Zaterdag 21/05/2022

Charleroi, vlinder in wording

De moeizame vlucht naar voren van de Carolo's

Werkloosheid, verpaupering, criminaliteit, Charleroi heeft zijn imago niet mee. Toch gaat het volgens insiders goed met de stad. De industriezones lopen vol, de luchthaven breekt records, de reconversie slaagt. Ironisch genoeg staat het Bois du Cazier, toneel van de grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis, model voor het reveil. Omkijken naar het verleden zonder de toekomst uit het oog te verliezen, dat is de boodschap.

Erik Raspoet

Telkens weer ben ik verrast door de luttele afstand die Charleroi van Brussel scheidt. Na twintig minuten al bereik ik de splitsing van de E19 en de A54, een autoweg die op de kaart oogt als een lasso waarvan de lus strak rond het centrum van Charleroi is getrokken. Wat zouden nieuwkomers denken als ze zo met 120 per uur de periferie binnendringen? De chaos valt met geen pen te beschrijven, het lijkt alsof de schepper zelve met de losse pols een zak vol cités, fabrieken, terrils, hoogspanningsmasten, kanalen, spoorwegen en chaussées heeft leeggeschud. Terwijl dat panorama voorbijglijdt, schiet me een hilarische parodie te binnen die het onvolprezen Nieuwe Wereldorkest enkele maanden geleden op Radio 1 ten beste gaf. 'Vakantie in Charleroi', luidde de titel van wat een wel erg vrije interpretatie van France Galles 'Sacrée Allemagne' bleek te zijn. Charleroi, zijn carjackers en zijn ramkrakers, zijn kinderlokkers en zijn leeggeschudde postbodes, de tekst rammelde van de clichés over de criminaliteit in de tweede stad van Wallonië. Het lied valt moeiteloos uit te breiden met extra strofen. Stad van werklozen en steuntrekkers, van vervuilde fabrieksterreinen en nutteloze metrotunnels. De stad ook - en dit is geen cliché - met het belabberdste imago van Wallonië.

Maar de tweede stad van Wallonië? Een doorsnee provincienest genre Sint-Niklaas of Lokeren heeft meer allure. In feite is Charleroi een waterhoofd, een verzameling winkels en kantoren, een punt ook waar de steenwegen klossen die naar de villages in de banlieue leiden. Montignies-sur-Sambre, Marcinelle, Couillet, Lodelinsart, Marchienne-au-Pont, daar wonen de 220.000 Carolo's. Vijftien gemeenten werden door de fusie van 1976 aan het fraaie stadhuis op de place Charles II onderworpen. Sommige, zoals Jumet of Gilly, hadden een veel oudere geschiedenis dan Charleroi, dat zijn bestaan dankt aan een Spaanse generaal die er zijn kamp opsloeg. Dat was in 1666, een stichtingsjaar waarmee Charleroi zich na Louvain-la-Neuve de jongste stad van het land mag noemen.

Toeristen lopen er niet warm voor. Geen begijnhof, geen stadswallen, geen kathedraal, zelfs de rosse buurt valt schamel uit in vergelijking met andere steden. Nochtans is Charleroi uniek. Een kerk van betekenis staat er niet, maar de skyline wordt wel door een kathedraal gedomineerd: les Forges de Thy Marcinelle, in de volksmond de Riva genoemd. Vooral op een heldere vriesdag, wanneer de rook in kolommen ten hemel rijst, is de aanblik van de staalfabriek verpletterend. "Een fantastische plek", vindt ook Benoît Moons, directeur van de chambre de commerce. "Zonder de Riva zou Charleroi zichzelf niet meer zijn." En nu we toch een pleidooi voor toerisme in Charleroi aan het houden zijn: Moons kan ons een wandeling in de bossen van Montigny-le-Tilleul aanbevelen, de buurgemeente waar hij zelf een villa betrekt. "Mijn vrienden uit Brussel waren stomverbaasd toen ze voor het eerst op bezoek kwamen", vertelt hij. "Precies Sint-Genesius-Rode, zeiden ze. Ik ben ooit met een helikopter over Charleroi gevlogen. Ik stond er zelf van te kijken hoe groen de agglomeratie wel is. Vele terrils zijn intussen dichtbegroeid. Prachtig, maar dat beeld kennen ze in Vlaanderen of Brussel niet, daar wordt Charleroi nog altijd voor le pays noir versleten."

Stoppen met jammeren

Moons was 18 toen hij zijn geboortestad de rug toekeerde. Hij ging studeren aan de ULB, verbleef tien jaar in het buitenland, huwde met een Aziatische, zijn dochter zag het levenslicht op de Caraïben. Weg uit Charleroi, het was in de jaren zeventig de droom van elke Carolo met ambitie. "Het waren inktzwarte tijden", zegt hij. "De laatste mijnen gingen dicht, de staalsector lag op apegapen, de crisis had een absoluut hoogtepunt bereikt."

