Dinsdag 27/07/2021

Camden, New Jersey: de 'mean streets' van Amerika

Derrick Jones: 'Elk blok behoort iemand anders toe. Deze hoek is van mij. Mochten jullie op iemands terrein rondhangen en dealen, dan heb je hier binnen de kortste keren een schietpartij'Zuster Helen Cole: 'Vorig jaar hadden we 53 moorden. Voor ons bevolkingsaantal zouden dat er statistisch gezien maar acht of negen mogen zijn. Camden is 23 vierkante kilometer groot!'

'Waarom zoveel geweld? Er valt hier anders niets te doen'

Niet Detroit of Atlanta, wel Camden in New Jersey is de gevaarlijkste plek in Amerika. Het stadje van 80.000 inwoners telde het afgelopen jaar 53 moorden, onder andere die op een twaalfjarige die voor zijn huis dood werd geschoten. De moordenaar aasde op de radio van de jongen. Er waren meer dan 800 gevallen van zware geweldpleging, minstens 750 overvallen, 150 brandstichtingen en 10.000 arrestaties. Camdens statistieken zijn ontstellend, maar de realiteit op de straten is dat nog veel meer. 'Soms heb ik het gevoel dat ik in Falluja ben.'

Evy Ballegeer

Foto's Charly Kurz

De dame van toerisme New Jersey lacht een beetje ongemakkelijk aan de andere kant van de lijn als ik haar vraag of ze me een paar hotels in Camden kan aanbevelen. Ze aarzelt. Ik vermoed dat ze me het liefst zou willen afraden om naar daar te reizen, maar aangezien ze verondersteld wordt het toerisme in haar staat te promoten, ontwijkt ze mijn vraag. "Waarom logeer je niet in Cherry Hill, of in Philadelphia, tegenover Camden, aan de overkant van de Delaware-rivier?" Een schrijver op een websiteforum windt er minder doekjes om. "Camden? Blijf daar maar vandaan als je kunt. Het is vuil, gevaarlijk en niet meteen een toeristische bestemming. Tenzij je misdaad, uitgebrande huizen en een gevangenis wilt zien."

Maar we willen er niet wegblijven. We willen Camden niet alleen zien, we hopen vooral de verhalen te horen die achter de statistieken van Amerika's gevaarlijkste stad schuilen. Die weinig begerenswaardige titel kreeg Camden opgekleefd door Morgan Quitno, een onderzoeksbureau dat jaarlijks de misdaadcijfers van alle steden met meer dan 75.000 inwoners met elkaar vergelijkt. De rangschikking is gebaseerd op het aantal gerapporteerde moorden, verkrachtingen, overvallen, zware geweldplegingen, inbraken en autodiefstallen. Bij de vorige editie stond Camden nog op drie, maar nu laat het zelfs de misdaadnesten Detroit en Atlanta achter zich.

We waren op voorhand gewaarschuwd. Maar wat we te zien krijgen tijdens onze eerste rit door de stad tart alle verbeelding. Zo triest. Zo uitzichtloos. Dichtgetimmerde ramen en deuren, zwart geblakerde gevels, en in bijna elke straat een graffitigedenkteken. "Joey. 03/03/79 - 03/23/04. R.I.P. We miss you. Mom and Dad." De huizenrijen zijn als gebitten waarvan de ontbrekende en rotte tanden de gezondere exemplaren compleet overschaduwen. Het wegdek zit vol gaten, overal ligt vuilnis. Leegstaande fabriekspanden getuigen van een teloorgegane industrie. Het lijkt wel alsof alleen een sloophamer hier soelaas kan brengen. Drugsverslaafden hangen rond, staren met een glazige blik naar onze auto. Zelfs de warme lentezon kan de harde beelden niet verzachten. Ik open het autoraampje en kijk rond. Op de hoek van de straat staat een koppeltje te kletsen. Ik glimlach vaag en voor ik het weet, wandelt de jongen achter onze traag rijdende auto aan. Pas als we verder rijden en hij boos "What the fuck do you want!" schreeuwt, besef ik dat ik hem onbewust een teken heb gegeven dat we drugs willen kopen.

Drugs. De stad is erdoor geïnfecteerd. Elke straathoek is een openluchtmarkt. Jonge mannen wachten op klanten uit Philadelphia, New Jersey en New York die hier voor amper 10 dollar een dosis heroïne kopen. Kinderen houden de wacht en waarschuwen de dealers als de politie nadert. Moeders weten wat hun zonen uitrichten, maar knijpen een oogje dicht. Drugs betalen de huur en brengen eten op tafel.

Het winkeldistrict begint een paar straten hier vandaan op Broadway, zei de serveerster van het enige koffiehuis downtown. En dus wandelen we langs de hoofdstraat, in de hoop de betere buurt van de stad te verkennen. Tevergeefs. Toegegeven, de toestand is iets minder schrijnend, maar toch ook hier weer veel leegstand, afbladderende verf, rondhangende junks. Een pizzatent, een elektrozaak en daar tussenin: een methadonkliniek waar dealers hun weerloze prooien opwachten.

