Dinsdag 07/12/2021

China's

islamitische tijdbom

Frénk van der Linden

Xinjiang, China's islamitische provincie, is verboden terrein voor journalisten. In dit roerigste deel van de Volksrepubliek voert de Communistische Partij volgens critici een politiek van 'veredelde etnische zuivering'. Lokale Oeigoeren verzetten zich op gewelddadige wijze, en laten zich daarbij inspireren door religieus fundamentalisme. 'Wie dreigt te verdrinken, omarmt zelfs een gifslang.'

Abdulhamit Samet pakt een tuinslang en richt de waterstraal op een rij strenge Chinese krijgsheren. Bijna twee millennia geleden kwamen zij naar Xinjiang om het gebied in opdracht van de keizerlijke Han-dynastie te veroveren. Vorig jaar werden ze vereeuwigd in steen. Het monument in Kashgar, iets ten noorden van Pakistan, moet van de overheid door alle lokale schoolkinderen worden bezocht. Hier krijgt de Oeigoerse jeugd uitgelegd hoe 'glorieus' de komst van de Chinezen uit het oosten was, en hoe 'positief voor de ontwikkeling van de westelijke regio' hun huidige regime is.

"Ik ben verplicht dat verhaal te vertellen", zegt een docent. "En iedere keer doet mijn hart pijn. Het liefst zou ik mijn leerlingen meenemen naar de moskee, maar daar mogen jongeren beneden de achttien niet meer komen. Mijn volk is woedend over de repressie hier. Iedereen sympathiseert met de moedjahedien, die het namens ons tegen Peking opnemen."

Aanvallen op gebouwen van de Chinese overheid, liquidaties van imams die 'collaboreren' met het communistische bewind, clashes tussen Oeigoeren en de veiligheidspolitie, bomaanslagen in stadsbussen: in Xinjiang strijdt al jaren een steeds sterker door de islam geïnspireerde onafhankelijkheidsbeweging. Gebrek aan coördinatie en de fragmentatie ten gevolge van Chinese ondermijning maken de kans op succes klein, maar veel Oeigoeren blijven hopen op een doorbraak. Zelfs een schoonmaker als Abdulhamit Samet kan het ene moment gedienstig de gebeeldhouwde Chinese 'bezetters' wassen, om het andere moment aan Amerikaanse vakantiegangers (werkzaam op de ambassade in Peking) te vragen wanneer het Witte Huis troepen stuurt om Xinjiang te bevrijden.

Ooit gaf partij-official Song Hanliang het toe: "Elk dorp in deze contreien, elke werkeenheid, elke verzamelplaats van mensen is a hot spot, een verzetshaard."

"Wie bevriend wil raken met een Chinees, moet een bijl bij zich dragen", sombert Erkin Alptekin kort voor mijn vertrek uit Nederland. "Dat spreekwoord klopt helaas nog steeds." Hij ijsbeert door het schamele hoofdkwartier van de UNPO, een in Den Haag gevestigde alternatieve Verenigde Naties, bestaande uit vijftig 'niet-vertegenwoordigde landen en volken' als de aborigines, Tibetanen, Armeniërs, Taiwanezen, Kosovaren, Mohawk-indianen en Zuid-Molukkers. Alptekin (61), een Oeigoer die niet-godsdienstigheid paart aan de beminnelijkheid van de dalai lama, werd in de herfst van '99 benoemd tot interim-secretaris-generaal van de organisatie. "Onze leden representeren wereldwijd in totaal ongeveer honderd miljoen mensen die verlangen naar een zelfstandig Xinjiang. Maar hoe gefrustreerd en verdrietig ze ook zijn, voor de UNPO is het gebruik van geweld uitgesloten."

"Ook op uw geboortegrond, het Wilde Westen van China?", vraag ik.

"Eh", glimlacht hij diplomatiek. "Eigenlijk wel."

Alptekin is Xinjiang. Zijn levensverhaal blijkt verweven met de werdegang van de onmetelijke woestijnprovincie (driemaal Frankrijk), die net als de nabije naties Kazachstan, Oezbekistan, Tadzjikistan, Kirgizië en Turkmenistan deel uitmaakt van de 'Turkse gordel' in Centraal-Azië. Volgens de politieke erfgenamen van de Grote Roerganger behoort Xinjiang 'sedert antieke tijden tot het heilige Chinese grondgebied'. In Peking is het strategische belang van de streek nooit onderschat. Tenslotte liep de Zijderoute, de landbrug tussen het Rijk van het Midden en Europa, er dwars door. Dat menige Oeigoer liever vandaag dan morgen een opstand ziet uitbreken, vloeit in de ogen van China's leiders voort uit 'gebrekkige kennis van de geschiedenis'.