Pas op het einde van de jaren tachtig heeft Charleroi zich weer zachtjes opgericht. Politici, vakbonden en ondernemers zijn rond de tafel gaan zitten. Zo is het besef gegroeid. Dat ze moesten stoppen met jammeren, de hand aan de ploeg moesten slaan. Sindsdien gaat het beter. Zozeer zelfs dat Benoît geen seconde aarzelde toen hij met zijn gezin naar België terugkeerde: hij koos voor Charleroi, waar hij nu een tevreden directeur van de kamer van koophandel is.

"De reconversie slaagt", zegt hij. "De voorbije vijftien jaar werd er zwaar geïnvesteerd in de omschakeling van oude fabrieksterreinen tot moderne industriezones. Met resultaat: tussen Farciennes en Courcelles, een afstand van 20 kilometer, ligt nu één groot industriegebied, dat nog eens aardig volloopt ook. We hebben dan ook alle troeven in handen. Nergens vind je zo'n palet van waterwegen, spoorwegen en autowegen. Wist je dat steeds meer Vlaamse bedrijven zich in Charleroi vestigen? Vooral de logistiek scoort heel goed. Een paar jaar geleden is Essers, een van de grootste transportbedrijven in Vlaanderen, naar hier verkast, omdat ze de files op de Antwerpse ring beu waren. Ook Lidl heeft zijn Waals distributiecentrum in Charleroi gevestigd. Deze stad draagt nog altijd het stempel van zware industrie. Maar we hebben ook veel spitstechnologie in huis. Sabca en Sonaca zijn gevestigde waarden in de lucht- en ruimtevaart, Systemat is het grootste informaticabedrijf van België."

Nergens wordt die optimistische boodschap tastbaarder dan in Gosselies. Er klonk hoongelach toen de luchthaven een jaar of vijf geleden tot Brussels South werd herdoopt. Gosselies, dat was toch die piste voor sportvliegtuigjes waar ook de privé-jet van Albert Frère wel eens neerstreek? Het lachen is de spotvogels vergaan, vooral in Zaventem. Brussels South versluisde vorig jaar een miljoen passagiers, een stijging van 42 procent in volle luchtvaartcrisis. Zoals bekend dankt Charleroi dat exploot voor een belangrijk deel aan de Ierse budget carrier Ryan Air, die op zijn beurt ten volle profiteert van een fiscaal gunstregime dat met Waals belastinggeld wordt gesubsidieerd. Concurrentievervalsing? Mogen we ook eens wat, wordt er schouderophalend gereageerd.

Nog in Gosselies bevindt zich de Aeropole, een soort Flanders Language Valley voor kmo's en start-ups. Veel ligt nog braak, maar schijn bedriegt. Alle terreinen zijn verkocht, met de verplichting binnen de twee jaar te bouwen. De ULB is al klaar met haar fonkelnieuwe Institut Biomoléculaire, een investering met een meer dan symbolische betekenis. Een echte universiteit is er immers niet. Nog altijd wordt er nagekaart over de splitsing van de Katholieke Universiteit Leuven in 1968, toen Jumet nadrukkelijk in beeld kwam als campus voor de Franstalige vleugel. Dat dat feest niet doorging, kwam onder meer door de socialistische aversie voor kaloten in een rood bastion. Niettemin heeft de UCL intussen enkele researchafdelingen naar Charleroi overgeheveld. De verklaring voor de verhuisdrift is simpel: de vette subsidies die Charleroi put uit het Europees ontwikkelingsfonds voor achtergestelde regio's. Objectif 1, de verzamelnaam van de door Europa gesponsorde projecten, is de toverstaf in het hele reconversiesprookje. Benieuwd wat het Waals Gewest zal doen als in 2004 de Europese miljardenstroom definitief opdroogt.

Bois du Cazier

Nog zo'n mirakel van Objectif 1 is de restauratie van het Bois du Cazier in Marcinelle, goed voor 20 miljoen euro die solidair door het Waals Gewest en de Europese Unie worden opgehoest. De site is pas sinds maart toegankelijk. Storm lopen doet het niet, ik ben op deze hete middag de enige bezoeker. Maar goed ook, want op gewijde grond past sereniteit. Op 8 augustus 1956 verloren hier 262 kompels het leven bij de grootste mijnramp uit de Belgische geschiedenis. De namen staan in een marmeren gedenksteen gegrift. Honderdzesendertig Italianen, 95 Belgen, onder wie heel wat Vlaamse pendelaars, plus nog een half dozijn andere nationaliteiten. Een multiculturele catastrofe dus, die nog vaak opduikt in het antiracistische discours van Waalse politici en vakbondsleiders.

