Dinsdag 07/07/2020

Chasse patatte en zeer aan 't gat

We moeten daar niet min over doen, de Gentse zesdaagse is het hooglied van de poëzie

Dimitri Verhulst en Stephan Vanfleteren

Zo reden ze mijn leven in: aangekondigd door een racewagen beschilderd in kleuren die God over het hoofd had gezien en vloekten dat het geen naam had. De copiloot joeg zijn beste kermisstem door de microfoon en vermeldde het aantal nog te rijden rondjes. Een man die de leeftijd had bereikt waarop hij zich veel te veel gewassen had op de verkeerde temperatuur zodat hij was gekrompen tot kindhoogte hield fier het verkeer tegen; een tractor, een fiets, een Citroën in strijkijzermodel. Om zijn arm verschafte een tricolore bandje hem gezag en pauselijke onfeilbaarheid. We staken onze koppen uit en wachtten. En dan kwamen ze aangestoven, de renners. Onze jongens. Allee Lucien, allee Lucien, allee. Hun snelheid mengde de kleuren van hun truitjes, kunst hing daar gewoon ergens in de lucht. Hooguit tien seconden waren ze in beeld en wat te bezien viel was vaak niet meer dan het weggooien van een drinkbus of het lozen van overtollig fluim en snot. Als je geluk had. In de bocht verdwenen ze voor weer een halfuur, maar de geur van hun billen bleef nog even in onze straten hangen. De melange van een wortelextract, scheerzeep en zweet, en ik die wilde dat je daar ook snoep van had. Na de wedstrijd kregen onze helden bij de dochter van café Pigalle een aker met warm water en mochten ze zich daar in de garage gaan wassen. Hun gewonnen bloemstukken en beenhammen nam de gastvrouw tijdens de wasbeurt in verzekerde bewaring, ondertussen had ik er mijn spaarzwijn voor over om even in die garage mijn borstkas bol te snuiven. De geur van soepel gereden koersbil is mijn eerste neuslijke sensatie en goed zal ik hebben geleefd wanneer het ook mijn laatste is.

Op de televisie bleef het wielrennen koppig ruiken naar koffie en gebak, ook wel naar het kussen waar mijn zieke grootmoeder een ganse dag op zat, en weinig anders restte me dan achttien jaar te worden en de Zesdaagse van Gent te ontdekken. Daar hoef je geen halfuur op de volgende doortocht te wachten. Daar zit je tussen de renners, met de neus op hun blinkende kuitspieren die ze tegen zestig en sneller per uur naar de nok van het pistehout centrifugeren. Negen seconden en oneffen per pisteronde als het moet, en wie 't in minder doet, is een kampioen. Hem wacht aan de meet van de bloemennimf een hard bestreden zoen. We moeten daar niet min over doen, de Gentse zesdaagse is het hooglied van de poëzie.

