Zondag 18/04/2021

Christophe Vekeman houdt het opzienbarende essay van William Marx tegen het licht

De literatuur is haar aansluiting bij het leven en de wereld verloren, zo jammert de hoogleraar William Marx in Het afscheid van de literatuur. Waar is de tijd dat de letteren appelflauwtes en koortsaanvallen veroorzaakten? Marx giet zijn bevindingen in een spectaculair en spannend essay, dat net als vuurwerk alle richtingen uitgaat en ten slotte nergens toe leidt.

DOOR CHRISTOPHE VEKEMAN

Het afscheid van de literatuur van de Franse, aan de universiteit van Orléans verbonden hoogleraar William Marx laboreert aan een in wetenschappelijk opzicht onoverkomelijk probleem: het biedt ruim tweehonderd pagina's lang een verklaring voor een feit waarvan op geen enkele manier bewezen wordt dat het daadwerkelijk een feit is. Wij lezers dienen maar aan te nemen dat de zaken ervoor staan zoals Marx zegt, hij doet bijzonder weinig moeite om ons van de juistheid van zijn diagnose te overtuigen. Het betreft dan ook, stelt hij apodictisch, "een hedendaagse kwaal (...) waar geen mens aan twijfelt". Wat deze kwaal is, deze zware ziekte, waarvan Marx wel uitvoerig de geschiedenis en oorzaken beschrijft, maar niet de verschijningsvorm en de symptomen? Het is geen ziekte, het is erger dan dat. Het is de dood. Van de literatuur.

Wie het grondig oneens is met Marx' impliciete bewering dat boekwinkels (tenminste voor zover zij bestaan uit in de loop van de voorbije honderd jaar geschreven literaire werken) deerniswekkende, papieronwaardige massagraven zijn, zal er echter een flinke kluif aan hebben het ongelijk van de hoogleraar aan te tonen. Aangezien hij geen argumenten geeft, kunnen zij ook niet worden weerlegd. Dat de opheffing van de boekencensuur erop zou wijzen dat "het geschrevene niet langer meetelt", en dit in tegenstelling tot de filmkunst, die zich immers wel altijd nog binnen zekere leeftijdsgrenzen ophoudt, mag dan al van een spitsvondige denktrant vanwege de auteur getuigen, als doorslaggevend doodsbewijs is het nogal mager. En gesteld dat het al waar is dat de literatuur alsmaar minder lezers vindt, "en misschien ook minder creatieve talenten", dan wil dit uiteraard nog niet zeggen dat elke hartenklop eruit is verdwenen.

Aan Het afscheid van de literatuur gaat een kort stukje literatuur vooraf, namelijk een flard van een fictieve dialoog waarin iemand vermoeid smeekt: "Laten we het liever over schilderkunst en film hebben, doe aan sociologie of journalistiek, psychoanalyse of filosofie, maar val ons niet meer lastig met van die achterhaalde taalspelletjes!" Het is een uitspraak die mikt op herkenbaarheid en instemming, maar die helaas vooral reveleert wat hedendaagse academici als Marx onder hedendaagse literatuur verstaan, te weten de 'achterhaalde taalspelletjes' waarbij de hedendaagse lezer inderdaad doodgaat van verveling, maar die sommige hedendaagse recensenten nu eenmaal doodgraag de hemel inprijzen...

Gelukkig is Marx sportief - of slim - genoeg om toe te geven dat het graf van de literatuur, dat als uitgangspunt voor zijn relaas dient, voornamelijk een kwestie is van los zand, en eigenlijk louter als alibi fungeert om wat volgt te kunnen vertellen. Immers: "Wanneer ik het hier heb over "afscheid van de literatuur", dan doe ik dat gemakshalve. (...) het literaire corpus is zo weinig homogeen en de literatuur beantwoordt aan zo verscheiden verwachtingen dat je haar onmogelijk onder één noemer kunt vatten." Hiermee zijn alle wegen vrijgemaakt voor een in wetenschappelijk opzicht zonder meer problematisch, maar wellicht juist daardoor zo spectaculair en spannend essay, dat net als vuurwerk alle richtingen uitgaat en ten slotte nergens toe leidt.

Moge het dan een al te felle, te zeer op effect beluste overdrijving zijn te stellen dat de literatuur dood is, zo volkomen dood zelfs dat ook de herinnering eraan spoorloos is opgelost in de nevelen van de tijd, een onweerlegbaar feit is dat zij vandaag de dag inderdaad niet langer het aanzien geniet waarop zij in een ver verleden wel kon bogen. De status van de schrijver heeft een navenante neergang gekend. De dichter, bijvoorbeeld, die zichzelf en zijn werk enigermate au sérieux neemt, is in de ogen van het grote publiek algauw een komische, potsierlijke en niet zelden zelfs ergerlijke figuur. De letterkundige die af en toe zijn zegje wenst te doen in het tenslotte toch door ronduit iederéén gevoerde maatschappelijke debat omtrent onderwerpen die tenslotte iederéén en dus ook de letterkundige aanbelangen, kan er in het huidige tijdsgewricht van op aan dat hem eerder vroeg dan laat de honende vraag zal worden gesteld of hij zich niet beter zou bezighouden met het schrijven van boekskes dan met het bedrijven van politiek. Kortom, dat er ooit een tijd geweest is waarin ouders niet met de handen hoog boven het hoofd een luide jammerklacht hemelwaarts stuurden nadat zoon- of dochterlief hun had bekend als schrijver door het leven te willen gaan, is heden zo goed als onvoorstelbaar.

