Zaterdag 03/12/2022

'Carol, het verhaal eindigt hier'

Schreef Raymond Carver zijn verhalen wel zelf?

door Hans Bouman

Raymond Carver werd bewonderd om zijn kale stijl. Voor jongere lezers (en schrijvers) zette hij de wereld op haar kop. 'Dirty realism' noemde Bill Buford van het tijdschrift Granta zijn manier van schrijven, en daarna maakte Carver school. Twaalf jaar na zijn dood zijn er alsnog vijf 'nieuwe' verhalen aan zijn oeuvre toegevoegd en rijst de vraag naar de betekenis van dit zo Amerikaanse werk. Schreef hij het wel zelf? Onderzoek wijst uit dat zijn redacteur Gordon Lish ('Captain Fiction') soms zeventig procent van de verhalen drastisch veranderde. En anders breide zijn weduwe er wel een (beter) slot aan.

Raymond Carver

Samengesteld door William F. Stull, met een voorwoord van Tess Gallagher Harvill Press, Londen, 300 p., £ 15.

Begin vorig jaar ontdekte Tess Gallagher, weduwe van de in 1988 overleden schrijver Raymond Carver, een drietal 'nieuwe' verhalen in de bureauladen van haar echtgenoot. Omdat de bevriende Esquire-redacteur Jay Woodruff de mede-ontdekker was, werden ze gepubliceerd in zijn tijdschrift. Vervolgens ontdekten literatuurprofessor William Stull en zijn vrouw Maureen Carroll op de Ohio State University nog twee andere Carver-verhalen. Nu, anderhalf jaar later, is het vijftal in boekvorm verkrijgbaar, aangevuld met een hele reeks andere teksten, variërend van boekbesprekingen en jeugdwerken tot inleidingen en beschouwingen. En zo hebben we, twaalf jaar na zijn dood, alsnog een 'nieuwe' Carver: Call If You Need Me: The Uncollected Fiction and Prose. De ondertitel van het boek is overigens op zijn zachtst gezegd misleidend, want op de vijf verhalen na werd vrijwel de gehele inhoud eerder gepubliceerd in de verzamelbundels Fires (1984) en vooral No Heroics, Please (1991).

De reden dat Call If You Need Me 300 pagina's dik is, in plaats van de 70 die de vijf nieuwe verhalen beslaan, is vermoedelijk meer een financiële dan een literair-esthetische. Een dik boek levert immers meer inkomsten op. Hoewel zelf ook schrijver, is Tess Gallagher aanzienlijk minder succesvol dan wijlen haar echtgenoot, en moet ze het vooral hebben van diens literaire nalatenschap.

De publicatie van wat nu toch echt Carvers allerlaatste boek lijkt te zijn, is een aardige gelegenheid de balans op te maken van een schrijverschap, waarover zonder aarzeling kan worden gezegd dat het van grote invloed is geweest op de Amerikaans letteren van de laatste kwarteeuw. In die periode zijn Raymond Carver en de manier van schrijven waarvoor hij stond, uitgegroeid tot een begrip. Zoals er - terecht of ten onrechte - wordt gesproken van een 'Lost Generation' (iconen: Hemingway, Fitzgerald), een 'Beat Generation' (Kerouac, Ginsberg), een 'Joodse School' (Bellow, Roth) en 'Postmodernisten' (Pynchon, Barth), is Carver uitgeroepen tot de peetvader van het 'Dirty Realism', ook wel 'Minimalism' genoemd.

In de meeste interpretaties overlappen beide begrippen elkaar overigens niet helemaal. De term Dirty Realism verwijst vooral naar de onderwerpskeuze van de auteurs en de sfeer van hun werk: de (dikwijls niet expliciet genoemde) post-Vietnam, post-hippy, post-Woodstock kater van de jaren zeventig en tachtig, en het daarmee gepaard gaande gevoel van desillusie en machteloosheid. Naast de alom als boegbeeld beschouwde Carver worden onder meer Tobias Wolff, Gerald Ford, Bobbie Ann Mason en Jayne Anne Phillips tot deze stroming gerekend. De Minimalists werden vooral bij elkaar gezet vanwege hun kale, uitgebeende stijl van schrijven (naast Carver onder meer Frederick Barthelme, Mary Robison, Janet Kaufmann en Barry Hannah). Voor alle genoemde auteurs geldt echter een aarzeling of zelfs afkeer jegens het doen van 'grote uitspraken over de mens en zijn plaats in het universum'. Ze werken op een bescheiden canvas, beschrijven kleine gebeurtenissen, zo niet letterlijk dan toch figuurlijk dicht bij huis.

