Zondag 18/08/2019

CHRISTOPHE VEKEMAN schrijft een iN MEMORIAM VOOR GERARD REVE

Reve is zo'n schrijver die met een popidool gemeen heeft dat tallozen zich 'zijn grootste fan' wanen. Voor velen is hij niet zomaar een groot schrijver, maar een heuse vriend, iemand tot wiens boeken men zich richt in tijden van nood

De propagandist van de dood is niet meer

'Toen ik eerverleden jaar, na 32 jaren, ons Indië terugzag, en enige weken op het eiland Bali vertoefde, zag ik hoe daar de Dood feestelijk vereerd wordt: wat de Christen probeert te geloven, gelooft de Hindoe', schreef Gerard Reve in 1980 in een brief aan uitgever Geert van Oorschot, en even verderop gaf hij de raad: 'Leven zoals die mensen, dat is ons niet gegeven, maar het is goed om veel aan de Dood te denken, en zo veel mogelijk voorzieningen te treffen.'

Dat Gerard Reve zijn leven lang veel aan de dood - al dan niet met hoofdletter, en al dan niet met dt - heeft gedacht, is te zwak uitgedrukt: niet één schrijver heeft ooit in het Nederlands de pen gevoerd die zozeer van 's mensen sterfelijkheid was doordrongen, die zo succesvol geprobeerd heeft om zijn doodsangst om te smeden tot een reikhalzend uitkijken naar wat hij als een verlossing beschouwde, en die zo hardnekkig heeft geweigerd mee te heulen of te huilen met 'het schorem', 'het linkse tuig' en andere wereldverbeteraars in hun ophemeling van het aardse bestaan en hun ontkenning van de dood. Sterker nog, zo 'de Dood' een commercieel bedrijf zou wezen, het had zich geen betere reclamemaker kunnen wensen dan Reve, wiens Verzamelde gedichten afsluiten met de volgende regels, uit Getuigenis:

'Dus ga ik de straat op,

met mijn eigen vaandel

waarop geschreven staat:

Vrijheid! Ziekte! Ouderdom!

Lang leve de Dood!'

Twintig jaar voordat bovenvermeld gedicht werd geschreven, meer bepaald in 1963, toen Reve amper veertig was, bleek zich in het bezit van de schrijver reeds een dergelijk propagandadoek te bevinden: 'Hem wil ik gehoorzamen, en tot glorie van zijn Eeuwige Naam zal ik het vaandel wederom opheffen en voortdragen, waarop geschreven staat: Op Weg Naar Het Einde.'

Kortom, al was Reve dan geen hindoe, niet één auteur heeft ooit - en zeker niet in het Nederlands - een oeuvre geconcipieerd waarin ons aller finale lot met zoveel hartstocht, zo gedreven en zo onvermoeibaar 'feestelijk vereerd' wordt als in de boeken van de grote volksschrijver. Het past mij, liefhebber van Reve in de diepste betekenis van dat woord, om heden, bij zijn overlijden, hieruit troost te proberen putten.

Reve is niet plóts gestorven: kon zijn leven bezwaarlijk de vergelijking met een heldere hemel doorstaan, zijn dood kwam niet als een donderslag. Algemeen bekend is dat hij reeds een aantal jaren ziek was, dat het vuur van zijn geest treurig genoeg al enige tijd plaats geruimd had voor as. Zijn ziekte werd nieuws ten tijde van het onverkwikkelijke staaltje van Vlaamse wanbeschaving dat wij ons herinneren als de zogenaamde Reveaffaire: van overheidswege werd het de kwakkelende meester verboden de aan hem toegekende Prijs Der Nederlandse Letteren ten paleize te ontvangen uit de smetteloze handen van onze huidige koning. Het feit dat deze blamage achteraf gezien niet veel meer was dan een detail, níet in de geschiedenis van het Vlaamse cultuurgebeuren, maar wél in de carrière van Reve - ook hieruit kan worden getracht om vandaag troost te putten. Het feit dat Joop Schafthuizen, die bijna dertig jaren lang de geliefde van Reve geweest is, meermaals te kennen heeft gegeven dat hij zijn man al met al nooit zo gelukkig heeft gezien als juist aan het in schemer gehulde slot van zijn bestaan - het strekke vandaag tot troost voor wie daar behoefte aan heeft. 'Als ik daarbij bedenk dat ik als rooms-katholiek ook nog eeuwig leven heb, kent mijn tevredenheid geen grenzen', liet Gerard Reve in de eerder aangehaalde brief aan Geert van Oorschot nog weten. Dat hij niet enkel als katholiek maar ook en vooral als schrijver voor eeuwig en altijd voortleven zal - het maakt haast dat onze rouw hem geen recht doet.