Het begint al waar poëzie beginnen moet, bij het begin. Wanneer de renners aan het publiek worden voorgesteld. Van de liefde leeft geen mens alleen, van de liefde leeft men het liefst met twee, en daarom kampen de gladiatoren hier in paren. Zij aan zij rijden zij een rondje en groeten de aanwezigen. Zes dagen lang, zes avonden op een rij, zullen renner en toeschouwer met elkaar doorbrengen, het is niet meer dan elementaire beleefdheid om dan eventjes aan elkaar te worden voorgesteld. De commentator roemt de waarden en de deugden, doet het boekje van elke renner open. Sportliefhebbers, sportliefhebbers... streekgenoot Luc De Duytsche. Luc De Duytsche dames en heren. Heeft zijn kunnen al bewezen bij de jongeren en zal ook bij de profs niet onopgemerkt voorbijgaan. Zijn grootste troef is zijn stalen doorzettingsvermogen. Luc Deeeuuuuu Duytscheeeeuuuuu!!! Mensen klemmen hun bekertje bier tussen de tanden om te kunnen applaudisseren. Applaus dat voornamelijk door de volksmenner achter de microfoon wordt afgedwongen. De slotcadansen die hij in zijn redevoeringen verwerkt, de herhalingen die hij inbouwt, het is allemaal stof voor de retorenschool. Wie hier zes dagen onder het dak van de Kuip doorbrengt komt terug thuis met alle grote trucs van de retorica en zal makkelijker zijn groot gelijk halen tijdens een fikse kroegdiscussie. Ondertussen rijdt Luc De Duytsche samen met zijn makker Gerd Dörich een rondje op de tonen van 'De vogeltjesdans'. Sportliefhebbers, sportliefhebbers... dit duo, de schrik van Denemarken en ook hier in Gent te duchten deze week... Manu L'Hoir en Jimmy Hansen sportliefhebbers! En weer dat bekertje tussen de tanden. De Denen groeten het publiek terwijl 'The Eye of The Tiger' op volume vijftig staat. En dan volgt er zowaar een emotioneel moment, sportliefhebbers, sportliefhebbers. De commentator krijgt een veelvuldig voor de spiegel ingestudeerde krop in de keel en kondigt Andreas Kappes en Etienne De Wilde aan. Etienne, de wereld is daarover ingelicht en de sterren schijnen wat doffer deze week, rijdt zijn allerlaatste zesdaagse voor eigen publiek. Een monument. Een door godinnen ingebonden blad in de geschiedenis. Zondag, als de koersdirecteur de laatste ronde tegen de klok klepelt, gaan hier tranen vallen. Gaten in de aarde zullen ze boren, zulke zware. Maar geen nood, want sportliefhebbers, sportliefhebbers, 23 februari gaan wij hier het afscheid vieren van Etienne De Wilde, alias De Blonde Pijl, met een gastoptreden van niemand minder dan Helmut Lotti. Kaarten zijn verkrijgbaar aan de kassa. Helmut Lotti werd alleen maar Elvis Presley omdat hij mislukte als Eddy Merckx en heeft zich definitief in de harten van de wielerfanaten genesteld met zijn nu reeds legendarische uitspraak: "Voetbal is een spelleke, koersen is een sport." Het copyright van deze slogan is voorlopig nog door niemand opgeëist.

De renners hebben zich op gang getrokken voor een ploegkoers van 45 minuten. Sommigen worden gedubbeld, anderen op twee ronden gereden, zo nu en dan is er een applausje of een claxon te horen omdat een ploeg een ronde goedmaakt of een demarrage plaatst, er is een groot computerscherm voor nodig om het publiek in te lichten over de stand van zaken. Het is vooral in deze tak van het pisterijden dat de kenner zich van de leek onderscheidt, het is hier dat je merkt wie komt voor het sociale gebeuren en wie voor de sport. Maar plaats is er voor iedereen. Er zijn de ouderen die hun tijd verdelen tussen de duiven en het kaartspel en die hun schoonste klak opzetten en nog een bad nemen precies omdat het de zesdaagse is. Zij hebben de straffe verhalen over Patrick Sercu en Rik Van Looy in pacht, zij hebben het kapsel hunner echtgenotes in krulspelden gestoken om hier vanavond in alle waardigheid de pistiers aan te moedigen. Ook proper gekleed en met iets bespoten zodat het lijkt alsof ze deftig gewassen zijn, zijn de bedrijfsmensen die hier op kosten van de sponsors getuige van een exotisch want volks gebeuren mogen zijn. Hun das kost minstens drie keer zoveel als een binnenband, het pak waarin ze steken is eigenlijk alleen geschikt voor een verkooponderhandeling of een begrafenis. Ze spelen met de mega-bike als met een beursaandeel en hun koersinzicht is zo groot dat ze reeds drie jaar op een rij Frank Vandenbroucke aan de top van de UCI-ranking plaatsen. Enthousiast doen ze alleen wanneer hun gsm tiebediebediept en zij met uitgestoken nek tegen hun gespreks- en zakenpartner mogen schreeuwen: "Ik sta hier op de zesdaagse, kunt ge alstublieft wat luider spreken!" En dat terwijl Bruno Risi met zijn tokus in de lucht en de kop op het stuur chasse patatte een ronde pakt.