De man die zonder het te willen de aanvoerder werd van deze elkaar deels overlappende stromingen, werd op 25 mei 1938 geboren in Claskanie, Oregon, een plek waar zijn uit Arkansas afkomstige ouders naartoe waren getrokken, gedurende de crisisjaren. Vader Carver bracht het niet verder dan arbeider in een houtzagerij, en hoewel zijn zoon al vroeg schrijfambities had, was een gedegen opleiding niet voor hem weggelegd. Hij vervulde vooral blue collar jobs, zoals dat van arbeider in een houtzagerij, en trouwde op zijn negentiende met zijn zestienjarige schoolvriendinnetje Maryann Burk. Het stel kreeg al snel twee kinderen. Ray werkte overdag om in hun onderhoud te voorzien, en probeerde 's avonds een opleiding te volgen. Zoals een cursus creative writing bij de auteur/essayist John Gardner, in 1959.

In 1961 publiceerde hij zijn eerste verhaal, 'The Furious Seasons', in een regionaal tijdschrift. Er zouden er vele volgen, maar bekend werd Carver er niet mee, laat staan dat hij er de kost mee verdiende. In 1967 werd het gezin bankroet verklaard. Carver was inmiddels stevig aan de drank. De zaken namen een gunstige keer toen Gordon Lish, die Carver kende uit het café, in 1969 werd aangesteld als fictieredacteur van Esquire. Lish had beloofd bij het tijdschrift een grondige schoonmaak te houden en nieuw talent te ontdekken. Hij zorgde ervoor dat Carver voor het eerst in een groot, overal in Amerika verkrijgbaar tijdschrift werd gepubliceerd. Andere publicaties volgden, en Carver kreeg diverse tijdelijke aanstellingen als docent creative writing aan universiteiten. Desondanks sloeg in 1974 het noodlot opnieuw toe. Onder invloed van grote gezinsproblemen - deels het gevolg van zijn toenemende drankgebruik - moest Carver ontslag nemen als docent. Het gezin zat voor de tweede keer helemaal aan de grond.

Het jaar 1976 werd het meest bizarre in Carvers leven. Zijn eerste verhalenbundel, Will You Please Be Quiet, Please?, werd gepubliceerd en kreeg positieve recensies. Maar hij werd ook in het ziekenhuis opgenomen met acute alcoholvergiftiging. Kort daarna gingen hij en zijn vrouw uit elkaar. Een jaar later, toen Carver definitief was gestopt met drinken, werd een verzoeningspoging ondernomen - tevergeefs. In 1978 werd het huwelijk beëindigd. Kort daarna leerde Carver Tess Gallagher kennen. Zij zou tot zijn dood, tien jaar later, zijn levensgezellin en literaire compagnon blijven. Daarna werd ze zijn grootste voorvechtster.

In 1981, met de publicatie van zijn tweede verhalenbundel, What We Talk About When We Talk About Love, brak Carver definitief door. Hoewel hij al twintig jaar schreef, werd hij nu algemeen geroemd als de brenger van een nieuwe literair boodschap, de heraut van een nieuwe generatie schrijvers. De prijzen en nominaties voor zijn derde bundel, Cathedral (1984), bevestigden zijn status. Granta-hoofdredacteur Bill Buford had inmiddels de term 'Dirty Realism' aan Carvers werk gegeven, een benaming die internationaal aansloeg en veel bijdroeg aan de verdere verspreiding van het werk van Carver en van zijn collega's, hoezeer bijna alle auteurs hun twijfels hadden over het etiket zelf.

Toen Carver in augustus 1988 aan longkanker overleed, was de internationale literaire kritiek eenstemmig in zijn oordeel dat een van de grootste na-oorlogse Amerikaanse schrijvers was heengegaan. Na jarenlang het speeltje te zijn geweest van intellectuelen op universiteiten, was de literatuur dankzij Carver in de jaren tachtig weer terug onder de mensen gekomen, zo luidde de teneur van menige necrologie.