De invloed van Gerard Reve op de Nederlandstalige letterkunde valt, zoals dat dan heet, nauwelijks te overschatten. 'Zoals dat dan heet' - maar voor één keer is het volkomen waar. Ook de na hem gedebuteerde schrijver die beweert nimmer een letter van hem te hebben gelezen is indirect schatplichtig aan hem: Reve heeft, eerst met De avonden, vervolgens met Nader tot U, daarna met Moeder en zoon, en ten slotte met Bezorgde ouders, in de literatuur der lage landen de lat ontegensprekelijk en keer op keer naar een hoger niveau getild. Dat zijn niets- en niemandontziende openhartigheid en duizelingwekkend virtuoze stijl uiteindelijk niet de vaste, algemeen geldende norm zijn geworden voor al wie schrijver is, heeft dan ook met niets anders te maken dan met het gebrek aan moed en talent bij het gros der scribenten. Want wie die af en toe een zin op papier zet of op het computerscherm laat verschijnen, zou stiekem niet willen durven en kunnen wat Gerard Reve durfde en kon? En welke schrijver, al mag hij zich er zelf dan niet van bewust zijn, en al mag hij dan hoegenaamd niet het minste gevaar lopen om ooit nog maar zijn hoofd te stoten aan de door Reve gelegde lat, is hem geen volle dankbaarheid verschuldigd, al was het maar omdat mede Reve ervoor heeft gezorgd dat nu, op dit moment, de Nederlandstalige letteren door sommigen nog steeds als iets belangwekkends worden beschouwd?

Niet geheel los hiervan is het eveneens te danken aan Reve, die in de jaren zestig definitief korte metten maakte met de mythe als zou een lege maag sterk bevorderlijk zijn voor de scheppingsdrang en die onomwonden verklaarde dat hij 'een winkel' had en bijgevolg geld wou verdienen, dat schrijvers vandaag de dag voor hun bijdragen aan allerhande media fatsoenlijk worden vergoed, zoals het ook onder anderen Reve geweest is die, nu eens getooid in een hagelwit tropenpak, dan weer behangen met een zilverkleurig hakenkruis en een dito hamer-en-sikkel-symbool, de wereld bewees dat uit eigen werk voordragende auteurs niet sowieso garant hoeven te staan voor een dulle, dolvervelende avond.

Niet alleen voor schrijvers echter, en gelukkig maar, is Reve belangrijk geweest. Weinig Nederlanders, laat staan Vlamingen, hebben zoveel betekend voor de emancipatie van homoseksuelen als hij: de gelauwerde schrijver die, na de uitreiking van de P.C. Hooftprijs, voor het oog van de camera hand in hand met zijn toenmalige vriend Teigetje de Allerheiligste Hartkerk van Amsterdam uitschreed, wekte in 1969 weliswaar heel wat schandaal en verontwaardiging bij het Nederlandse volk, maar zonder twijfel heeft het statement ook in hoge mate bijgedragen aan de vervolgens algauw veranderende, positievere kijk van ditzelfde volk op homoseksualiteit. Daar komt bij dat ik niet iedereen de kost zou willen geven die door Reves optredens op televisie en natuurlijk ook door zijn boeken in het verleden sterk geholpen is bij de ontdekking en vooral de aanvaarding van zijn eigen specifieke geaardheid.

