diep adem voor ze zich tussen de grote jongens wagen. Immers, de maandagse jamsessies zijn een begrip in de Belgische jazz. Fabrizio Cassol, Michel Hatzigeorgiou, Peter Hertmans, Eric Legnini, Nathalie Loriers, het is maar een greep uit het lijstje van klassebakken die ik hier heb weten jammen. Het was absoluut niet ongewoon op maandagavond een Philip Cathérine te zien binnenstappen, gitaar onder de arm, op zoek naar goed volk om een nieuw arrangement uit te proberen. Aan goed volk geen gebrek vanavond, het wordt een sterk bezette sessie. Gevestigde pianisten als Erik Vermeulen en Ron Van Rossum, rijzende sterren als saxofonist Frédéric Delplanq en gitarist Maxime Blésin, ze spelen in steeds wisselende formaties met piepjonge muzikanten op zoek naar een eigen stijl en reputatie. Misschien wordt de grote opkomst wel verklaard door een bericht dat in de jazzwereld als een bom is ingeslagen: op zaterdag 9 september gaat Le Travers dicht. Eerst was het niet meer dan een gerucht dat met de grootste scepsis werd onthaald. De voorbije jaren werd al zo vaak de doodsklok geluid over de armlastige jazzclub. Deurwaarders kwamen en gingen, elektriciteit en gas werden afgesloten en weer aangekoppeld, het water stond voortdurend aan de lippen maar Le Travers hield stand. Nu is er echter geen uitstel van executie meer, de schuldeisers hebben hun laatste greintje geduld verloren en de vzw Le Travers wordt eerstdaags vereffend. Van de imposante Yamaha-vleugel tot het nederigste bierglas, de hele inboedel gaat onder de hamer. En dus is dit meteen de voorlaatste jamsessie, Ron Van Rossum mag er niet aan denken. Leraar aan het Leuvense Lemmensinstituut en het Brusselse conservatorium, de Nederlandse pianist hoeft zich niet meer te bewijzen. Als muzikanten van zijn allure 's maandags naar de rue Traversière ofte Dwarsstraat in Sint-Joost ten Node afzakken, dan doen ze dat om zich eens flink uit te leven. Om bijvoorbeeld de groentjes het vuur aan de schenen te leggen. Om oude rotten op het verkeerde been te zetten met een onverwachte tempowissel. Of om als pianist hun bravoure te tonen op contrabas en drums, zoals Ron Van Rossum. Kijk mama, zonder handen, ook dat is jazz. "Ik woon al dertien jaar in Brussel", zegt Van Rossum. "Al die tijd kwam ik hier jammen. Soms bleven we tot halfzes doorpezen, het waren fantastische avonden. Zonder overdrijven, het verdwijnen van de Travers is een ramp. Waar moeten jonge muzikanten nu heen om het vak te leren? Dit was niet alleen een club maar ook een laboratorium voor jong talent. Al wie naam heeft in de Belgische jazz is hier ooit begonnen. Hier hebben ze hun eerste concert gespeeld en hun eerste solo weggegeven. De Travers was de ontmoetingsplaats waar muzikanten elkaar leerden kennen. Aan de toog werden de plannen gesmeed, haast alle Belgische bands hebben hier hun roots. Maar ook buitenlandse vedetten wisten de Travers liggen. Dave Holland, Kenny Wheeler, Joe Henderson, Joe Lovano, ik heb ze allemaal zien optreden. Zelfs Wynton Marsalis heeft hier op een keer gejamd, doodjammer dat ik er die avond niet bij was. Het is een schande dat de overheid zo'n stuk muziekpatrimonium laat teloorgaan."

Twee uur 's nachts, er kan altijd nog een trompettist bij. Acht muzikanten verdringen zich op een krap podium, blazers duiken om beurten onder de piano om plaats te maken voor solerende collega's. Ondanks de penibele omstandigheden horen we een zeer genietbare interpretatie van 'Well, you needn't'. Maar niet iedereen heeft oren naar Thelonious Monk. De achterkamer van Le Travers is een bruine kroeg waar evenveel over voetbal of politiek als over muziek wordt gekletst. Dit is nog altijd het koninkrijk van Hassan. Barman van beroep, socioloog van opleiding, de Tunesiër laat zich door niemand opjagen. Bediend worden door Hassan is een voorrecht, je kon er als klant maar beter rekening mee houden. Eigenzinnig, tot in de drankvoorziening toe, zo was Le Travers. Zestig frank voor een pilsje, concert of geen concert, het ligt ver beneden de elitaire prijzen die in vele jazzclubs worden gehanteerd. Ook de entreeprijzen waren democratisch: 250 frank was lange tijd het maximum. Tegenwoordig betaal je 400 frank, muzikanten en studenten genieten nog steeds van forse kortingen.

Tenorist Frédéric Delplanq heeft zichzelf een adempauze gegund. Geen plantrekkerij overigens, je vreest constant voor een beroerte als je deze krachtblazer ziet improviseren. "We zijn verweesd", vat hij de reactie van vele muzikanten op de nakende sluiting samen. "Le Travers heeft een ziel die je in geen enkele andere club terugvindt. Eens te meer blijkt dat de overheid geen moer geeft om jazz. Begrijp me niet verkeerd, ik houd heel veel van klassieke muziek. Maar hoeveel heeft de restauratie van de zaal Henry Le Boeuf in het Paleis voor Schone Kunsten gekost? Een half miljard, als het niet meer was. Maar een paar miljoen om Le Travers te redden, dat is dan weer te veel gevraagd."

'Helaba', roept Lucie. "Je hebt hier een nul vergeten." Ze wijst op de plek in mijn notitieboekje waar ik het passief van Le Travers heb genoteerd. "Het moet acht miljoen zijn in plaats van achthonderdduizend." De alerte interventie tovert een vermoeide glimlach op het gelaat van Jules Imberechts (49). Inderdaad, zijn tienjarige dochter heeft goed gezien, acht miljoen bedraagt de schuld aan de RSZ, de belastingen en leveranciers. Het is dinsdagmiddag, we zitten in een restaurant op de Haachtsesteenweg, Jules heeft een lijvig dossier op de tafel gelegd. Volgens de burgerlijke stand heet hij Paul Imberechts, maar in het wereldje kent iedereen hem als Jules. Tenger van gestalte, donker sluikhaar, onveranderlijk in maatpak en vlinderdas, een zweem van spot op een fijnbesneden gelaat, Jules is zonder concurrentie de charmantste figuur uit het Brusselse nachtleven. Hoe vaak heeft hij het al niet verteld. Dat hij niet eens een jazzliefhebber was toen hij anno 1978 Le Travers uit de grond stapte. "Ik was een melomaan tout court", zegt hij. "De eerste jaren programmeerden we vooral theater en chanson. Er werd hier wel sporadisch jazz gespeeld; aan de overkant van de straat was een club, The Brussels Loft. Het gebeurde dat muzikanten na hun concert naar de Travers overstaken om nog wat te jammen. Toen de Brussels Loft failliet ging, zijn ze definitief blijven plakken." In die jaren had Jules een wisselkantoor, Le Travers was niet meer dan een tijdrovende en dure hobby. Pas in 1995 ging hij zich voltijds bezighouden met de jazzclub en het bijbehorende boekingskantoor dat buitenlandse tournees voor Belgische muzikanten organiseert. Ironisch is het wel. Hij die met valuta goochelde op de Brusselse beurs, ziet nu zijn geesteskind aan geldgebrek ten onder gaan.

De waarheid is een draak met zeven koppen, zeggen ze ergens in Midden-China. Zo is het ook met het failliet van Le Travers. In de wandeling hoor je wel eens kritiek op het goedbedoelde amateurisme waarmee de club werd geleid. Dat er te veel geld in drukwerk en personeel en te weinig in de muziek werd gestopt. Jules' verklaring voor de ondergang zit in het dikke dossier waaruit hij enkele op het eerste gezicht paradoxale cijfers plukt. De fikse stijging van zowel het aantal bezoekers als de omzet tussen 1990 en 1999, vorig jaar vonden welgeteld 15.700 jazzliefhebbers de weg naar de Dwarsstraat. Maar helaas ook de even forse groei van de schuldenberg, van vijf miljoen in 1995 naar 7,7 miljoen in 1999. Hoe valt dat te rijmen? "Het heeft niks met de club zelf te maken", zegt Jules. "In 1996 zijn we met de vzw Le Travers in het project Brussel Muziekstad gestapt. Het idee was schitterend. Eerst zouden we het volledige muziekleven in kaart te brengen. Daaruit moesten dan nieuwe initiatieven zoals festivals en workshops ontstaan. En natuurlijk moest er een website komen met een concertagenda en een on-linekaartenservice. Het Brussels Gewest zou de subsidies verstrekken, de Travers zou het gros van het werk doen, tegen Brussel 2000 moest alles rond zijn. Zo gezegd zo gedaan, ik nam drie medewerkers in dienst en investeerde fors in computers en materiaal. Maar wat gebeurde er een jaar later, in 1997? De Brusselse regering draaide zonder waarschuwen de subsidiekraan dicht, het hele project van Brussel Muziekstad werd zonder meer afgevoerd. Daar stond ik met mijn drie medewerkers en mijn computers. Een verlies van tweeënhalf miljoen, dat was de genadeslag voor Le Travers." Over het waarom van deze vreemde beleidsdaad wil hij liever niet te veel uitweiden, maar het is een publiek geheim dat binnen de Brusselse regering niet iedereen enthousiast was over het tweetalige karakter van het project Brussel Muziekstad - Bruxelles, ville de musiques. Vooral de francofone hardliners van het FDF zagen met lede ogen hoe Le Travers nauw samenwerkte met Vlaamse instellingen als de Ancienne Belgique en de Beursschouwburg.