Jay McInerney, ooit student creative writing van Carver, zei het zo: "Carvers manier van schrijven opende ons de ogen. Bij hem waren de forellen in de rivier door vervuiling misvormde mutanten, en de romantiek van het drinken werd bij hem vervangen door de grauwe uitzichtloosheid van het alcoholisme. Sommige critici vonden zijn werk daarom deprimerend. Maar voor veel jonge schrijvers wat het juist uitgesproken bevrijdend."

Daarna kwam echter de onvermijdelijke terugslag. Na in de jaren zeventig en vooral tachtig te zijn geroemd als een bevrijding van het academisme der Postmodernisten, werd de schrijfstijl van Carver in de jaren negentig steeds vaker als een beperking ervaren. A.O. (Tony) Scott, criticus van The New York Times schreef: "De groeiende afkeer van Carvers proza, zoals die na zijn dood is ontstaan, betrof vooral zijn invloed op andere schrijvers. Hoewel Carver ook in zijn tijd als cursussen creative writing volgde, kwamen de creative writing-programma's op de universiteiten pas echt tot bloei gedurende de jaren tachtig, toen zijn schrijfstijl hoogtijdagen doormaakte. Veel schrijvers die in de periode opkwamen zijn dan ook sterk door hem beïnvloed. Ze schreven korte zinnen waarin zuiver objectieve observaties worden gedaan; heel afstandelijke verhalen en met weinig psychologische diepgang. Toen Carver dat deed was het iets nieuws. Hij zette zich, bewust of onbewust, af tegen de generatie schrijvers voor hem. De verhalen hadden een avant-garde status, veroorzaakten een schok. Ze werden opgevat als een experimentele, deconstructivistische benadering van fictie. Maar in de tweede helft van de jaren tachtig en daarna werd die stijl van schrijven een maniertje. We werden overstroomd met slechte Carver-imitaties. Dat zie je altijd: als er een groot talent opduikt, volgen in zijn kielzog de imitators."

Ongetwijfeld speelde het feit dat Carver een zeer eigenzinnige, schijnbaar gemakkelijk te imiteren stijl had, daarbij een rol van betekenis. Wat dat betreft is er een parallel te trekken met Ernest Hemingway, ook iemand die zijn proza uitbeende tot hij nog slechts 'true sentences' overhield. Jeffrey Lent, die dit voorjaar debuteerde met de lange en juist behoorlijk bloemrijk geschreven roman In the Fall (onlangs vertaald als De herfst, uitgegeven door Prometheus en vorige week in De Morgen Boeken gerecenseerd; nvdr), zegt daarover: "Iedere mannelijke Amerikaanse auteur schrijft ooit tenminste één slechte Hemingway-imitatie, en ik geloof dat met Carver de afgelopen jaren iets vergelijkbaars is gebeurd. Carver spreekt tot veler verbeelding omdat hij zo'n herkenbare manier van schrijven had. Maar zijn invloed heeft de Amerikaanse letteren meer kwaad dan goed gedaan."

Met dat laatste is Scott het niet geheel eens. Hij vindt dat je een schrijver niet kunt verwijten dat hij slechte imitators heeft. Wel vindt Scott het terecht dat Carvers ooit bijna goddelijke status de laatste jaren is gerelativeerd. "Als je zijn verhalen nu leest, zijn ze - naar mijn mening althans - nogal kunstmatig. Hun effecten zijn een beetje goedkoop, zoals ze midden in de beschreven gebeurtenissen beginnen en eindigen. Ze zijn moedwillig desoriënterend en hebben iets gimmick-achtigs. Volgens mij probeerde Carver echter iets heel anders te bewerkstelligen dan avant-gardistisch proza schrijven. Iets veel traditionelers. Carver zag schrijven vooral als een bezigheid waarin geloofwaardigheid en verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van je personages voorop dienden te staan. In zijn hart was hij een traditionalist en moralist. Niet voor niets werd hij als schrijver mede gevormd door John Gardner, auteur van On Moral Fiction."