Voor Erkin Alptekin is dat beledigende taal. "Ik kwam in 1939 ter wereld als zoon van de liberale politicus Isa Yusuf Alptekin", verklaart hij plechtig. "Aanvankelijk was mijn vader volksvertegenwoordiger namens Xinjiang in het Chinese Parlement, gecontroleerd door de Nationalistische Partij van Generalissimo Chiang Kai-Shek." Zijn ogen stralen: "Vlak voor het eind van de Tweede Wereldoorlog kwamen de Oeigoeren in het geweer tegen diens wanbeleid. Ze slaagden erin de onafhankelijke republiek Oost-Turkestan op te richten. Mijn vader was enkele jaren premier: tot '49, het moment dat Mao's Volksbevrijdingsleger binnentrok. Ons gezin moest vluchten, door de bergen, richting India. Mijn ouders, mijn drie broers en ik overleefden ternauwernood. Yalkin, mijn zusje van zeven, vroor dood. Uiteindelijk bereikten we India. We konden politiek asiel in de VS krijgen, maar mijn vader wilde niet vervreemden van zijn cultuur. Hij koos voor Turkije, waar hij een ballingenorganisatie ging leiden. In de loop der jaren werd Isa Yusuf een uitgedoofde ster, een symbool van het verleden. Toen hij in '93 overleed, had hij Xinjiang nooit meer teruggezien."

De verslaggever die anno 2000 een illegaal bezoek wil brengen aan de betwiste regio - journalistieke visa worden niet verstrekt - moet om te beginnen toegang zien te krijgen tot de provinciehoofdstad Ürümqi. De metropool, een nagenoeg geheel Chinese enclave, is de afgelopen decennia volgebouwd met achtereenvolgens neostalinistische blokkendozen, postmoderne kantoorkolossen en reuzegrote winkelpaleizen.

Hier en daar valt nog een islamitisch gevelornament of een minaretvormig dak te ontwaren. Op uithangborden en billboards (Daewoo, Esprit, Nokia) prijken Chinese karakters. Daaronder, stukken kleiner, staat soms een vertaling in Arabische lettertekens. President Jiang Zemin blikt vanaf mammoetposters op de boulevards neer. Zijn slogan komt overeen met de maandelijkse kop (Jiang stresses ethnic unity) op de voorpagina van de China Daily: "Onze volken hebben één hart. Werk samen! Eenheid! Stabiliteit!" In de winterse straten drommen zakenmensen met Samsonites, yuppies met gsm's en ambtenaars met kleurige zijden stropdassen, maar ook Russische prostituees, Mongoolse handelaars en Kazachstaanse scharrelaars in zes leren jassen (vijf te koop). Zakjapanners spreken ieders taal.

De weinige Oeigoeren die zich in het hart van de stad laten zien, verkopen mie met rode pepers, of bedelen. In geen enkele Chinese metropool zag ik ooit zoveel mensen die hun littekens toonden, hun kledingstukken beschreven met individuele ellendegeschiedenissen, en de handen jammerend ten hemel hieven om te voorzien in hun levensonderhoud.

Op grote kruispunten controleren Chinezen in groene uniformen de papieren van automobilisten. Overal lopen groepjes militairen en agenten. Ondanks hun aanwezigheid schiet een goed geïnformeerde Oeigoer de blanke passant aan. "Ik ben doodsbang, maar luister..." Weet het Westen dat de Partij "het land van de boeren heeft gestolen"? Is het ons bekend dat later, tijdens de Culturele Revolutie, "Rode Gardisten complete bibliotheken met korans en andere belangrijke werken vernietigden"? Zijn we op de hoogte van het feit dat inmiddels "30.000 moskeeën op slot gingen en ruim 50.000 geestelijken werden gedood of gevangengezet"?

Het zijn gegevens waaraan mensenrechtenorganisaties graag refereren. Erkin Alptekin gebruikte tot 1994 de microfoon van de Amerikaanse zender Radio Liberty om dergelijke Oeigoerse boodschappen te verspreiden. "Mocht je nu denken dat ik een carrière als CIA-agent achter de rug heb, dan moet ik je teleurstellen", zegt hij. "Ik heb gewoon de keuze gemaakt in de voetsporen van mijn vader te treden en elk middel aan te grijpen om onze zaak te promoten."

Naast de woorden zijn er - bij vlagen - daden. Aan de rand van Ürümqi heeft de gemeentereiniging de sporen van een recente ontploffing nog niet helemaal uitgewist. Een met explosieven geladen truck vloog de lucht in; zestig buurtbewoners kwamen om. Deze week maakte het in Hongkong gevestigde Information Center for Human Rights and Democracy bekend dat drie Chinese journalisten zijn ontslagen omdat zij het hebben gewaagd onderzoek te doen naar de exacte toedracht van de zaak.

"Peking beweert dat die vrachtwagen 'toevallig' uiteenspatte", zegt Tursun Niyaz, een Oeigoer die een prominente rol speelt in de beweging voor een onafhankelijk Xinjiang. "Maar wat doet een truck met zulke gevaarlijke spullen in de stad? De Chinezen zijn niet gek! Ik kan je verzekeren dat de ravage voor rekening komt van mijn medestanders. Amerikaanse en Europese investeerders - handlangers van de Communistische Partij - moeten beseffen dat ze hier enorme risico's lopen. Wat zij bouwen, zal op een dag worden opgeblazen."

Zonder "fierce and ongoing violence" zal in de provincie niets veranderen, menen de meeste van mijn gesprekspartners. Om afscheiding te verhinderen heeft China een overdaad aan manschappen van het Volksbevrijdingsleger in de provincie gestationeerd. Westerse geheime diensten reppen over een half miljoen soldaten. "Wij moeten de massa's volledig mobiliseren, zodat de vijand ten onder gaat in een uitgestrekte oceaan", verkondigt het Chinese propaganda-apparaat. "Het volk zal onruststokers en separatisten als ratten door de straten jagen." Uitgangspunt van de aanpak is het principe yi yi zhi yi: 'Barbaren moeten door barbaren in het gareel worden gebracht.'

Blijkens rapporten van onder meer Amnesty International zijn de afgelopen jaren duizenden Oeigoeren gearresteerd, gevangengezet en gemarteld. Een onbekend aantal 'misdadige elementen' werd geëxecuteerd. "Vorig jaar hadden wij de eer het onderwerp te zijn van een speciale Amnesty-actie", zegt Erkin Alptekin. "Aanleiding was de straf waartoe enkele Oeigoeren waren veroordeeld nadat zij op een verjaardag enthousiast hadden gesproken over een vrij Xinjiang: vijftien tot twintig jaar cel."

"Achterlijk, lui, smerig en bijgelovig", noemen Chinezen in Ürümqi de Oeigoeren. 'Tulbandkop' is het mildste scheldwoord. Op hun beurt worden de Han-Chinezen niet omschreven als aka (Grote Broeders) maar uitgemaakt voor 'stomme gastarbeiders'. Onder regie van het paramilitaire Xinjiang Productie en Constructie Korps, dat onder andere fabrieken en grootschalige boerderijen runt, trekken jaarlijks tienduizenden Chinezen naar het westen van het land. "Ik weet wel waarom mijn ouders hierheen zijn gekomen", schaterlacht een serveerster die haar Engels op me uitprobeert. "To make money! Ze kregen een flinke premie."

Momenteel vinden ook gedwongen verhuizingen plaats, vooral vanuit Sichuan, waar een miljoen Chinezen het veld dienen te ruimen voor het meer dat ontstaat door de aanleg van 's werelds grootste stuwdam. "Zij die anders overspoeld zouden worden, overspoelen nu ons", zegt auteur Ekber Kanat. Was in 1950 nog slechts een tiende van de bevolking in Xinjiang van Han-afkomst, dan is inmiddels ruim 40 procent van de zeventien miljoen inwoners Chinees. Kanat: "Nog even en we zijn een minderheid in eigen land. Onze cultuur wordt geëlimineerd, en daarmee wijzelf ook. Peking maakt zich schuldig aan een veredelde variant op etnische zuivering."

Ondertussen boomt de plaatselijke economie, houd ik de schrijver voor. In het Silk Road Restaurant sluiten ondernemers uit Japan, Duitsland en Taiwan reeksen transacties met Chinese bedrijven. Industrieparken dijen uit. Megawinkelcentra verdringen de morsige bazaars. "Wat hebben de Oeigoeren daaraan?", countert Kanat. "Werknemers die zich pro-islam tonen, vliegen eruit. Het zijn trouwens allemaal tweederangsbaantjes. Een Oeigoer verdient 90 dollar per jaar, een fractie van wat de Han-Chinezen gemiddeld opstrijken: 350 dollar voor een boer, 3.500 dollar voor bewoners van Shanghai."

