Vrijdag 30/10/2020

Interview

Céline, Jolien en Ruben uit ‘Het gezin’: ‘We vallen nogal op. Mensen komen zeggen: jullie zijn wel hevig, hè?’

Koosnaampjes als ‘slet’ en ‘trut’, dreigend gezwaai met slagersmessen, vervelende auto-ongevallen: bij de clan Degroote, een van de zes gezinnen die elke woensdag in Het gezin op Eén worden gevolgd, is het zelden saai. Ouders Johan en Ria, die een slagerij runnen in hartje Molenbeek, hebben de handen vol met Ruben (18), Jolien (20) en Céline (21) – drie schátten van kinderen die weten wat er te koop is in het leven, als u het ons vraagt.

Het was naar verluidt een idee van jullie vader om mee te doen aan Het gezin?

Jolien: “Plots zei hij: ‘Morgen komen ze van de televisie testen of we geschikt zijn voor hun programma!’”

Céline: “We vielen totaal uit de lucht. (lacht)

Ruben: “Ik wist het wel al. We waren allemaal vrij snel gewonnen voor het idee.”

Jolien: “Alleen mama moest overtuigd worden. Maar het was vier tegen één, hè. (lacht)

Hoeveel camera’s hingen er bij jullie thuis?

Céline: “In de living hingen er vier, en in de keuken nog drie.”

Jolien: “In het begin ben je daarvan onder de indruk – ze moesten zelfs een raam uitbreken om kabels te kunnen leggen. Maar toen ze er hingen, wende het verrassend snel. We vergaten algauw dat er mensen naar ons zaten te kijken.”

Ruben: “Tot een camera werd gedraaid om je in beeld te brengen. Dan besefte je: ‘Ah ja, daar zit iemand.’”

Jolien: “Dat hadden we eerst niet door. We dachten dat alles automatisch ging: ‘Kijk, die camera’s volgen ons vanzelf!’ Tot iemand van het productiehuis ons een berichtje stuurde: ‘Nee, dat zijn wij.’ (lacht) Sindsdien lopen we niet meer naakt door de woonkamer.”

Gebeurde dat dan vaak?

Céline: “Soms. Onze kleren liggen dikwijls in de keuken. (lacht)

Ruben: “Ze zouden die beelden er wel uitgeknipt hebben.”

Jolien: “Dat hoop je toch.”

Is het niet heel erg confronterend om jezelf in alledaagse situaties te zien?

Jolien: “Het is raar, ja. Ik heb al een paar keer gedacht: ‘Oei, ben ik zó?’”

Céline: “Wat mij opviel, is hoe luid we zijn. Dat hebben andere mensen ook gezegd: ‘Jullie zijn wel een hevig gezin, hè.’ (lacht) We sparen elkaar niet. Maar je doet toch anders tegen je broer of je zus dan tegen je vrienden? Ik heb nog nooit ruziegemaakt met vrienden, maar thuis heb ik niet zo veel geduld.”

‘Amai, wij zijn echt erg’, zei iemand van jullie tijdens het bekijken van de beelden.

Céline: “Dat was ik. Je kunt niet ontkennen dat we opvallen in Het gezin, als je al die andere gezinnen keurig samen rond de tafel ziet zitten. (lacht) Bij ons gaat het er vaak heftiger aan toe.”

Ruben: “Wij zijn geen vrienden, hè. We zijn familie. Mij viel het op dat ik altijd zo scheef in de zetel zit. Ik krijg daar al mijn hele leven opmerkingen over van mijn ouders. Misschien hebben ze toch een beetje gelijk.”

Iemand van een van de andere gezinnen vond dat er nogal wat gevloekt werd bij jullie.

Jolien: “Dat zijn onze West-Vlaamse roots, denk ik. (lacht) Dat zegt papa toch altijd. We schelden elkaar uit zonder dat het kwetsend bedoeld is. Als we elkaar bijvoorbeeld ‘sletje’ of ‘trutje’ noemen, is dat eerder een koosnaam dan een belediging.”

Céline: “‘Koe’ zeggen we ook vaak.”

Ruben: “Veel gezinnen zullen dat herkennen. Maar door het contrast met de andere gezinnen in de reeks vallen wij wel op.”

Is het niet gênant om met je eerste rijles op tv te komen, Ruben? Zeker als die eindigt met een ongeval met blikschade?

Ruben: “Zo erg was het ook weer niet. Goede reclame, hè.”

Céline: “Reclame noem jij dat?”

Ruben: “Ja, ik word sindsdien overal herkend. Daarnet nog vroeg iemand op straat in Mechelen me of ik mijn rijbewijs al had gehaald – ondertussen wel, hoor. Ik veronderstel dat wel meer mensen zo’n ongeluk hebben als ze leren rijden.”

Jolien: “(spottend) Denk je dat, ja?”

Ruben: “Ik heb trouwens pas de avond na het ongeluk beseft dat alles was gefilmd. Op het moment zelf denk je niet aan de camera die boven het dashboard hangt. De programmamakers waren erg blij met de beelden, zeiden ze. (lacht)

Céline: “Ruben weet gewoon het rempedaal niet zitten: hij duwt altijd het gaspedaal in. Een paar jaar geleden probeerde hij een eindje te rijden op de boerderij van onze grootvader. Ik zat naast hem en als ik op een bepaald moment niet aan de handrem had getrokken, was hij dwars door een muur gereden.”

Ruben: “Papa had dat óók kunnen doen tijdens mijn rijles. Ik heb hem na het ongeluk gezegd dat ik alles zou terugbetalen op mijn 26ste. Ik meende dat toen echt, maar nu wat minder. (lacht)

Na het ongeluk was te zien hoe hij niet zozeer bekommerd was om zijn wagen die net in de prak was gereden, maar om jou. Hij schoot niet uit zijn slof, maar knuffelde je.

Ruben: “‘Ik zou in het ziekenhuis gelegen hebben als het mijn vader was geweest!’, zei iemand me. Ik vond het nochtans niet zo speciaal wat hij deed.”

Céline: “Ik kan me niet inbeelden dat hij in zo’n situatie boos zou worden.”

Jolien: “(knikt) Ik zou ervan geschrokken zijn als hij wél boos was geweest.”

Er wordt blijkbaar heel wat geknuffeld in jullie gezin.

Ruben: “Dat heb ik nog gehoord. Maar ik knuffel niet zo vaak met papa, meer met mama.”

Wat misschien ook niet zo alledaags is voor een tienerjongen.

Jolien: “(tegen Ruben) Jij bent gewoon een moederskindje. Bij mij is het omgekeerd: ik zal sneller over iets praten met papa dan met mama.”

Jullie ouders zijn West-Vlamingen, maar ze wonen al bijna dertig jaar in Molenbeek. Komen jullie nog vaak in West-Vlaanderen?

Jolien: “Alleen om familie te bezoeken. We spreken ook geen West-Vlaams, op een paar woordjes na, die we dan nog verbrusselen. ‘Ik ga een stute eten’, zeggen we, en dan lacht papa ons uit. Hij vindt: ofwel spreek je Brussels, ofwel West-Vlaams.”

Ruben: “We hebben thuis nochtans lang gedacht dat we Brussels spraken, tot we op school échte Brusselaars tegenkwamen. (lacht)

Céline: “We zijn alle drie in Molenbeek geboren, en als we in West-Vlaanderen komen voelt de mentaliteit er vreemd aan. Ik heb er vijf weken stage gevolgd, en als ik daar op straat naar iemand lachte, lachte die vriendelijk terug. Toen ik terug in Molenbeek was, werd ik straal genegeerd. ‘Ah ja, dit is Brussel’, besefte ik plots weer.”

Brussel is een anonieme grootstad?

Jolien: “Ja, en West-Vlaanderen is een mengeling van Thuis en Familie: iedereen lijkt er elkaar te kennen. Dat betekent ook wel dat ze sneller achter je rug om praten.”

Céline: “Het valt ons ook altijd op dat West-Vlaanderen veel racistischer is. Als we familie op bezoek krijgen, wijzen ze soms mensen na op straat: ‘Kijk daar, een zwarte!’”

Jolien: “Toen ik les volgde aan de hotelschool in Brugge, hebben we met de klas eens een uitstap gemaakt naar Brussel: de studenten waren precies op safari! ‘Kijk! Eén met een doek! En daar ook!’ (lacht) Op een bepaald moment reed de bus door onze buurt. Toen ik zei dat ik daar woonde, keken ze me met grote ogen aan: ‘Jij stapt hier gewoon rond?!’ Ze waren echt gechoqueerd.”

Céline: “Als ik laat vallen dat ik ’s avonds ga joggen in het park, vinden ze me krankzinnig.”

Ruben: “Op dat vlak is het alsof ze in West-Vlaanderen nog in een ander tijdperk leven. Iedereen ziet er hetzelfde uit: wit. In andere provincies heb je grootsteden waar de bevolking divers is, maar daar zie je dat alleen in Roeselare.”

Molenbeek heeft de laatste jaren geen al te beste naam gekregen, en niet alleen in West-Vlaanderen.

Vader Johan (komt tussenbeide): “Dat was de belangrijkste reden waarom ik ons heb ingeschreven voor Het gezin. Ik wilde Molenbeek tonen zoals de bewoners het kennen. Als er slecht nieuws te noteren valt, staan er meteen dertig journalisten om alles te filmen. Maar over al het goede hoor je nooit iets.”

Jolien: “Je hebt ook veel mooie buurten in Molenbeek, maar die zie je nooit op tv. Voor Het gezin zijn er bijvoorbeeld luchtbeelden gemaakt met een drone: er is zo veel groen in Molenbeek!”

Ruben: “Ik wist het zelf niet. Ik ga dat groen eens opzoeken.”

Voelen jullie dat de houding van mensen tegenover Molenbeek de laatste jaren is veranderd?

Ruben: “Zeker weten. Tot vóór enkele jaren moest ik altijd twee keer zeggen waar ik woon. ‘Molenbeek? Ken ik niet.’ Nu weet iederéén waar het ligt.”

Céline: “Zelfs in het buitenland kennen ze Molenbeek nu.”

Jolien: “Toen ik een tijdje geleden met een vriendin naar New York reisde, had je de ogen moeten zien van de vrouw die mijn paspoort controleerde op de luchthaven! Ze had nog nooit iemand uit Molenbeek gezien die wit was én Nederlands sprak. Ze begon allerlei vragen te stellen – of het er nu echt zo gevaarlijk was. Dat vond ik wel erg.”

Céline: “Alsof we in oorlogsgebied leven!”

Jolien: “Die mensen zouden beter eens een tijdje hier doorbrengen, denk ik dan.”

Is die diversiteit ook op school te merken?

Ruben: “Al in het eerste leerjaar.”

Jolien: “In een klas van 24 waren we op een bepaald moment met drie flamands, zoals we door de anderen werden genoemd. Als je elke dag met mensen van een andere afkomst samenleeft, laat je je vooroordelen snel vallen.”

Céline: “Maar toen ik Latijn-wetenschappen ging studeren, zat er in de klas plots nog maar één leerling met een andere achtergrond.”

Zien jullie je later nog in Brussel wonen?

Jolien: “Dat weet ik niet. Het is hier tof, maar ook erg druk. Ik zou liever in de rand wonen, denk ik. Dan ben ik nog altijd in de buurt van Brussel, maar weg van de grootste drukte.”

Céline: “Ik ook. Of in Gent. Zolang het maar groot genoeg is: ik hou ervan om alles dicht in de buurt te hebben. Als ik ons vergelijk met jongeren die elders opgegroeid zijn, ben ik erg dankbaar dat we in Brussel geboren zijn.”

Ruben: “Ik ook. De mensen zijn hier misschien wat norser op straat, maar dat moet je er maar bij nemen. Als je in Brussel bent opgegroeid, kun je alles aan.”

‘Mama heeft geen gezag’, lieten jullie je ontvallen toen jullie de beelden herbekeken.

Jolien: “Maar het is ook zo! (lacht)

Céline: “Papa heeft wél gezag. Als ik Ruben echt op de kast wil jagen, zeg ik dat ik papa erbij zal halen.”

Ruben: “Als we tv-kijken en we horen papa de trap opkomen, dan springen we overeind om snel iets te doen. Nietsdoen is een zonde volgens hem: als hij doorheeft dat je niets omhanden hebt, moet je beneden in de slagerij gaan staan.”

De allergie van de zelfstandige voor nietsdoen?

Céline: “Ik denk het. We hebben altijd ingepeperd gekregen dat je hard moet werken. Als kind hielpen we al in de winkel – dan moesten we broodjes smeren of zo. En we hebben er vakantiejobs gedaan.”

Ruben: “Papa zegt altijd dat hij tot de generatie behoort die én voor de ouders én voor de kinderen moet werken. Tot hij getrouwd was, moest hij zijn geld afgeven aan zijn ouders, en daarna ging het naar zijn kinderen.”

Dus jullie vader is…

Jolien: “...de boeman.”

Ik wilde ‘de autoriteit’ zeggen, maar goed.

Céline: “Het is nochtans zo. (lacht) Hij kan heel lief zijn, maar het is zíjn huis, laat hij ons graag verstaan. Wij moeten ons schikken naar zijn regels.”

Jolien: “Zo is het vast in elk gezin: zolang je thuis woont, moet je de regels van het huis respecteren.”

Ruben: “Vroeger dacht ik dat mijn ouders niets meer te zeggen zouden hebben zodra ik 18 was. Dat is toch anders uitgedraaid (lacht). Papa durft nog altijd mijn gsm af te pakken.”