Jules geeft het grif toe: hij hinkt op twee gedachten. Droefenis over het bittere afscheid van de club waar hij menig memorabel concert organiseerde. Archie Shepp, Paul Motian, Ray Anderson, Ernesto Pascuale, Bobby McFerrin, het lijstje met grote namen die in Le Travers hebben gespeeld, wordt steeds langer. Kleppers met wereldfaam in een zaal van 49 zitjes, hoe kreeg hij dat gedaan? "Natuurlijk konden we niet de volle pot betalen", zegt Jules. "Dat hoefde ook niet. Vele Amerikanen namen er Le Travers bij, als schnabbel tussen Parijs en Londen. Voor rijzende sterren was dit trouwens de toegangspoort tot België. Concurrerende tenten als de Bloomdidoo en de Brussels Jazz Club zweerden bij bebop, wij waren in de jaren tachtig het enige forum voor moderne jazz." De nostalgie zal nog vaak de kop opsteken, maar tegelijk is Jules enorm opgelucht. Geen gehannes meer met deurwaarders, geen ultimatums van de huiseigenaar meer, gedaan met de bedeltocht langs institutionele sponsors. Twee miljoen per jaar kreeg Le Travers van de Franse Gemeenschap, volgens een externe audit is zes miljoen nodig om de club te doen draaien. De voorbije zomer heeft hij iedereen aangeklampt. Het Brussels Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de gemeente Sint-Joost, de Nationale Loterij, iedereen hield de boot af.

De Travers is dus dood, leve de Travers. Want het verhaal is nog niet ten einde. De petitie van muzikanten en sympathisanten heeft dan toch haar effect niet gemist. Afgelopen weekend, toen iedereen allang alle hoop had opgegeven, kwam de Franse gemeenschapsregering met een voorstel op de proppen. Het failliet van de Travers is een voldongen feit, maar Jules en co krijgen tijdelijk onderdak in het Théatre Marni in Elsene, waar nu concerten van Ars Musica en voorstellingen van de Ligue de l'Impro plaatsvinden. "Vraag me niet naar de details", zegt hij. "Ik weet het ook nog maar pas." Vragen zijn er nochtans genoeg. Hoe zullen ze 150 jazzconcerten per jaar in het programma van het receptief theater inlassen? Hoe gaan ze de intieme sfeer van de Travers oproepen in een foyer met 250 zitjes? Kan er gejamd worden in Le Marni? En vooral: was het niet veel eenvoudiger en goedkoper geweest de Travers zelf van de ondergang te redden? Of is de hele constructie niet meer dan een loze belofte van politici die liever niet de verkiezingen instappen met de dood van Le Travers op hun palmares?

Een ding is zeker: zoals vroeger wordt het nooit meer. Vroeger, dat was ook die keer toen Raymond een week lang voor 49 aandachtige chansonliefhebbers speelde. Ik herinner me nog de aankondiging in het programmaboekje. Moest de hele wereld Vlaams spreken, dan was Raymond een wereldster. Een vondst van Marc Lelangue, de bluesmuzikant die jarenlang het Travers-krantje volpende. In beide landstalen, het was telkens weer zwoegen voor de Franstalige Kortrijkzaan. "Ik kreeg wel eens boze reacties", zegt hij. "Vlaamse abonnees pikten het niet dat ik Franse woordspelingen al te letterlijk vertaalde. Franstaligen konden het dan weer niet slikken dat er naast rue Traversière ook Dwarsstraat stond. Die communautaire kleingeestigheid, die heeft de Travers mee om zeep geholpen. Als tweetalige club in Brussel val je tussen twee stoelen, ook bij het verdelen van subsidies. Ach, het is een oud zeer. De Franse en de Vlaamse Gemeenschap hebben met de hele wereld culturele uitwisselingsakkoorden afgesloten, maar niet met elkaar. Gevolg: Franstalige artiesten kunnen nauwelijks in Vlaanderen optreden en vice versa. Vooral in de jazzwereld is die segregatie absurd. Kijk maar naar de samenstelling van de bands, die zijn allemaal gemengd." Natuurlijk is er meer loos dan communautaire scherpslijperij, dat weet Marc beter dan wie ook. "Kleine clubs zijn niet meer rendabel", stelt hij vast. "Ook in jazz gaat steeds meer geld om. Clubs moeten opboksen tegen zwaar gesponsorde megafestivals als Audi Jazz, culturele centra programmeren steeds meer jazz. Op zich is dat een goede zaak, alleen vraag ik me af waar beginnende bands straks naartoe moeten om te 'roderen'. Hopelijk komt het nooit zover als in Los Angeles, waar muzikanten zelf moeten betalen om in een club te spelen. Dan liever de Travers, waar de deur voor iedereen openstond. Eisen werden nauwelijks gesteld. Je liet een cassettebandje horen, als het niet al te abominabel was, mocht je het podium op."