De ongelijke verdeling van de welvaart ontgaat zelfs de avond na avond in het Holiday Inn-hotel bier tankende employés van een Nederlandse windmolenbouwer niet. Ze werken in het Bada Cheng Power Park, een uur rijden van Ürümqi. "Als we 's morgens vroeg de stad verlaten, zien we ongelooflijk veel vrouwen en kinderen op straat slapen", zegt rotor-reparateur Henk de Boer. "Sneeuw of geen sneeuw. De Chinezen behandelen die lui als uitschot."

In de aanklachtachtige geschriften van Erkin Alptekin heet het dat de Chinezen imperialistisch omgaan met Xinjiang. "Ze hebben maar één doel: de schatkamer plunderen. Onze bodem, die een kwart van de olie- en gasreserves in de Volksrepubliek bevat, wordt leeggeroofd." Op zijn aanwijzingen begeef ik me richting jaknikkers en PetroChina-raffinaderijen. Stromen besmeurde tankwagens voeren de brandstof weg uit Xinjiang. Komend jaar begint de aanleg van een pijplijn, die over een afstand van pakweg drieduizend kilometer naar agglomeraties aan de oostkust leidt. "Straks worden we letterlijk leeggezogen", zegt Alptekin.

De UNPO-chef betoogt dat de Communistische Partij de Oeigoeren "in ruil voor dergelijke diefstal voornamelijk afval schenkt". Hij wijst op zaken die niet door Peking worden bestreden: de provincie herbergt heropvoedingskampen waar talloze 'criminelen' verblijven. Na hun vertrek uit dit deel van de Chinese goelag moeten velen van hen in Xinjiang blijven wonen. Verder bevindt zich hier Lop Nor, in het verleden ook door de Navo aangeduid als China's nucleaire testcentrum. Series atoomproeven hebben door radioactieve fall-out forse ecologische schade veroorzaakt en burgers besmet.

Per krakkemikkige Iljoesjin vlieg ik richting het zuiden. Mijn bestemming is de oasestad Kashgar, niet ver van de op vijfduizend meter hoogte gelegen Bloedpas, de poort naar Pakistan. Hier klopt het hart van islamitisch China. Nergens anders wordt de strijd tegen 'de vreemde heersers' krachtiger gesteund. Rond de Id Kah-moskee (anno Domini 442) klinkt de kreet van een kebabverkoper, het geratel van karrenwielen, de aanprijzingen van goudsmeden, zweepslagen op een ezelsrug. Gesluierde vrouwen kopen ritueel geslacht vlees, bekijken een kalender met Mekka-foto's en bestellen namaak-Versace bij een kleermaker. Mannen met baarden bladeren door een tweedehands koran, bediscussiëren de prijs van lange messen en kijken naar een illegale dvd-kopie van Titanic. Honderd gebedshuizen en één standbeeld van Mao Zedong, dat permanent wordt bewaakt.

Het kan spoken in Kashgar en omgeving, weten de autoriteiten. In 1990 woedde een rebellie die slechts met de inzet van zwaar militair materieel kon worden neergeslagen. Het Chinese bewind rapporteerde dat tientallen burgers waren gesneuveld. Oeigoeren beweren tegenover mij te zijn aangevallen door helikopters, waaruit met mitrailleurs werd geschoten. "We haalden er eentje neer, maar konden het bloedbad niet stoppen. Complete dorpen werden vernietigd. Na het oproer moesten we honderden en honderden martelaars begraven."

Traditioneel is de islam in Xinjiang tolerant, niet-fundamentalistisch. Maar Chinese maatregelen (25.000 geestelijken opgepakt sinds '91, scholing van nieuw religieus personeel door de Communistische Partij, Oeigoeren jonger dan vijftig jaar mogen niet op pelgrimage naar Saoedi-Arabië) hebben radicalisering in de hand gewerkt. Als Peking een jihad over zich wil afroepen, volgt het een perfect recept, zegt hoogleraar geschiedenis Asgar Rozi. "Kolonisten die islamieten het leven onmogelijk maken en dan verbaasd opkijken van militante reacties, het is geen onbekend fenomeen."