Blijft de vraag: waarom daarvan in zijn beroemdste bundel, What We Talk About When We Talk About Love, dan zo weinig te merken is? Het antwoord luidt: Gordon Lish. Toen deze buitengewoon eigenzinnige figuur, bekend als 'Captain Fiction', Carver eind jaren zeventig onder zijn hoede nam, had hij het vaste voornemen Esquire van spraakmakende auteurs te voorzien, die duidelijk zijn stempel zouden dragen. Hetzelfde deed zich voor toen Lish en aantal jaren later redacteur werd bij de befaamde New-Yorkse uitgeverij Alfred A. Knopf. Lish werkte keihard aan een eigen 'stal' van schrijvers, in latere jaren 'the school of Lish' genoemd, die naast Carver onder andere bestond uit Barry Hannah, Janet Kauffman, Mary Robison en Raymond Kennedy. Wie het werk van deze auteurs leest, constateert dat ze zich stuk voor stuk bedienen van het 'kale', uitgebeende proza waarmee Carver beroemd is geworden.

Toen de criticus D.T. (Dan) Max zich twee jaar geleden verdiepte in de verzameling brieven en manuscripten van Carver in de Lilly Library van Indiana University, deed hij een reeks interessante ontdekkingen. De manuscripten van Carvers eerste twee bundels, Will You Please Be Quiet, Please? en What We Talk About When We Talk About Love bleken zo hevig te zijn geredigeerd, dat je je kon afvragen wie de uiteindelijke auteur was, Carver of Lish. In sommige gevallen had Lish 70 procent van de oorspronkelijke tekst weggestreept, in de meeste zo'n 50 procent. Complete paragrafen waren toegevoegd, en bij tien van de dertien verhalen in de tweede bundel werd het einde door Lish herschreven. "Carol, het verhaal eindigt hier," schreef hij bij één ervan, ten behoeve van de typiste. Onvermijdelijke conclusie: de stijl waarmee Carver zo beroemd werd, is grotendeels het werk van Gordon Lish.

Naast deze bewijzen van uiterst ingrijpende redactie, vond Max een aantal brieven van Carver aan Lish, waarin deze zijn redacteur smeekte de verhalen minder ingrijpend te bewerken: "Alsjeblieft Gordon, in godsnaam help me en probeer het te begrijpen (...) Mijn geestelijke gezondheid staat op het spel. Als het boek in deze vorm wordt gepubliceerd, zal ik misschien wel nooit meer een verhaal schrijven." Het boek in kwestie was What We Talk About, en werd uiteindelijk gepubliceerd zoals Lish dat wilde. Het was voor het laatst. Toen hij in augustus 1982 het manuscript van Cathedral inleverde, schreef Carver aan Lish: "Ik kan niet opnieuw een dergelijke chirurgische amputatie en transplantatie ondergaan" en hield het been stijf. Lish gaf toe. "So be it." Maar inmiddels was de relatie tussen schrijver en redacteur danig bekoeld. Ze zouden niet meer samenwerken.

Vandaag de dag wenst Lish niet meer over zijn samenwerkingsverband met Carver te spreken. Via een secretaresse van de kleine uitgeverij die zijn eigen romans publiceert, Four Walls and Eight Windows, laat hij weten niet langer in Carver te zijn geïnteresseerd. Maar tegenover Max verklaarde hij zich "verraden" te voelen door "de schrijnende ondankbaarheid van het middelmatige mannetje dat ik uit de obscuriteit heb geplukt". Lish werd in 1994 door Knopf ontslagen, omdat de auteurs uit zijn 'stal' bij het lezerspubliek uit de gratie waren geraakt. Dat hij in Amerikaanse literaire kringen nog altijd een bijna mythische reputatie geniet, bleek onlangs nog: in David Leavitts jongste roman Martin Bauman speelt een door Lish geïnspireerd personage een belangrijke rol.