Poepeloerezat raak je hier op drie manieren. Je kunt jetons kopen en die inruilen tegen bekertjes Jupiler, ook vrouwen weten waarom. Een tweede mogelijkheid bestaat erin dat je een ticket koopt voor het middenplein en daar nauwgezet de wedstrijd volgt. De ganse avond draaien de renners tegen de wijzers in rondjes, ze vliegen jou van alle kanten voorbij, van links, van rechts én van boven, en als je hen niet uit het oog wilt verliezen, heb je geen andere keuze dan voortdurend rond je as te tollen. Deze bezattingswijze heeft als voordeel een lage kostprijs en een hoog rendement. Anciens hebben echter een techniek ontwikkeld om uitsluitend met het hoofd de renners te volgen, al moet je hiervoor wel in de korte bocht gaan staan en lever je per ronde een fractie van een seconde in. De derde manier om dronken te raken is de vaakst voorkomende en is een combinatie van de twee voorgaande. Uitzonderlijk is het niet dat om twintig voor twee 's nachts de pistiers de finale van een derny afwerken terwijl hun supporters zich aan het meekelen van 'Het Smurfenlied' bezondigen.

Die muziek is trouwens de steunbalk van de hele zesdaagsesfeer. De discografie is volledig afhankelijk van het wedstrijdverloop en de stijl van elke renner. Wanneer er een klassementsprint wordt aangetrokken draait de deejay 'De Sabeldans' van Khatchaturian. Hier en daar hoor je wel eens iemand met veel poepelderij op 't lijf knorren dat dit getingeltangel niet kan tippen aan de uitvoering van het Royal Scottisch Orchestra onder dirigent Neeme Järvi, maar een feit is en blijft dat de deejay toch maar weer eens mee de koers heeft gemaakt, dat Matthew Gilmore het baanrecord aan flarden reed omdat dit opzwepende stukje ballet de adrenaline door zijn aderen joeg. Ook het publiek weet dat de seconden suizebollen op het scorebord wanneer Khatchaturian iedereen het zwijgen oplegt. Bepaald stil vallen die coureursbenen evenmin van een lekker stukje Bizet, Offenbach, of, altijd dankbaar, Rossini ondersteund door een portie beats. Over smaak valt misschien te twisten onder smaaklozen, maar een zesdaagse heeft wetten die grenzen aan het wiskundige, waardoor deze deunen perfect gevolgd kunnen of zelfs moeten worden door Will Tura, Marco Borsato, noem maar op. De muziekgeschiedenis heeft werkelijk aan elk type renner gedacht.

Sportliefhebbers, sportliefhebbers, onze Zwitsers Bruno Risi en Kurt Betschart, die trouwens met elkanders zus zijn getrouwd, beginnen nu aan de eerste van drie voorbereidende ronden voor de tijdrit over 500 meter met vliegende start.

Het is de tragiek die helden maakt. Luc De Duytsche is uitgevallen wegens een infectie op de luchtwegen, ruis op de longen, en dat betekent dat Gerd Dörich, de stakker, werk voor twee moet verzetten. Dat is zottenspel uiteraard, maar Dörich heeft het vacuüm geroken dat De Wilde hier zal achterlaten en is aardig op weg om de publiekslieveling te worden. Hij jut het volk op, organiseert het voltallige peloton tot het rijden in sierlijke formaties, hij vindt het sierrennen uit (een fiets kan schever dan een schaats), trekt de wave op gang. Het ligt hem. Een Duitser, heeft voeling met bierfeesten. Ook Jean-Michel Tessier vraagt eventjes te worden geneutraliseerd wegens ondraaglijke kontpijnen. Hoe kapotter het gat, hoe groter het medeleven van de volgelopen tribunes.