Behalve een memoriaal voor de slachtoffers herbergt de site een ambitieus museum waarin het industriële verleden van Charleroi en omstreken met multimediale bravoure wordt voorgesteld. Steenkool, staal, machinebouw, glas, drukkerijen, chemie, elke sector heeft zijn plekje. De restauratie is nog niet afgelopen, na de tweede fase krijgt Bois du Cazier ook een horeca- en congresfunctie. Bedoeling is de site tot een groeipool van recreatief en educatief toerisme te ontwikkelen. Directeur Jean-Louis Delaet beseft het. De hybride combinatie doet enigszins afbreuk aan de herdenkingsfunctie. "Maar we mogen al blij zijn met dit resultaat", zegt hij. "Na de sluiting werden de mijninstallaties een voor een platgegooid, het leek wel alsof men zich schaamde voor die relicten uit het verleden. Het heeft weinig gescheeld of ook Bois du Cazier was afgebroken om plaats te maken voor een winkelcomplex. Daar heeft de Italiaanse gemeenschap gelukkig een stokje voor gestoken, bij de dertigste verjaardag van de mijnramp. Toch heeft het tot 1990 geduurd voor de site werd geklasseerd."

Het verleden tonen met de middelen van de 21ste eeuw, dat is volgens historicus Delaet de opdracht van zijn museum. "Zonder nostalgie", zegt hij veelbetekenend. "We mogen ons niet blijven wentelen in de glorie van staal en steenkool. De toekomst ligt elders." Delaet, zoon van een metaalarbeider met Vlaamse roots, is een overtuigde Carolo. Hij schrok geen beetje toen zijn zoon hem opbiechtte dat hij zich aan de ULB gemakshalve voor Namurois uitgaf, kwestie van denigrerende opmerkingen over 'Ville Dutroux' en 'Chicago-sur-Sambre' te ontlopen. Toch maakt de liefde voor de heimat Jean-Louis Delaet niet blind. "De stad is er sinds de jaren tachtig fel op vooruitgaan", stelt hij vast, "maar de problemen blijven reusachtig. De verpaupering is nog altijd schrijnend. In cités zoals Marchienne-au-Pont of Chatelineau waan je je in de negentiende eeuw. Het klinkt misschien gek uit de mond van een overtuigd socialist, maar wat deze stad het meeste mist, is een bourgeoisie. Die was er vroeger wel, maar in de jaren vijftig hebben de staalbaronnen en mijnbazen de stad verlaten. Die leemte valt niet zomaar op te vullen. Neem nu een initiatief zoals de Aeropole. Belangrijk als visitekaartje, dat wel. Maar de meeste kaderleden pendelen vanuit Brussel, Namen of Waals-Brabant. Wie wil er ook in Charleroi wonen? Er zijn niet eens chique winkels."

Bois du Cazier is een van de dada's van Jean-Claude Van Cauwenberghe, de voormalige burgemeester en huidige ministre-président van het Waals Gewest. Zijn naam valt meermaals tijdens mijn gesprek met Christian Renard. Deze advocaat begon zijn politieke carrière op het kabinet van burgemeester 'Van Cau'. We hebben afgesproken op het terras van la Maison des 8 Heures, het socialistische volkshuis waar je nog wordt aangesproken met camarade. Renard is niet alleen gekomen om de rol van Van Cau bij de wederopstanding in de verf te zetten, bovenal wil hij een lans breken voor Charleroi als ville culturelle. Weten we wel dat het Musée de la Photographie in Mont-sur-Marchienne in België zijn gelijke niet kent? Dat Charleroi/Danse, de opvolger van het Ballet Royal de Wallonie, zich tot een productiehuis met internationale faam heeft ontpopt? Dat het Musée des Beaux Arts een benijdenswaardige collectie Belgische topkunst herbergt? Renard betreurt de taaie vooroordelen die vooral Vlamingen jegens zijn stad koesteren. "Nochtans hebben we veel gemeen", zegt deze rondborstige liefhebber van de betere boutade en het zwaardere bier. "Carolo's hebben net als Vlamingen handen aan hun lijf. Onze grootouders werkten in de mijn of de fabriek, die van jullie op de boerderij." Ook hij wil de problemen niet verdoezelen. Dertig procent werklozen, verpauperde cités, belabberde stadsfinanciën, dat cijfer je niet zomaar weg. "Maar er is een kentering", zegt hij. "Ik bespeur minder wanhoop, jongeren durven weer te dromen van een toekomst in Charleroi. Het is met deze stad zoals met een vlinder, ook die moet eerst de stadia van rups en pop doorlopen. Nu is Charleroi nog maar een cocon, maar wees gerust, vroeg of laat ontpopt deze stad zich als een mooie vlinder."

'Ik ben een overtuigd socialist, maar wat deze stad het meeste mist, is een bourgeoisie'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234