Dat Carver zich jarenlang volgzaam heeft opgesteld tegenover Lish, komt ongetwijfeld door het feit dat Lish hem voor het voetlicht had gebracht. Het is de vraag of de wereld zonder Lish ooit van Carver had vernomen. Iets anders is de vraag hoeveel Carvers schrijverschap aan Lish heeft te danken. Was Carver inderdaad 'a mediocrity', zoals de oud-redacteur beweert? Lectuur van de verhalen in Cathedral, die nauwelijks door Lish werden geredigeerd, alsook de oorspronkelijke versies van Carvers vroege verhalen, samen met 'post-Lish' werk uitgegeven in de bundel Where I'm Calling From (1988), bieden volop mogelijkheden to vergelijken. Net als de vijf recent ontdekte verhalen uit Call If You Need Me, waarin uiteraard ook de hand van Lish ontbreekt.

Veel van Lish' amputaties en transplantaties zijn verbeteringen, al gaan ze dikwijls zo ver dat je je kunt voorstellen dat de auteur zich nauwelijks nog in het eindresultaat herkende. Tegelijk moet worden vastgesteld dat het juist Lish' ingrepen zijn, die de vroege Carver-verhalen hun gimmick-achtige, kunstmatige karakter hebben gegeven. De latere verhalen zijn 'gewoner'. Beide perioden leverden topstukken op: 'Bicycles, Muscles, Cigarettes' en 'They're Not Your Husband' in de vroege bundels en 'A Small Good Thing', 'Cathedral' en 'Errand' in de latere verzamelingen. Carver was een begenadigd auteur, die bij de ontwikkeling van zijn schrijverschap duidelijk profijt heeft gehad van zijn samenwerking met Lish.

Voor Carvers weduwe Tess Gallagher is uiteraard de laatste fase van zijn schrijverschap, waarin zij hem met raad en daad terzijde stond, zijn beste. Maar ze onderkent de waarde van Lish' invloed. "In het begin leerde Lish Ray hoe hij een verhaal moest stroomlijnen en de melodie van zijn zinnen kon laten zingen. Maar andere aspecten van het schrijverschap negeerde Lish - het gevoel voor de menselijke natuur en het vermogen een verhaal te ontwikkelen vanuit het idee voor een plot of voor een personage, bijvoorbeeld. In bepaalde opzichten remde Lish Rays ontwikkeling als schrijver af en moedigde hij hem aan genoegen te nemen met verhalen die zeiden: hier heb je een situatie, is die niet bizar en ironisch? Toen What We Talk About er uiteindelijk heel anders uit kwam te zien dan het boek waaraan Ray en ik hadden gewerkt, heb ik Ray aangemoedigd Lish aan de kant te schuiven. Die heeft zich sindsdien gedragen als een ex-vrouw: iemand die zich verlaten en afgewezen voelt. Het verbaast me niets dat hij niet met je wilde praten."

Net als Lish is Gallagher ervan overtuigd dat ze Carvers werk heeft verbeterd: "Ik heb de eindes van zijn gedichten en verhalen beïnvloed, waardoor ze lyrischer, universeler en makkelijker te begrijpen werden. De verhalen werden er langer en dieper door. Ik moedigde hem aan dichter bij de emotie te blijven, ook als hem dat verontrustte."

Wanneer twaalf jaar na een schrijvers dood zowel zijn 'ex-vrouw' als zijn weduwe een betekenisvolle invloed op diens werk blijven opeisen, ligt één conclusie voor de hand: het werk en de reputatie staan nog altijd overeind. Zo ziet ook Tony Scott het. "Net als bij Ernest Hemingway, zal Carvers reputatie aan schommelingen onderhevig zijn. Maar hij zal niet uit beeld verdwijnen. Zijn plaats in de literaire canon is veilig."

Toekomstige generaties zullen dus van Carver blijven horen. De huidige trouwens ook, zo onthult William Stull. "Toen Maureen en ik de archieven van Ohio State doorploegden, en zo twee verhalen ontdekten, waren we eigenlijk op zoek naar iets anders. Ik zeg niet wat, maar ik kan je verzekeren dat we het hebben gevonden. Het is iets dat bewonderaars van Carver zeer zal interesseren. Het verhaal van Carver gaat door, en de schrijver krijgt altijd het laatste woord."

Na jarenlang het speeltje te zijn geweest van intellectuelen op universiteiten, was de literatuur dankzij Carver in de jaren tachtig weer terug onder de mensen gekomenDe kale, uitgebeende stijl waarmee Carver zo beroemd werd, is grotendeels het werk van redacteur Gordon Lish

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234