Er groeit een band tussen renner en publiek. Ze beginnen elkaars zwakheden en sterkten te kennen. Dag na dag voelen ze beter wat de een van de ander verlangt en uiteindelijk zit de sportliefhebber een volledige week met zijn hoofd in die zesdaagse. Wanneer ik mij klaarmaak om voor mijn derde avond naar Het Kuipke te vertrekken heb ik een ganse dag aan Tessier zijn gat gedacht, me afgevraagd of zijn masseur het allemaal op tijd in orde heeft gekregen. Dat overkomt me zelden. Je leeft ook samen met hen. Voor jouw neus worden ze gemasseerd, maken zij hun plas, victorie en nederlaag worden samen gedeeld. De eerste avond kost het nog moeite om de ploegen van elkaar te onderscheiden, je doet het met de kleuren van hun truitje. Naar het einde toe heb je voldoende aan een grimas, een kuit, de knik in een knie. Ja, je herkent ze op den duur aan de kleur van hun fluim. Er schiet een rug uit het pak en je zegt zelfverzekerd: Van Zyl. En Van Zyl zal het zijn. Jean-Pierre voor de vrienden, een Zuid-Afrikaan. Een witte. Al wat wit is, is daar goed, zie naar hun wijn.

Khatchaturian. Want De Wilde en Slippens zijn als enigen overgebleven in de afvallingskoers. Tussen deze twee zal het gaan. Een van hen pakt subiet de Grote Prijs Tartuffe en schuift naar de kop van het algemeen klassement. Slippens op kop. Etienne aan zijn wiel. Een wielekenszuiger. Ze staan niet stil maar het scheelt niet veel. Mogen we hopen op een surplace? Neen. Slippens kijkt om, is er niet gerust op. Maar Etienne gebaart van niets, of ten meeste van krommen haas. Ervaring troef die man. Een ouwe rot maar dan dat ouwe van een rots. Nog twee ronden. Wie schiet hier 't eerst een kemel. Tactiek is het. Koersintelligentie. De kop én de benen. Anticiperen. Schijnbewegen. Op het hoogst van de piste rijden ze, nu al drie ronden en Etienne jaagt Slippens op. Recht op de trappers die twee. Slippens kijkt nog eens om. Nog anderhalve ronde. Karamelpatat, het kot ontploft, Etienne duikt naar beneden, geen kogel die hem volgt. Tenzij die kogel natuurlijk Slippens heet. Iedereen recht op de banken. Men krijst als meeuwen, tiert en brult en vloekt en stampt. Het gaat hard, beenhard. Khatchaturian volle bak. Nog een halve ronde. Slippens komt langs rechts. Maar dat is steil en dat doet zeer. Maar hij moet. De blonde pijl laat hem geen keuze. De spieren in het zuur. Tong uit de muil. Bloed zweten ze uit. Zij aan zij vlammen ze over de laatste rechte lijn en hoewel niemand met het blote oog kan zien welk achterwiel het laatst de meet overschreed, is het Etienne die zijn vuist de lucht in priemt. De hemel krijgt een boks, zo'n vuist. Sinte-Pieter ligt voos in de tent van het wit-gele kruis. In de cd-lader van de deejay: de evergreen 'Laaaaa la laa la laaa, laaaaa la la la laaaa'.

De geur van koersbillen is al geruime tijd opgelost in een wolk die volgens mij alleen maar over Vlaanderen en een Münchener bierfeest drijft. Een parfum dat gelukkig niet op beesten werd getest en is samengesteld uit gebakken uien, hamburgers, tripen in alle maten en gewichten, bier, bejaarde mannen, kapsalon, de pissijns van café De Vier Emmers te Wippelgem, hemden met de kaart van de States onder de oksels, en sigaretten, duizenden sigaretten. Het voer voor carnivoren verkoopt zeer goed, aan de vloer kleeft mosterd en saucisse. Niet alleen de renner, ook de supporter raakt hier geveld door een infectie op de luchtwegen. Ruis op de long en ruis in de kop. Schor gerookt, geroepen en gehoest, keert de fanaat naar huis. Niet één ploeg liet zich sponsoren door Vicks.