Toch, schrijft William Marx, heeft die tijd wel degelijk bestaan, te weten in de achttiende eeuw. Neem bijvoorbeeld 30 maart 1778, de dag waarop Voltaire uit ballingschap naar Parijs weerkeerde en daar onthaald werd als een vorst, als de ultieme heerser over de republiek der letteren, die toen nog een machtig keizerrijk was. Of neem een jaartal als 1755, toen Lissabon getroffen werd door een aard- en zeebeving van sedertdien nooit meer geziene kracht, ongeveer tien keer zo sterk als de beruchte tsunami van 2004, en kijk met welk een elan, met hoeveel brio de dichters, die dus nog recht van spreken hadden, deze ramp behandelden in hun werk, tot troost van hun dankbare lezers. Vergelijk dat met de reactie van de sprakeloze poëten, slap en onmachtig, op de Holocaust. Vergelijk dat met de uitspraak van Adorno in 1951: 'Het is barbaars om na Auschwitz een gedicht te schrijven'.

Wat, in godsnaam, is er gebeurd?

William Marx verklaart een en ander als volgt. Aan het begin van de achttiende eeuw begon wat hij de fase van 'expansie' noemt: beetje bij beetje verwierf de literatuur een sacraal karakter en kreeg de schrijver de status van een hogepriester toegemeten. Was de Bijbel immers geen literair kunstwerk? Waren de profeten geen dichters? Als dermate hemels en goddelijk werd de letterkunde beschouwd, dat men de godsdienst zelf naar de tweede rij verwees: voortaan zou zij slechts van ondergeschikt belang zijn, een middel om grote, hevige gevoelens op te wekken, die vervolgens konden leiden tot het scheppen van wat werkelijk van tel was, namelijk Literatuur. Het was dan ook de tijd dat literatuur het bij uitstek van grote gevoelens moest hebben, de tijd dat lezers zozeer in de ban plachten te geraken van wat zij onder ogen hadden dat hete tranen, appelflauwtes en koortsaanvallen geen zeldzaamheid waren: "Ik voel me niet lekker." '"Misschien iets verkeerd gelezen?"

Met andere woorden, het gevoel, de inhoud primeerde, en zoals er nog geen onderscheid gemaakt werd tussen taal en betekenis, zo gaapte er ook geen peilloos diepe kloof tussen lezen en leven. Authenticiteit was de norm, vormkwesties waren niet aan de orde en elk stijlbloempje diende als onkruid uit de tekst te worden verwijderd.

Deze periode van overwaardering, schrijft Marx, liep ten einde bij het aanbreken van de tweede fase, die van de 'verzelfstandiging', toen de literatuur zich als het ware losscheurde van het echte leven en dus ook van de samenleving. Hoog op de maatschappelijke ladder staande, wilden de schrijvers nóg hoger klimmen en sloten zich ten slotte op in een ivoren toren, waar zij het leven de kont toekeerden en l'art pour l'art beoefenden. Zozeer minachten zij het leven zelfs, dat zij bereid waren het op te offeren voor de literatuur: 'Alles voor de kunst!' De voorheen zo verfoeide schoonschrijverij werd het enige doel dat de literatuur zich nog wenste te stellen, en de verweesde maatschappij zag het allemaal met lede ogen aan. Nog probeerde zij, dol van paniek, de literatuur op andere gedachten te brengen en haar aan zich te binden door haar op een bepaald moment zelfs voor de rechter te brengen: "In een maatschappij die de schrijver naar romantisch model nog altijd beschouwde als een magiër, een priester en een profeet, kon het niet anders of de scheiding van de morele orde en de esthetische orde, die zowel in Madame Bovary als in De bloemen van het kwaad werd verkondigd, moest wel opschudding veroorzaken." Maar helaas, de noodkreet werd hetzij niet gehoord, hetzij verkeerd begrepen, en geen rechtbank ter wereld kon verhoeden dat de literatuur haar eigen ondergang tegemoet ging.

En inmiddels zijn wij dan beland aan het slot van de derde en laatste fase, die van de 'ontwaarding', waarin het leven en de literatuur evenzeer aan elkaar tegengesteld zijn als het leven en ... de dood: "Voor een kunst die tegen het leven gekant was zat er niets anders meer op dan zelfmoord te plegen." Zo gelukzalig dus de tijd was waarin literatuur en wereld een perfecte symbiose vormden, zo ellendig is de huidige toestand: de kwaliteiten van een literair werk zijn recht evenredig met de onleesbaarheid ervan en de best te pruimen passages in hedendaagse gedichten zijn doorgaans de witregels. Maar is dit nu werkelijk het einde?

Marx, in het besef dat ook pessimisme zich aan bepaalde grenzen houden moet om overtuigend te blijven, houdt een slag om de arm: "Het lijkt hoe dan ook redelijker in te zetten op de transformatie van de literatuur dan op haar dood, want uit ervaring weten we dat de ongeluksprofeten het op dit vlak niet altijd bij het rechte eind hadden." De uitdaging, luidt zijn conclusie, zal er voor de literatuur dan ook uit bestaan, terug aansluiting te vinden bij het leven en de wereld, zoals momenteel in Amerika stilaan lijkt te gebeuren. Is deze conclusie opzienbarend? Nee. Moet u daarvoor het hele boek lezen? Geenszins. Waarom dan wél?

Omdat Het afscheid van de literatuur leest als een roman. En dat is tot nader order nog altijd een groot compliment.

een literair werk zijn tegenwoordig recht evenredig met

de onleesbaarheid ervan, de te pruimen passages in hedendaagse poëzie zijn de witregels

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234