Zaterdag 22/01/2022

Christian Lacroix over kleur, haute couture en de drang om uniek te zijn

Zwart als kraaien, dat is het beeld dat vaak opdoemt als we denken aan vrouwen uit het Midden-Oosten. Ooit was dat anders: de traditionele kostuums waren kleurrijk en vrolijk. Geen wonder dat ze couturier Christian Lacroix fascineerden. Hij leidt ons rond in zijn Parijse tentoonstelling en vertelt vrijuit over zijn sprookjescarrière zonder happy end.

hristian Lacroix is de onbetwiste kampioen van de kleur in de haute couture. Of liever was. Zijn bedrijf werd in 2005 door Amerikaanse zakenmensen overgenomen en pijlsnel naar de financiële afgrond gevoerd. Hij is nu een man zonder naam. “Gelukkig moest mijn vader dit niet meer meemaken”, zegt hij. “Of mijn grootvader. Het is hun naam die ik niet meer mag gebruiken.” Wat niet betekent dat hij werkloos is. Met zijn bedrijf XCLX doet Lacroix veel opdrachten voor opera en theater (momenteel in verschillende Duitse steden), hij richt hotels in, ontwerpt meubelen, uniformen en interieurs.

Hij aarzelde niet toen het Musée du Quai Branly in Parijs hem vroeg als artistiek directeur van een tentoonstelling over kostuums in het Midden-Oosten. Het museum bezit een schat aan textiel uit het gebied tussen de Nijl en de Tigris, en curator Hana Chidiac mocht ook nog beroep doen op een van de grootste privéverzamelingen, die van Widad Kawar uit Jordanië.

nuffig

Lacroix leidt ons rond en vertelt wat hem aan deze opdracht fascineerde. En achteraf, aan tafel, maakt hij er geen geheim van dat het hem de voorbije jaren niet voor de wind is gegaan. Niet bitter, wel teleurgesteld, want Lacroix is - ondanks de tegenspoed die hem heeft getroffen - open en opgewekt. En hij heeft een immense culturele bagage. Niet doorsnee in de soms nuffige modewereld.

Je merkt de stempel van Lacroix. Hij geeft de tentoonstelling impact en poëzie. Het thema leunt aan bij de leefwereld van Lacroix, die uit Arles komt. Een kind van het Zuiden. “Toen ik vijf of zes was, stond ik ooit in de haven van Marseille. Ik probeerde een inscriptie van een monument op de Corniche te spellen: ‘Porte de l’Orient’. Dat deed me dromen. Mijn grootvader had zeven jaar gevaren op de Middellandse Zee en was vier jaar lang getuige van de oorlog in de Dardanellen. Hij bracht voor mij stapels prentkaarten mee, sommige met de hand ingekleurd. Die personages fascineerden me, en gaandeweg zag ik die vrouwen ook steeds vaker in werkelijkheid opduiken in de straten van het Zuiden.” Die beelden waren bepalend voor zijn modecarrière. “Ik heb altijd een zwak gehad voor een soort hedendaagse folk. In mijn mode heb ik geprobeerd voort te borduren op de wortels van onze culturen. Die tijdloze schoonheid, gebracht door al die individuele vrouwen, herzien door een oog en een hand van vandaag, dat is voor mij de echte moderniteit.”

NIET COMMERCIEEL

Dat hij een creatief genie is, dat hij fabelachtige jurken heeft ontworpen, daarover bestaat geen discussie. Maar vandaag liggen meer dan honderd van zijn kostbare couturejurken opgeslagen in een magazijn. Hij kan er niet bij, ze zijn niet meer van hem. “Ik heb het ministerie van Cultuur ingeschakeld om te proberen ze op te eisen als Frans cultureel erfgoed”, zegt hij. “Voorlopig zonder resultaat.”

Wat is er dan misgelopen met de getalenteerde meneer Lacroix? Na zijn studies kostuum en kunst in Montpellier trok hij in 1972 naar Parijs om aan de Sorbonne kunstgeschiedenis te gaan volgen. Hij had het vage plan om museumcurator te worden. Maar zijn fraaie schetsen werden opgemerkt en in 1981 kreeg hij een baan bij het zieltogende couturehuis Patou. Met zijn felle kleuren en opvallende ballonrokken trok Lacroix meteen de aandacht van de internationale pers. In 1986 ontving hij de Dé d’Or, de gouden vingerhoed voor de beste couturier, en in 1987 riep de Amerikaanse modevereniging CFDA hem uit tot invloedrijkste buitenlandse ontwerper.

Ophef in het wereldje toen hij een jaar later Patou de rug toekeerde en zijn eigen haute-couturehuis opende, met financiële steun van Bernard Arnault, de baas van het luxe-imperium LVMH. Die mikte recht op het hoogste niveau, de haute couture, met het plan om van daaruit prêt-à-porter, parfums en accessoires te ontwikkelen, een winstgevende business.

Lacroix’ haute-coutureshows verbluffen en ontroeren vanaf dag één. Met de mooie vrouwen uit Arles als inspiratie stuurt hij gewaagde kleurencombinaties en rijke stoffen de catwalk op. De wereld applaudisseert, maar het bedrijf slaagt er niet in om break-even te draaien, laat staan met winst. Dat zorgt voor de nodige wrijving tussen de ontwerper en Arnault. “Neem het parfum”, vertelt Lacroix, “nooit hebben ze daar reclame voor gemaakt. Het was wereldwijd te koop, maar niemand wist het. Eigenlijk was ik er zelf ook niet trots op. Ik had de flacon bedacht als een platte steen met een tak koraal erop. Het resultaat leek echter meer op een mensenhart waar een stuk slagader uit stak. Walgelijk.” Hij had het gevoel, zegt hij, dat Arnault hem naar goedkopere segmenten wilde duwen. Dat zijn sterke punten niet werden uitgespeeld. In modekringen echter vond men zijn afgeleide collecties, zoals de folkloristisch getinte ‘Bazar’, bijlange niet zo charmant als zijn haute couture. Het wás niet alleen goedkoper, het zag er ook cheap uit. Had hij niet meer moeite kunnen doen om zijn visie te vertalen in aantrekkelijke, betaalbare kleren?

DUIZENDPOOT

In zijdelingse projecten kon hij al die tijd zijn ideeën kwijt. Hij ontwierp kostuums voor theater, ballet en opera, onder meer voor De Munt in Brussel. Maar met Bernard Arnault van luxeconcern LVMH, moest en zou het botsen. In 2005 verkoopt hij Lacroix aan de Amerikaanse Falic Group. Die wil de focus weer naar de dure haute couture brengen, een riskante keuze in een wereld in volle economische crisis. Lang duurt het niet, in 2009 gaat het bedrijf bankroet en is Lacroix zijn naam kwijt. Sprookje voorbij. Maar met zijn talent en energie concentreert hij zich als freelancer op andere dingen: textiel voor Designers Guild, meubelen voor Sicis, het interieur van de Thalystreinen en de vliegtuigen van Air France, boekomslagen, opera- en theaterkostuums.

En hotels. Parijs telt er drie, Le Petit Moulin, Bellechasse en Notre Dame. Soberheid is een woord dat in zijn vocabularium niet voorkomt. Verwacht je dus aan barokke nachten tussen druk beschilderde muren en onder een sterrenhemel met planeten, aan muurschilderingen naar oude Vlaamse meesters, reusachtige bloementuilen, en aan baden in een vuurrood betegelde badkamer met een spiegel in de vorm van een hart.

Misschien zit er ook wel een tikje wraak in een van zijn jongste projecten. Met de schrijfster Camilla Morton werkte hij samen aan het sprookjesboek Christian Lacroix and the tale of Sleeping Beauty: a fashion fairy tale memoir. Het traditionele verhaal over de Schone Slaapster wordt verweven met de modehistorie van de couturier.

CUSTOMIZEN

De voorbije maanden heeft hij zich voor de tentoonstelling gestort op de traditionele kleding van de Oriënt. Het museum beschikte over een schat aan kostuums van bedoeïenen en plattelandsvrouwen, en curator Hana Chidiac wilde dat verhaal vertellen op een ogenblik dat de vrouwen meer en meer grijs en zwart kleuren. Lacroix: “Ik haat het wanneer vrouwen worden gedwongen een boerka te dragen. Met deze tentoonstelling wou ik een hommage brengen aan de vrouwen van de Oriënt, die eeuwenlang met hun handwerk hebben aangetoond dat ze bestonden.”

