Woensdag 30/11/2022

Claus als schoolmeester

Laatst ging het gesprek weer over Claus. Iemand die hem veel beter kent dan ik merkte op dat "Hugo geen oordelen of meningen heeft.» Niet waar, dacht ik, hij heeft er te veel.

In Het proza van Herman de Coninck staat een niet eerder gebundelde toespraak bij een tentoonstelling van Claus in 1996. Daarin wordt Claus omschreven als een van de "schrijvers die gedurende een boek iedereen kunnen zijn, multiple personalities". De Coninck was lang niet de eerste die dat opmerkte: "Ik herinner me dat de ouwe Herman Teirlinck Claus van meet af aan een proteïsch talent noemde. Proteus was zo'n god die gemakkelijk van gedaante veranderde." Hij besloot zijn toespraak met: "Heeft Claus een eigen stijl? Heeft hij een persoonlijkheid? Hij heeft er een stuk of tien, hoop ik hier aangetoond te hebben. Hij beschikt over vele andermansen. Hij kan dat allemaal hebben. Ik vermoed dat de essentie van Claus generositeit moet zijn. De generositeit om bij zichzelf de hele twintigste eeuw toe te laten. Dat is zijn eigenlijke karakter: de hele Twintigste Eeuw."

De vele andermansen van Hugo Claus. In een van zijn knittelverzen staat: "Mijn glansrol: verloren zoon". Toen ik hem in een interview dat citaat voorlegde, was zijn reactie: "Dat is een persona die vaak opduikt. Maar het is ook een manier om vrouwen te verleiden." En gevraagd waarom er telkens een cynisch, relativerend commentaar volgt op de geile verzen in het gedicht 'Nu nog', antwoordde hij: "Ja, dat zijn enkele van mijn personae die met elkaar in conflict of in balans komen."

De erudiete schoolmeester Claus is een van zijn nog weinig belichte personae. Dat bedacht ik na het lezen van Het teken van de ram 3. In deze derde, door Georges Wildemeersch en Gwennie Debergh samengestelde, aflevering van de "bijdragen tot de Claus-studie" staat de periode 1955-'65 centraal. Claus werd dertig jaar in 1959, de leeftijd waarop allerlei schoolmeesterkantjes meestal feller naar buiten komen.

In Het teken van de ram 3 staat een brief van Claus aan een jonge dichter, die poëzie naar het tijdschrift Tijd en mens had ingestuurd, welke door Claus (en Boon) was afgewezen. Op pedante toon doet Claus het voorstel het gedicht beter te maken, "terwijl ik zo dicht mogelijk bij uw woorden, zo getrouw mogelijk aan uw mening zal blijven". Hoewel die mening, aldus Claus, "gevoelig, kalm en bloedarmoedig" is, zal hij het gedicht "logisch" herwerken, "en zonder de fantaisistische sprongen, die de eigenlijke springplank van de dichter zijn; wij wieden dus alleen het gras of dikken het aan." Wat volgt is een praktijkles, door een zelfbewuste leraar die de tijd neemt om elke wending te belichten. Met tips, raadgevingen en brutale grapjes tussendoor - een didactiek waar schrijfacademici alleen maar jaloers op kunnen zijn. Over een clichébeeld van de opkomende dageraad schrijft hij bijvoorbeeld: "wij maken er een notitie van, een nota van de dichter die de dageraad beschouwt: 'De zon, die stijgt.' Het wordt een rust." Een andere, nogal pinnige brief is gericht aan Paul Snoek. Een citaat: "Over het bijvijlen. Je weet toch beter, lijkt mij, dan je in het steeds dikker wordend regiment te scharen van de jongeheren die woorden en woorden tot ballonnen opblazen."