In diezelfde Allerheiligste Hartkerk had Gerard - toen nog: Kornelis van het - Reve het over de paus, te weten de 'Jan Klaassen' die elke poppenkast, 'dus' ook de katholieke Kerk, nu eenmaal behoefde. Deze paus, sprak Reve zijn toehoorders toe, kondigde vele regels en voorschriften af, die alle goed en juist en mooi waren, maar waarvan niemand zich verder 'ook maar íets hoeft aan te trekken' - de lach van bevrijding die hierop door het kerkgebouw schalde, spreekt vandaag nog altijd boekdelen. De impact van Reve op de geloofsbeleving in Vlaanderen en Nederland valt moeilijk in te schatten, maar dat hij een grote rol heeft gespeeld bij de ontvoogding van de katholieke gemeenschap tot een groep zelfstandig denkende individuen staat als een paal boven water, en als ikzelf vandaag al eens een kerk binnenloop, heeft dat in ieder geval meer te maken met de figuur en het werk van Reve dan met pakweg kardinaal Danneels, zo durf ik hier ijdel te zweren.

Niettemin heeft Reve nooit geschreven met zoiets als een doelgroep voor ogen, en al helemaal niet met de intentie om met zijn geschriften bepaalde omwentelingen in de maatschappij te bewerkstelligen. Hij had een afkeer van alles wat revolutionair of zelfs maar progressief was, en trouwens: 'Kunst heeft geen enkel nut.' Zijn publiek bestond voornamelijk, zo verklaarde hij, uit huisvrouwen, tot welke bevolkingscategorie hij, steeds in voor een geintje, ook zichzelf rekende. Deze huisvrouwen, dat wil zeggen: zijn 'gewone lezers', zullen hem het meeste missen.

Reve is zo'n schrijver die met een popidool gemeen heeft dat talloze mensen zich 'zijn grootste fan' wanen. Voor velen is hij niet zomaar een groot schrijver, maar een heuse vriend, iemand tot wie(ns boeken) men zich richt in tijden van nood. Reve lezen staat voor hen, en ook voor mij, gelijk aan het voeren van een goed, intiem, opbeurend gesprek.

Een goede vriend is niet per definitie iemand die je graag deelt met de rest van de wereld. Zo heb ikzelf geruime tijd een min of meer verborgen afgunst gevoeld op Lieven Vandenhaute en Erwin Mortier, die enkele jaren her immers een dag of tien doorgebracht hebben op het in Frankrijk gelegen 'Geheime Landgoed' van de schrijver, terwijl ik mij in mijn droeve leven slechts een vijftal minuten met 'mijnheer Reve' heb mogen onderhouden.

Anderzijds geldt natuurlijk dat een gemeenschappelijke vriend tussen twee onbekenden bij voorbaat al voor een band zorgt: Revefans hébben iets met elkaar, hun gemoed klaart op wanneer bij toeval blijkt dat hun gesprekspartner net zoals zij is, zij zijn de Harley Davidsonrijders van het lezerspubliek, maar dan nog veel fanatieker. Revefan zijn is een manier van leven en heeft verstrekkende gevolgen. Wie in dwaze overmoed vertelt De avonden niet goed te vinden, er 'niet doorheen te geraken' omdat er 'niets in gebeurt', aldus beweren Revefans graag, komt er bij hen niet in of wordt na deze bekentenis zonder omhaal de deur gewezen. Wie vindt dat Reve na De avonden, of na Nader tot U, of na eender welk boek, 'fel achteruit begon te gaan', 'een epigoon werd van zichzelf', 'zichzelf alsmaar bleef herhalen': hij mag van de ware Revefan opflikkeren, het leven is al zwaar genoeg. Idem dito voor de zeikerds die er maar niet genoeg van schijnen te krijgen om op bedachtzame toon de vraag te formuleren of hij 'het nu meent of niet': zij horen ondubbelzinnig thuis op de voetbaltribune, die voor de Revefan niet meer of minder is dan de hel op aard.

Het zijn deze Revefans, deze 'huisvrouwen', die ik hierbij wens te groeten, die ik mijn deelneming betuig op deze dag van somberte en rouw, en voor wie ik tot slot het volgende gedicht citeer:

'Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp.

De mensen die komen kijken,

krijgen met onbekrompen maat te drinken,

de kinderen ook, dat staat geschreven.

Er komt een houten kruis, waarop te lezen valt:

GOD IS DE LIEFDE, verder niks.

Dan komt de harmonie, en speelt een lied,

langzaam en vroom, met veel koper.

Als er wel wolken maar geen wind is wordt de hemel

een sluier van stilte,

en daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.'

Reve zal niet worden begraven op het kerkhof te Greonterp maar op dat van Machelen-aan-de-Leie. Het gedicht is getiteld: 'Eind goed, al goed'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden