Vrijdag 18/09/2020

InterviewBoeken

Catel verstript het leven van René Goscinny: ‘Hij is de enige man die ik kan tekenen’

Catel: ‘Alle citaten uit mijn boek komen rechtstreeks uit de mond van René Goscinny.’ Beeld AFP

Bijna drie weken geleden overleed tekenaar Albert Uderzo. Het sterke Gallische opdondertje Asterix is een wees geworden, want zijn scenarist René Goscinny stierf al in 1977. Tekenares Catel vertelt diens verhaal in een biografische striproman. ‘Humor was Goscinny’s wapen.’

De stresstest die René Goscinny (1926-1977) onderging bij zijn cardioloog, betekende zijn einde: hartinfarct op de oefenfiets. Jaren later trok zijn getraumatiseerde dochter Anne naar diezelfde cardioloog. In haar zak: een luchtpistool. Met die opvallende anekdote start de gelauwerde strip­biografie over de scenarist van onder meer Lucky Luke en Asterix. Het boek legt dankzij zijn dochter meer bloot over Goscinny dan elke andere biografie. Nochtans was het werk er bijna niet gekomen.

“Onmogelijk, ik ben alleen geïnteresseerd in vrouwenlevens. En jouw vader was een man.” Dat was de kordate repliek van de Parijse auteur Catel (55, nom de plume van Catherine Muller) op de vraag van Anne Goscinny (51) om een biografische strip­roman te maken over haar vader René, geboren in Parijs als telg van een Joodse familie uit Oost-Europa.

“Ik had nog wel meer redenen waarom ik geen drie jaar aan een beeldroman over René Goscinny wilde werken”, vult Catel aan. “Er zijn al genoeg biografieën over hem geschreven. Wat kon ik daaraan toevoegen? Bovendien was hij te bekend voor mij. De vrouwen aan wie ik grafische bio’s wijd, waren dat amper, met uitzondering misschien van Josephine Baker (danseres en verzetsheldin, GDW). Maar zij dankt haar bekendheid dan weer aan de verkeerde redenen.”

Feministische vrouwen staan sinds jaar en dag centraal in het oeuvre van Catel. In een hoekje van haar tekenatelier in het 19de arrondissement van Parijs staan haar laatste boeken opgestapeld – zonder uitzondering dikke pillen van 300 tot 500 pagina’s. In het ene boek staat Kiki de Montparnasse, de levensgezellin van Man Ray, centraal. Andere zoomen in op actrice Mylène Demongeot, politiek activiste Marie Gouze/Olympe de Gouges of journaliste Benoîte Groult.

Het is midden februari en de coronacrisis is nog even ver weg. Over enkele weken moet Catel naar de inhuldiging van een standbeeld van Goscinny, en ook al is het boek in Frankrijk al wat langer uit, haar agenda staat nog steeds vol interview­afspraken over het boek. “Het zijn drukke tijden”, zegt ze. “Het boek gaat nog steeds over de tongen.” Ze grijnst. “Dat doet deugd, want aan zo’n boek werk je vele jaren.”

Toch bedankte u in eerste instantie voor de eer. Jamais, zei u aan Anne Goscinny, die u vroeg dit boek te schrijven.

Catel: “Ik moet bekennen dat ik Anne met een smoesje naar een koffiehuis heb gelokt. Anne staat in Frankrijk bekend als een uitstekend schrijver. Ze publiceerde enkele romans bij Grasset, waaronder Le père éternel, over haar vader. Ik was al jaren fan van haar en wilde eigenlijk niet meer dan mijn exemplaar laten signeren. Dus toen ze telefonisch polste of ik zin had in een biografie over haar vader, was die handtekening mijn enige beweegreden om met haar af te spreken. (verontschuldigend) Ik moest haar dan wel vertellen dat ik het boek over haar vader niet wilde maken.”

Uit: 'Het verhaal van de Goscinny’s'.Beeld rv

Waarom veranderde u van mening?

“Ik was verrast dat ze me intieme dingen over haar leven vertelde. Langzaamaan werden we vriendinnen. Ze zei dat ze van mijn tekeningen hield, ik hield van haar persoonlijkheid en schrijfstijl. De tweede reden zit hem in het feit dat haar vader mijn artistieke vader is. Goscinny inspireerde me al van kindsaf. Hij is de enige man die ik kan tekenen, denk ik. Dit boek kwam er dus ook uit dankbaarheid.

“Nu, toen ik uiteindelijk toch overstag ging, hoorde ik Anne een maand niet meer. Niet telefonisch, niet per mail. Na die maand biechtte ze op dat ze sinds mijn toezegging elk dag een afspraak had met haar psychiater – zo veel bracht het project teweeg. Het was opwindend voor haar, maar ook moeilijk.”

Dat heeft wellicht alles te maken met de eigenaardige proloog van je boek, waarin Anne naar de cardioloog trekt bij wie haar vader op 51-jarige leeftijd overleed. Ze bedreigt hem met een luchtpistool. Echt gebeurd?