Iedereen woont nog thuis, voelen jullie niet de drang om uit te vliegen?

Céline: “Ik zit op kot in Leuven – ik begin aan mijn laatste jaar. In het begin was dat wel een bevrijding: je kunt doen wat je wilt, en al je vrienden wonen in de buurt. Andere studenten zijn vaak blij dat ze in het weekend naar huis kunnen gaan of hebben soms heimwee, maar ik heb dat nooit gevoeld.”

Zouden jullie met alles terechtkunnen bij jullie ouders?

Jolien: “Ik denk het wel.”

Céline: “Er zijn ook dingen die je hun niet moet vertellen, vind ik. (snel) Maar veel valt er ook niet te vertellen. We zijn écht brave kinderen.”

Heb ik in een vorige aflevering niet gezien hoe jullie samen op Tinder aan het swipen waren?

Jolien: “(lacht) Dat was op het account van Céline.”

Céline: “Ik heb dat eens in een zatte bui aangemaakt, voor de grap. Dat swipen is supertof. Nu ja, toch de eerste week. Maar ik heb het nooit echt serieus genomen, het was meer om te lachen. Het is lang geleden dat ik het nog eens heb gebruikt.”

Ruben: “Veel meisjes maken zo’n profiel om te zien hoe ze in de markt liggen. Jongens menen het sneller als ze zo’n account aanmaken.”

Jolien: “Dat zou ik nu ook weer niet zeggen.”

Hebben jullie een vaste vriend of vriendin?

Céline: “Nee, nog niemand van ons.”

Jolien: “Nu zijn we nog te yolo, hè.”

Ruben: “Ja, we hebben nog genoeg tijd.”

Mochten jullie op een dag toch iemand vinden, zouden jullie hem of haar snel meebrengen naar huis?

Céline: “Alleszins niet als het een hele vertoning zou worden.”

Ruben: “Dat lijkt zo officieel en geforceerd. Zo zou ik het alleszins niet willen doen.”

Zou de mening van jullie ouders ertoe doen?

Jolien: “Totaal niet.”

Céline: “Voor mij ook niet.”

Ruben: “Het zou ook al heel gek moeten lopen voor ze iemand zouden afkeuren. Jongen of meisje, om het even welke kleur zou goed zijn. Ze vertrouwen ons in onze keuze.”

Zouden jullie ooit zelf een gezin met drie kinderen willen?

Jolien: “Ik wil sowieso meer dan één kind, want anders zou het eenzaam zijn. Maar drie? Dat lijkt me net eentje te veel.”

Céline: “Vooral als het aankomt op autozitjes en hotelkamers, zoals we zelf hebben mogen ondervinden. (lacht) Twee lijkt me ideaal.”

Ruben: “Met onze ouders erbij zijn we thuis met vijf: op zich is dat niet zo veel. Vroeger kregen mensen tien of elf kinderen, dat lijken me pas grote gezinnen. Dan valt een gezin met drie kinderen nog mee.”

Jolien: “Géén kinderen krijgen lijkt me uitgesloten. Dan ben je toch eenzaam op latere leeftijd?”

Céline: “Dat vind ik ook. Je hebt dan wel je vrijheid, maar je leven zou ook saai zijn.”

Ruben: “Vrienden van me zeggen dat ze later geen kinderen willen: ze kunnen die verantwoordelijkheid niet aan. Maar dat kan nog veranderen. We zijn nog jong, hè. Je moet toch eerst van het leven genoten hebben voor je aan kinderen begint? Op je 30ste heb je al wat meegemaakt en ben je nog jong genoeg: dat lijkt mij de ideale leeftijd om eraan te beginnen. Ik zou ook graag al een carrière hebben vóór ik aan kinderen begin.”

Die carrière zal zich blijkbaar afspelen in de showbizz: sinds kort maak je deel uit van BOBBY, de boysband van Miguel Wiels en Niels Destadsbader. Stoort de term ‘boysband’ je of draagt die geen stigma meer?

Ruben: “Een boysband is voor veel mensen een groepje van vier of vijf jongens die in hetzelfde pakje iets staan te zingen. Maar wij hebben elk een totaal ander karakter en een andere stijl.”

Hoe ben je bij BOBBY terechtgekomen?

Ruben: “Door een auditie. Ik zag de oproep van Niels Destadsbader op Instagram toen ik bij mijn grootmoeder in West-Vlaanderen op bezoek was. Ik ben meteen de tuin in gelopen om een auditiefilmpje op te nemen. Het was blijkbaar goed genoeg.”

Je was zes jaar geleden al door de selecties van Junior Eurosong geraakt. Vanwaar die fascinatie voor al wat schittert?