En dan zien we de prangendste geur nog over het hoofd: uitlaatgassen! Drie keer per avond gonzen dernybrommertjes door het fietspaleis. Er trekt een dichte mist over de velodroom die pas optrekt nadat het laatste vat is leeggetapt. In deze nevel zwoegt de fietser, klampt hij zich vast aan het achterwiel van de prutprutmobiel en probeert hij samen met zijn gangmaker het snelst 75 ronden hoorndol te draaien. Vanuit de catacomben klinkt dit gesputter als een zwerm wreed bloeddorstige muggen tegen wier beten alsnog geen jeukwerend middel werd gevonden. Vijftien minuten duurt dat lolletje. Mensen gaan luider praten om andere redenen dan louter alcoholische. Van alle pistetakken is de derny nochtans de enige die van de man een jongen maakt. Dit is de sport van de nog baardloze knaap die zijn kleine triomf zoekt als hij zich uit de wind laat rijden door een brommertje, als hij dat brommertje zowaar passeren kan. Ik beken, ook ik liet graag een tweetakt mijn rug zien. Ik won als ik voor het brommertje aan de kerk was. Nog drie-, vierhonderd meter. Khatchaturian. En winnen deed ik. De smaak van de zege plakte in mijn droge mond, en dat ik nadien moest kotsen van de inspanning nam me mijn verzonnen medaille toch niet af. In mijn hoofd: de Brabançonne. Mensen streken en steven hun vlaggen en hingen ze uit. Op het hoogste schavot, sportliefhebbers, sportliefhebbers, de mens die de machine overwon: alias De Viking Van Nieuwerkerken, Dimitriiii Veeeerhulst! Maar ook tot Elvis Presley kreeg ik het niet geschopt.

Die week liep ik door heg en steg in de gele trui die mijn grootmoeder me had gebreid. De mensen breien niet meer, supporterssjaals en -truien worden nu gewoon aan een kraam gekocht.

Ik heb altijd gedacht dat niemand zo belachelijk op een brommer kon zitten als de mensen in mijn dorp, maar dat was voor ik de zesdaagse had ontdekt. Om te beginnen is die gangmaker zijn voertuig te lullig voor een brommer en te veel een grasmachine voor een fiets. Ten tweede is daar de gangmaker zelf. Niet dat hij zelf iets in de pap te brokkelen heeft wat zijn kledij betreft, maar ze hebben hem dan toch maar in een kardinaalpurperen shirt gewrongen waarop de leeuw van Delhaize om aandacht brult. Zijn onvermijdelijke o-benen zitten in een maillot zodat een opvoering van Het Zwanenmeer in de lijn van ieders verwachting ligt. En als je dan ook nog eens Joop Zijlaard bent - als je één gangmaker kent is hij het wel - is ons gevoel voor proportie helemaal loos. Van zijn buik wordt beweerd dat hij die op z'n stuur kan leggen en, of het nu al dan niet de waarheid is, onnozel veel zal het niet schelen. Dat maillot, die buik, en dan iets wat het midden houdt tussen een helm, een lampenkap en een soepketel op zijn kale schedel. En dat dan nog eens rondjes draaiend op die gemotoriseerde rariteit. Met daar een renner achter. Kunt u het zich een beetje voorstellen? Maar Zijlaard - ook wel minzaam Nijlpaard genoemd als het laat genoeg is - heeft zijn sterstatus uiteraard niet alleen door zijn figuur verworven. Met Merckx deelt hij de reputatie een kannibaal te zijn, iemand die geen overwinning kan laten liggen. En dat zal de hem toegewezen renner geweten hebben. Zijlaard klopt van colère op zijn stuur, trekt de gas open tot zijn pistier versmacht, maar winnen moet en zal hij. Nou ja, de belangstelling voor dit zesdaagse-onderdeel is wat geluwd en daverend is dat applaus voor Zijlaard nu ook niet meer. Te vaak gaat het in de catacomben van dit gebouw van mond tot mond dat elke derny op voorhand is verkocht. 't Is maar theater. Net zoals catch. Koers is voor de Kuip en theater voor de Vooruit. Het gaat jaren kosten voor het imago van de derny is hersteld. Wie kan helpen is Durst. In hem aanschouwen wij een getalenteerd gangmaker, een rijzende komeet, en met zo'n naam schreeuwt iedereen hem hier als eerste over de meet. Zeker het volk op het middenplein.