De zalen van het museum baden in een intieme halfduistere sfeer, waarin de kleurrijke kostuums onder spotjes extra uitkomen. Doordat ze los in de ruimte zijn opgehangen, lijken ze zachtjes te bewegen als zeilen in de wind. De jurken, meestal daterend van de negentiende eeuw tot nu, hebben allemaal een T-vorm, met lange, smalle mouwen. Op de basiskleuren zwart of donkerblauw wordt met rood, groen, roze en paars in duizend kleine steekjes geborduurd. “Eigenlijk is dit ook haute couture”, zegt Lacroix, “want geen twee jurken zijn identiek. Uniek, dat is toch wat iedereen graag wil zijn? Toen ik jong was, ging ik naar Londen om te kunnen terugkeren met een jasje dat niemand anders in mijn stad had. En waar denkt u dat de trend van het customizen vandaan komt? Toch ook uit datzelfde verlangen om uniek te zijn? Deze jurken zijn stuk voor stuk uniek, omdat de vrouwen er hun persoonlijkheid in konden borduren. Zodra ze een naald konden vasthouden, leerden de meisjes de kunst van hun moeder en zo zetten ze de traditie verder. Ik ben niet nostalgisch, maar ik hou van deze uitdrukking van individualiteit. Mode gaat me vandaag te veel over merken en logo’s.”

zeldzame stukken

Prachtig zijn de accessoires, hoofddeksels versierd en beladen met munten. “Dat was hun bruidsschat die ze op het hoofd droegen. Hun spaarpot, hun bank eigenlijk”, zegt Lacroix. Er zijn maskers (wat wij nu associëren met religie, maar in eerste instantie dienden ze als bescherming tegen de zon) en hoofdtooien. Natuurlijk komt de sluier ter sprake, le voile. We mogen dat niet verengen tot de lange zwarte hoofddoeken die we vandaag zien opduiken, aldus Lacroix. “Sluiers bestaan in alle culturen. Waarom denk je dat een traditionele witte bruid bij ons een sluier draagt? Omdat het opheffen ervan een heel sensueel gebaar is, een universeel gebaar. Als je de reisverslagen leest van de kunstenaars die in de negentiende eeuw het Oosten ontdekten - denk aan Alphonse de Lamartine in zijn Voyage en Orient - gaat dat puur over het mysterie. Niet over onderwerping. Of denk aan de zeven sluiers van Salome.”

Een zeldzaam stuk is een kinderjasje dat dateert uit 1283. Het werd in 1991 ontdekt in het noorden van Libanon. In een grot lagen de lichamen van vijf vrouwen en drie meisjes, perfect bewaard door natuurlijke mummificatie. Het is intrigerend om te zien hoe weinig het jurkje verschilt van de kostuums die zeven eeuwen later werden gedragen. Waarom en wanneer is er dan een eind aan gekomen? Waarom zijn die fraai geborduurde en veelkleurige gewaden vervangen door somber grijs en zwart? “Kijk eens naar ons”, lacht Lacroix, en hij wijst naar zijn zwarte fluwelen jasje en grijze broek, en naar mijn zwarte jurk en bruine laarzen. “Vanaf 1970 is het snel gaan veranderen. De globalisering - het contact met de westerse mode dus - heeft vooral in de steden invloed gehad. Daarnaast speelt zeker ook het religieuze fundamentalisme. En dan is er nog het feit dat veel bedoeïenenvrouwen hun feestjurk en juwelen hebben verkocht om te kunnen overleven. Dat alles heeft de overgang van kleur naar soberheid versneld.”

Voorlopig heeft bij Lacroix die soberheid nog niet toegeslagen. Afwachten hoe dat uitdraait in zijn volgende project, de organisatie van Marseille, Europese culturele hoofdstad in 2013. n

• L’Orient des femmes vu par Christian Lacroix,

tot 15 mei, Musée du Quai Branly, Mezzanine Est, Quai Branly 37, 75007 Parijs, www.quaibranly.fr

• Christian Lacroix and the tale of sleeping beauty, by Camilla Morton & Christian Lacroix, ISBN 9780061917318, HarperCollins Publishers

Een tekening uit het sprookjesboek ‘Christian Lacroix and the tale of Sleeping Beauty, a fashion fairy tale memoir’. Het traditionele verhaal over de Schone Slaapster wordt verweven met de modehistorie van de couturier.

Lacroix aarzelde niet toen het Musée du Quai Branly in Parijs hem vroeg als artistiek directeur van een tentoonstelling over kostuums in het Midden-Oosten.

Het museum bezit een schat aan textiel uit het gebied tussen de Nijl en de Tigris.

Met zijn bedrijf XCLX ontwerpt Lacroix nu onder meer meubelen en richt hij hotels in, zoals dit

Hotel Bellechasse in Parijs.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234