Hoe beziet de ongelovige Erkin Alptekin ("Ik vecht voor een seculiere, democratische staat") de ontwikkelingen? Hij verbergt het gezicht in zijn handen. Dan: "Ik zeg niet dat ik er blij mee ben. Ik zeg niet dat ik me verheug over toenemende donaties die vanuit Iran en de Golfstaten naar Oeigoeren gaan. Ik zeg niet dat we moeten juichen als we het gerucht horen dat de Afghaanse Taliban en de miljonair annex terrorist Osama bin Laden ideeën, handboeken en wapens naar Xinjiang exporteren. Maar is het verbazingwekkend dat mijn volk ervoor openstaat? Wie dreigt te verdrinken, omarmt zelfs een gifslang. De rest van de wereld laat ons barsten. Blijkbaar doet het er niet toe dat in de loop der jaren 500.000 Oeigoeren in communistische concentratiekampen zijn gecrepeerd."

Ik maak een ijzige tocht langs de nederzettingen van kamelenherders en takkensprokkelaars op de flanken van de Kongur (7.719 meter). Dan terug naar het dal, naar Kashgar, met zijn openluchtbiljarters, zijn vermanende posters ('Wie weinig kinderen krijgt, wordt snel rijk'), zijn verklikkers en stillen, zijn handjevol internettende burgers (die bij wijze van tip met trillende pen het internetadres Uygur.com op een papiertje krabbelen) en zijn eigenwijze klokken. Peking eist dat de wijzers twee uur vooruit worden gezet, maar - o ironie - vrijwel niemand accepteert de nieuwe tijd. "Wij hebben onze eigen zone."

Ik moet in Kashgar regelmatig onderstrepen dat het Westen de handen niet vuil zal maken aan Xinjiang. "Toch zal onze leidsman Erkin Alptekin jullie regeringen ervan overtuigen dat wij moeten worden gered", zegt geschiedenisleraar Male Names. "Wát? Onderhoudt u contact met hem? You're a great man! Omarm hem, zeg hem dat we wachten op zijn terugkeer."

Alptekin zelf toont zich realistischer dan zijn achterban. "Ik kan moeiteloos de toekomst voorspellen. Peking begint geen dialoog, maar laat ons kiezen uit twee kwaden. Het ene is opgaan in de Chinese cultuur: de weg van nationale zelfvernietiging, sterven als een lafaard. Het andere is sterven als een held, door een suïcidale knokpartij voor het behoud van onze identiteit. Xinjiang heeft in feite al voor de tweede optie gekozen. De overlevingsoorlog is gaande. Ik wil daar geen verwijten over horen. Ons gevecht is net zo legitiem als dat van Mandela's ANC ten tijde van de Zuid-Afrikaanse apartheid."

Alptekin bekent dat 'sommige Oeigoeren' hun wapenarsenaal financieren door de verkoop van heroïne en andere drugs in Han-steden. In de BBC-documentaire Shanghai Vice deden Chinese politiechefs, trekkend aan een Eeuwig Geluk-sigaret, er hun beklag over: "Die moslims zijn ruig en slecht. Ze haten ons. Ze zijn maar met één ding bezig: contrarevolutionaire sabotage." Die ondermijning van het gezag maakt 'Joegoslavische toestanden' in de Volksrepubliek op den duur onvermijdelijk, denkt Alptekin. Het lijkt een wat overspannen scenario. Maar ook Jane's Intelligence Review, gezaghebbend in geopolitieke en militaire vraagstukken, kenschetst Xinjiang als een tijdbom: 'Peking zou zich weleens geconfronteerd kunnen zien met zijn eigen soort Noord-Ierland', inclusief een islamitische IRA.

Het is geen perspectief dat Erkin Alptekin met optimisme vervult. "Wij zullen hoe dan ook verliezen", zegt hij. "Gewoon omdat we zwakker zijn dan onze onderdrukkers. Maar willoos naar de slachtbank, dát nooit. Laat ik voor één keer een Chinese wijsheid citeren: als een muis wanhopig genoeg is, zal hij zelfs een kat naar de strot springen."

Met uitzondering van Erkin Alptekin zijn de Oeigoerse geïnterviewden voorzien van een gefingeerde naam.

De verslaggever die anno 2000 een illegaal bezoek wil brengen aan de betwiste regio - journalistieke visa worden niet verstrekt - moet om te beginnen toegang zien te krijgen tot de provinciehoofdstad Ürümqi. De metropool, een nagenoeg geheel Chinese enclave, is de afgelopen decennia volgebouwd met achtereenvolgens neostalinistische blokkendozen, postmoderne kantoorkolossen en reuzegrote winkelpaleizen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234