Sportliefhebbers, sportliefhebbers, Ronny Evers, Ronny Evers uit Sint-Denijs-Westrem is de winnaar van onze gratis tombola. Evers Ronny dames en heren, geef hem een warm applaus!

Ronny, we schatten hem veertig, kleffert de piste op en neemt daar een Batavia-fiets in ontvangst. Een plaatselijke schone, die eerder al het startschot van de ploegkoers gaf, bezorgt hem drie zoenen en blos op de wangen. Samen met de fiets poseren ze voor de obligate foto maar de sponsor is pas helemaal tevreden wanneer Ronny een rondje op zijn nieuwe fiets rijdt. Wat zeg ik, op zijn Batavia-fiets. De deejay speelt 'Als Een Leeuw In Een Kooi' als Ronny zijn stalen merrie bestijgt. Aangemoedigd door het publiek, het klinkt een miljoen man sterk, onderneemt Ronny een poging om de piste op te raken. Of Ronny moet nog wennen aan zijn nieuwe fiets, of hij is te bezopen, of het is daadwerkelijk een kunst om je recht te houden op dit pistehout, maar hij draait rond, en rond, en rond als een leeuw in een kooi en brengt niet veel van zijn ereronde terecht. Enfin, hij heeft dan toch een fiets voor niets, de mens. Onder de aanwezigen bevinden er zich die zich in moeilijker bochten wringen om diezelfde five minutes of fame te verwerven. Twee zatte lurren hebben zich in een Tirolerpak gestopt en zeulen de ganse avond een antiek kinderfietsje mee. Hun gezichten klaren op als de camera van AVS hen eindelijk ontdekt en zij in het pittabarlicht van de piste mogen treden. De zesdaagse verenigt nu eenmaal honderd volksfeesten in één.

Eenzaam wordt de fietser pas wanneer hij naar zijn hotel mankt. Op zijn kamer is er teevee en een bed voor één teveel. Twee uur 's nachts is het als hij uit het zadel kan. Twee uur als hij zijn rug ontkrommen zal. Hij heeft vooral bananen gegeten en zijn gewicht naar beneden gereden in een gesloten biotoop van blauwe Belga en laweit. In zijn kop bonken de merknamen op muziek van Khatchaturian. Het is te laat om nog naar huis te bellen. Om de vrouw die ginder in Zwitserland of Afrika op de kinders past, en van wie hij hoopt dat ze alleen slaapt deze nacht, te vertellen dat hij zonder gebroken botten de vierde avond heeft gehaald. Een kind van vierenveertig heeft zich aan een kraampje de foto van zijn favoriete renner aangeschaft en vraagt een handtekening. Nog een krabbel, nog een glimlach. 't Was fijn. Bedankt. Tot ziens. Zijn gat doet zeer. Morgen scheert hij zijn benen weer.

De geur van soepel gereden koersbil is mijn eerste neuslijke sensatie en goed zal ik hebben geleefd wanneer het ook mijn laatste is

De eerste avond kost het nog moeite om de ploegen van elkaar te onderscheiden, je doet het met de kleuren van hun truitje. Naar het einde toe heb je voldoende aan een grimas, een kuit, de knik in een knie. Ja, je herkent ze op den duur aan de kleur van hun fluim

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234