Meer improvisatie dan organisatie, het zal wel bij het genre passen. Toch zal jazzcriticus Rob Leurentop geen traan laten wanneer de Travers volgende zaterdag het licht uitdoet. "Ik heb het altijd een vreselijke plek gevonden", zegt hij. "Dat miserabelistische kader, daar ergerde ik me blauw aan. Clubs als de Travers bestendigen het imago van jazz als een marginaal genre dat teert op goedbedoeld amateurisme. Ook de programmering vond ik veel te eng, de Travers was de speeltuin van de Brusselse scene. Pas op, ik neem mijn hoed af voor Jules, die twintig jaar tegen de bierkaai heeft gevochten. Wist je dat hij als een van de eersten opkwam voor een statuut voor muzikanten? Daar ligt volgens mij zijn grootste verdienste. Laten we wel wezen, het opdoeken van Le Travers betekent niet het einde van de wereld. In feite gaat het goed met de Belgische jazz. Steeds meer getalenteerde muzikanten steken de neus aan het venster, bands als Aka Moon, Octurn, Greetings from Mercury en Brussels Jazz Orchestra oogsten succes in het buitenland. Vlaanderen is niet langer een braakveld voor de jazz, vooral kunstencentra als De Werf, deSingel, Luchtbal en de Vooruit voeren een dynamisch programmeringsbeleid. En zelfs Brussel dreigt niet meteen in een zwart gat te vallen. Er is The Sounds met een ijzersterk aanbod, er is de Marcus Mingus, volgende week opent de fonkelnieuwe Music Village in de Steenstraat, vlak bij de Grote Markt. Ik ga er woensdagavond een kijkje nemen. De etalage oogt alvast schitterend, hier zijn ettelijke miljoen geïnvesteerd. De Music Village wordt een privé-club met lidkaarten en peperdure drankjes, helemaal in de stijl van de Blue Note. Het contrast is groot wanneer ik even later de Travers binnenstap. Dertien verkochte tickets voor het trio van pianiste Anne Wolf met percussionist Chris Joris en bassist Cédric Waterschoot, niet slecht voor een midweeks concert. Al denken de muzikanten, die een commissie op de entrees vangen, daar anders over. "Dit wordt een avondje van 1.000 frank", grijnst Chris Joris. "Gelukkig is het maar om te roderen, anders begon ik er niet aan."

Miserabilistisch kader? Amateuristisch management? Best mogelijk, maar ik ben niet de enige die deze plaats zal missen. Gitarist Peter Hertmans is er het hart van in. "De nieuwe Music Village is een prachtig initiatief", zegt hij. "Maar geen club in de wereld kan de Travers doen vergeten. Twintig jaar geleden heb ik er mijn eerste concert gespeeld, ik ben er altijd kind aan huis gebleven. Bij Jules kon je steeds terecht met nieuwe plannen. Op zoek naar speelgelegenheid om een band te roderen? Dan ging je met Jules een pint pakken en dat was zo geregeld. Weet je, Le Travers is de enige Belgische club met internationale uitstraling, zelfs in New York kennen ze die naam. Hoe dikwijls heb ik het niet meegemaakt. Amerikaanse muzikanten die na een concert in Vorst Nationaal of het Koninklijk Circus nog zin hadden in een potje jazz. I feel like playing, klonk het dan, ain't there a cool place in Brussels? Dan was er altijd wel iemand in de buurt om de weg naar de Travers te wijzen. Op die manier hebben we eens de volledige blazerssectie van Kid Creole meegelokt, met Brandford Marsalis erbij! Om één uur 's nachts landden we met de hele bende in de Travers, het spel zat op de wagen tot een uur of vier. Ach jammen, dat heb ik nu wel definitief achter de rug. Maar misschien doe ik volgende week nog een keer mee, uit nostalgie. Want de Travers die sluit, dat is toch een beetje alsof ik mijn tweede thuis verlies."

Tenorist Frédéric Delplanq: 'Hoeveel heeft de restauratie van de zaal Henry Le Boeuf in het Paleis voor Schone Kunsten gekost? Een half miljard, als het niet meer was. Maar een paar miljoen om Le Travers te redden, dat is dan weer te veel gevraagd'Bluesmuzikant Marc Lelangue: 'Die communautaire kleingeestigheid, die heeft de Travers mee om zeep geholpen. Als tweetalige club in Brussel val je tussen twee stoelen, ook bij het verdelen van subsidies'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234