Ook zijn er beschouwingen opgenomen die Claus in het begin van de jaren zestig maakte voor "het derde programma" van de BRT-radio. Artikelen over, bijvoorbeeld, Faulkner, Streuvels, Nabokov ("a joy for ever") en Salinger. "Het essay is Claus' fort niet," stelt Wildemeersch in de verantwoording, verwijzend naar het artikel over Charles Olson waarin Claus essays omschrijft als "macrocefale gedrochten die uit inteelt geboren worden". Toch bevatten de beschouwingen in hun achteloosheid - waarschijnlijk waren het tussendoortjes - een typische Claus-touch, waardoor ze interessanter worden dan vele wetenschappelijk essayistische gewrochten. Het langere stuk over de Amerikaanse dichter Theodor Roethke is een boeiend en sprankelend geschreven essay. Algemene beschouwingen vermengd met persoonlijke anekdoten, en af en toe een knipoog: "Daaraan is ook een echt natuurgevoel gekoppeld. Dit is vrij zeldzaam in deze tijd, waarin vele dichters - waartoe ik helaas mijzelf moet rekenen - een aantal natuursymbolen gebruiken, zonder goed te weten wat een gesneria is of in welk seizoen de ganzebloem in bloei staat."

De leraar Claus komt vooral tot uiting in een (ongedateerde) lezing over uitverkoren gedichten. Hij begint met: "De selectie van de gedichten die men verkiest is nooit definitief. Hoe zou het kunnen? Vandaag wil ik een Egyptisch drinklied het mooiste vinden omdat ik straks naar een partijtje ga bij vrienden, morgen fluister ik een licentieus versje van Hooft in het oor van een gewillige maîtresse, gisteren reciteerde ik een politiek gedicht van Agrippa d'Aubigné of Bertold Brecht waarin, gelukkig, het gevoel eindelijk eens onder de knie geraakt van de rede. Poëzie heeft geen normen. Poëzie danst op de maat van het ogenblik."

Zijn keuze van Nederlandstalige dichters is opmerkelijk, zoals Marnix van Sint-Aldegonde, Pierre Kemp ("Eén van mijn favoriete levende dichters uit de wereldliteratuur (...) Want om zo te dichten heeft men een doigté nodig, die zeldzaam is") en Remco Campert ("die in het chaotische spreekkoor van de jongere dichters opvalt door zijn gebrek aan chichi, en zijn hardheid. Want vergis u niet, de ironische, bedachtzame, ietwat ingekeerde poëzie van deze jongeman is hard"). Over Lucebert merkt hij op: "Er komt ook bij dat Lucebert af en toe een grappenmaker is die diepte suggereren wil waar er alleen maar automatisch neergeschreven wartaal staat. Maar voor mijn gevoel doen ook Homeros en Shakespeare vaak aan verbale aanstellerij en dikdoenerij. De gecompliceerdheid of de wartaal bij Lucebert zijn de gebreken van zijn gaven of omgekeerd, en wij, lezers, moeten ons alleen maar voor de hoogtepunten van een dichter interesseren." Claus als poëzieleraar: alwetend, kritisch en duidend. In een interview voor Poëziekrant zei hij me: "Het beeld moet plausibel zijn. Ik kan meteen zien als iets gratuit erbij geplakt is. (...) Daar heb ik een feilloos gevoel voor. Dat ritselt heel erg nauw."

Ook als hij het over eigen werk heeft, valt soms een glimp van het schoolmeesterschap op. In maart 1963 schrijft hij aan Simon Vinkenoog over het lange gedicht 'Het teken van de hamster': "in tegenstelling met de jongeren (zoals jij) heb ik nog wat last met de constructie". Maar misschien is dat alweer een andere persona van Claus, die vaak relativerend over het eigen werk doet. Italo Calvino, die Claus tijdens een gezamenlijke reis door Amerika in 1959-'60 leerde kennen, getuigde: "Zelf beweert hij dat veel van zijn geschrijf niets waard is, (...), maar het is een allesbehalve domme en antipathieke figuur, (...). Hij is de enige van de drie schrijvers die heel veel gelezen heeft en wiens oordelen betrouwbaar zijn."

In december 1959 verzocht Claus als volgt de autoriteiten om zijn vrouw Elly een visum te bezorgen: "Due to my sensitivity to the change in climate and food since I arrived in the United States, I find myself very much in need of my wife's care. Although I am not actually ill, I certainly feel that her presence here is necessary." Maar ook dat is weer een van zijn geliefde personae: de onmachtige sukkel die niet zonder de vrouw kan. En altijd met dezelfde Claus-ironie.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234