Ah, oui! Ze schreef er al eerder over in het boek over haar papa. Anne is een grappige, aardige, charismatische, maar dus ook wat vreemde meid. Het was haar manier van wraak nemen. Stel je voor: ze was negen toen haar vader voor een medisch onderzoek naar zijn cardioloog ging en er een hartinfarct op de oefenfiets kreeg. Dat was hard voor haar. Op achttienjarige leeftijd moest en zou ze die arts daarmee confronteren.”

Zijn antwoord was nuchter: ‘Ik verwachtte u al.’

“Omdat hij zich er nooit goed bij heeft gevoeld. Het was een groot schandaal toen Goscinny stierf, want het was de fout van de cardioloog. Door Goscinny’s dood werd de wetgeving veranderd: je kunt in Frankrijk geen cardiotest meer ondergaan in een dokterspraktijk. Nu moet je daarvoor naar een hospitaal en zijn assistenten daarbij verplicht.”

Waarom moest Anne – en bij uitbreiding uzelf – zo’n grote rol spelen in het boek?

“Alle citaten uit mijn boek komen rechtstreeks uit de mond van René Goscinny. Samen met haar man heeft Anne het Institut René Goscinny opgericht en beschikt ze over een enorm archief met miljoenen pagina’s interviews. Ik kon alles gebruiken: video’s, tv-opnames, geschreven interviews… Drie maanden lang heb ik de zinnen gemarkeerd die ik wilde gebruiken.

“Maar er zijn periodes in zijn leven waarover hij nooit vertelde – zoals de shoah; dat heeft hij maar één keer aangehaald – en dus moest ik Anne opvoeren om die gaten te vullen. Ze moest dan natuurlijk spreken tegen iemand, en dat werd ik. Ik ben enkele weken naar haar huis in Zuid-Frankrijk gegaan om haar te interviewen over de oorlog, Goscinny’s leven in armoede, zijn moeder, hoe veel van zijn familieleden omkwamen in de concentratiekampen – heel intens allemaal.”

Uit je boek leer ik dat Goscinny als kind verlegen was. Humor heeft hem gered, hebt u eens gezegd.

“Ik denk het wel. Humor was een verdedigingsmiddel om zich een weg te banen door al die rauwheid, maar het hielp hem ook met zijn verlegenheid. Op de speelplaats gebruikte hij zijn humoristische tekeningen al in een poging om vrienden te maken.”

Toch werd hij geen tekenaar, wel scenarist.

“Hij was op jonge leeftijd al een goede tekenaar. Hij ondervond echter een groot probleem: hij ontmoette Morris, Jijé en Uderzo (tekenaars van respectievelijk Lucky Luke, Jerry Spring en Asterix, GDW), volgens hem ’s werelds beste tekenaars. Als hij daarin verder was gegaan, zou hij mogelijk ook een grote zijn geworden. Het ontbrak hem alleen de tijd om te groeien in het tekenen. Schrijven ging hem beter af. Het ging ook sneller. De tekenaars die hij zo bewonderde, waren op hun beurt helemaal weg van zijn gevoel voor humor, en ze spoorden hem aan om dat talent in verhalen te gieten.”

Ik wist ook niet dat hij vooral beïnvloed was door de Amerikaanse en Spaanse literatuur.

“Velen weten ook niet dat hij lang in Argentinië heeft gewoond. Zijn familie verruilde Parijs voor Buenos Aires toen hij twee jaar was. Daar heeft hij weinig Franse auteurs gelezen, wel veel Spaanse en Amerikaanse. Mark Twain, James Thurber: van hun werk was hij fan – ook toen hij later in New York woonde. Pas op dertienjarige leeftijd, toen hij terugkeerde naar Parijs, kwam hij in contact met Franse klassiekers en begon hij Victor Hugo te lezen. Maar evenzeer hield hij van de cultuur van de cowboys, de pampa’s, het Wilde Westen. Hij kon dus putten uit een rijke inspiratie.”

En u? Waarom tekent u altijd biografieën? Dat is toch een immens werk.

“Ja, het is moeilijk, soms zelfs wat wetenschappelijk. Ik werk gemiddeld zo’n drie jaar aan een boek. Idem voor dit boek, terwijl dit slechts het eerste deel is en pauzeert bij de geboorte van Asterix. Ik kijk veel naar documentaires omdat het allemaal juist moet zitten: de architectuur, de kledij uit die tijd, de taal en woordkeuzes… Maar ik hou ervan. De realiteit is soms opwindender dan de fictie. Josephine Bakers leven bijvoorbeeld, dat kun je toch niet verzinnen? Niemand zou je geloven. Iemands leven tekenen en intussen de psychologie van je hoofdpersonage doorgronden, is tijdrovend maar ook fantastisch.”

Catel, Het verhaal van de Goscinny’s, De Geus, 344 p., 24,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234