Ruben: “Die is begonnen met Junior Eurosong. Als kind leek het me geweldig om aan zoiets te kunnen meedoen, en we speelden de optredens thuis na. We maakten onze eigen shows, die we op familiefeesten opvoerden. De aandacht die we kregen, vond ik zo leuk dat ik die richting uit wilde. Na een paar keer proberen ben ik in Junior Eurosong geraakt met KETZ, zoals onze groep toen heette. Ryan en Aaron, de twee andere jongens met wie ik daarin zat, maken nu deel uit van BOBBY – een ongelooflijk toeval.”

Je bent tegelijk wel aan een studie psychologie begonnen.

Ruben: “Met maar één ding bezig zijn vind ik te eng. Nu heb ik nog een leven buiten BOBBY. Ik volg wel maar twee vakken, samen goed voor dertien studiepunten. Om jezelf officieel student te mogen noemen, moeten het er 27 zijn. Ik laat mijn studietraject voorlopig nog afhangen van hoe goed het met BOBBY gaat. Het vorige academiejaar heb ik even media- en entertainmentbusiness gestudeerd aan de hogeschool, maar dat lag me niet zo. Het businessonderdeel van de opleiding bleek niets voor mij. (lacht) Ik moet gemotiveerd zijn om iets af te werken, en de motivatie ontbrak toen.”

Céline: “Zeg dat wel. Een week voor de start van de examenperiode kwam je me vragen hoe je online je examenrooster kunt zien. Núl stress, dat is Ruben.”

Ruben: “Carpe diem. (lacht) Stress is toch nergens goed voor? Op mijn rijexamen heb ik de hele tijd met de examinator gepraat, en op het einde was ik geslaagd. Waarom zou ik nerveus zijn?”

Céline: “Ik heb hem ooit horen zeggen: ‘Ik denk dat ik in de top tien van luiste mensen ter wereld zit!’ (lacht)

Jolien, jij hebt tijdens de opnames van Het gezin stage gedaan bij Likoké, het restaurant van Piet Huysentruyt in de Ardèche. Hoe was je daar beland?

Jolien: “Ik studeer hotelmanagement omdat ik ooit een hotel wil runnen, als voorbereiding heb ik de laatste twee jaar van het middelbaar les gevolgd aan de hotel- en toerismeschool Spermalie in Brugge. Ik stond niet in de keuken bij Likoké: ik diende er op en gaf elke gast uitleg bij de gerechten.

“Ik had niet verwacht dat ik in een sterrenzaak zou terechtkomen: je kon dat wel vragen op je stageformulier, maar dat had ik niet gedaan. Zo veel chichi is niets voor mij, dacht ik. Maar dat was daar helemaal niet het geval. Ik wilde wel mijn Frans bijschaven, maar al het personeel van Likoké sprak Nederlands, net als 90 procent van de klanten. (lacht)

Is het geen harde wereld?

Jolien: “Dat wel. Je begint ’s ochtends vroeg en je stopt niet voor 1 uur ’s nachts. Maar toch was het keileuk om dat te mogen meemaken. De sfeer onder het personeel was ook heel goed, we verbleven met z’n allen in een appartement.”

Céline, jij bent net begonnen aan je laatste jaar kinesitherapie. Ben jij de student van de drie?

Céline: “Sowieso. Jolien heeft heel veel tijd nodig om iets in te studeren, en Ruben kan zich niet goed concentreren. (lacht) Bij mij gaat het vlotter, ik zie niet eens op tegen examens.”

Jolien: “Ik vind het opvallend hoe vlot Céline studeert. Ze studeert in blokken van 55 minuten, en als je het waagt haar één minuut vroeger te storen, jaagt ze je buiten.”

Céline: “Dan ben ik supergeconcentreerd. Papa snapt dat ook niet, hij vindt zelfs dat ik soms overdrijf. Maar hij heeft niet gestudeerd, dus hij kan zich niet inbeelden hoe je leeft als student. Als ik op donderdag uitga, spreekt hij daar schande van – midden in de week uitgaan, hoe kom ik erbij! (lacht)

Ruben: “En dan begint hij weer over hoe het eraan toeging toen hij 18 was. Die vergelijking slaat natuurlijk nergens op.”

Als ik het goed begrijp, is niemand van jullie van plan de slagerij over te nemen?

Céline: (lacht)

Jolien: “Absolúút niet. Jamais.”

Ruben: “Ik heb het wel lang achter de hand gehouden – als plan Z, bij wijze van spreken. Maar telkens als ik beneden even in de winkel sta om bij te springen, laat ik dat idee weer varen. Dan besef ik plots weer waarom ik moet studeren.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234