Op het trapje voor een huis in een zijstraat van Broadway houdt Derrick Jones ons achterdochtig in de gaten. We passeren, hij knikt. "Wat zoeken jullie hier? Je weet toch dat het gevaarlijk is om hier rond te lopen. Het is niet voor niets dat ik dit altijd bij me heb." Hij haalt een getand keukenmes uit zijn zak dat er met zijn botte punt niet meteen het meest efficiënte wapen uitziet. Derrick is hier geboren en getogen. Hij kent de stad door en door. Tot in de details brengt hij ons op de hoogte van Camdens recentste moorden. Zaken waarover de politie veelal nog in het duister tast. Hij lacht. "The word on the street, man. Ik maak deel uit van de straat. En de straat weet meer dan de flikken."

Een grimmig verhaal dat nooit meer uit zijn geheugen gewist kan worden, is dat van de moord op zijn broer. "Het was de 14de maart 1992. Hij werd twee keer door het hoofd geschoten, twee keer in zijn borstkas. De daders behoorden tot de bende van de zonen van Malcolm X. Wie er lid van wou worden, moest tijdens zijn eerste nacht iemand neerkogelen. Om het even wie. Ze reden rond met een busje en zagen plots mijn broer op straat lopen. Ze riepen hem, hij draaide zich om, ze schoten. Het eerste schot was al fataal. Getuigen waren er genoeg, maar niemand durfde te praten. Die nacht vermoordden ze vier mensen.

"Dat soort bendemoorden is intussen flink geminderd. Nu hebben we alleen nog gewone moorden. Hier en daar. Je weet wel. Vier dagen geleden nog. Butter heette die kerel. Hij had een afspraak op de hoek van Third Street en Beckham. Die hoek is death row, man. Aan alle kanten braakliggende terreinen. Er is geen ontkomen aan. Hij zat een jointje te roken in zijn auto toen plots iemand uit zijn blinde hoek opdook en hem neerknalde. Door het raam.

"De meeste moorden hebben met drugs te maken. Soms met liefjes. Zie je hoe die mannen hier de hele tijd rondcirkelen? Ze houden me in het oog. Zien of ik niet tegen de verkeerde mensen aan het praten ben. Maar dit hier is mijn set. Elk blok behoort iemand anders toe. Deze hoek is van mij. Mochten jullie op iemands terrein rondhangen en dealen, dan heb je hier binnen de kortste keren een schietpartij."

Plots zwaait de deur achter ons open. Van achter de hor schreeuwt een bejaarde vrouw dat Derrick niet met ons hoort te praten. "Ik vertrouw niemand meer. Alleen Jezus Christus. Voor je het weet, kogelen ze jou neer", scheldt ze tegen hem. "No offence, juffrouw, maar ik vertrouw niemand." Derrick sust haar, verzekert haar dat alles in orde is. Gelaten trekt ze de deur dicht. "Mijn moeder. Ze heeft alleen mij nog."

Hij gaat weer zitten, staart een ogenblik voor zich uit. Plots hevig: "Weet je wat het probleem is met deze plek? Er zijn geen jobs. Zonder jobs kunnen we niet eten. Iedereen zit hier vast. Ken je Trenton State Prison? Daar heb ik gezeten. Tien en een half jaar. Een gewapende overval. Ik zeg niet dat ik het niet gedaan heb. Maar mochten er jobs geweest zijn, dan zou ik het zelfs nooit overwogen hebben. En nu", zucht hij "nu moeten ze me helemaal niet meer. Alsof iemand een overvaller aan een baan zal helpen."

Voor we weggaan, vraagt Derrick ons om geld. "De heroïne, weet je wel." Hij haalt een paar spuitjes uit zijn zak als ongevraagd bewijs van zijn verslaving. Alsof zijn glazige ogen alleen al die niet prijsgeven. Hij zeurt tot hij 10 dollar krijgt. Goed voor één zakje.

Zuster Helen Cole kent gevallen als Derrick maar al te goed. "Wat de situatie in Camden zo uitzichtloos maakt, is dat onze junks niet genoeg geld hebben om hun verslaving te voeden. En dus plegen ze overvallen en stelen ze. Sommige mensen hebben drie dosissen per dag nodig. Dat is drie keer 10 dollar, en dat geld hebben ze niet."

De katholieke non arriveerde in Camden in de zomer van 1995. Ze trok in in het Holy Name-klooster in het noorden van de stad en ging aan de slag in het familiecentrum van de jezuïeten drie huizen verderop. Als onderwijzeres hoopte ze vooral kinderen met adhd of leerproblemen te helpen, maar al snel veranderde haar missie. "In het weekend van 4 augustus was een dertienjarig meisje uit de buurt vermist. Haar moeder klopte bij ons aan om te helpen bij de zoekactie. Op maandag werd het meisje brutaal verkracht en vermoord teruggevonden drie straten hiervandaan. Ik heb de moeder en de familie toen begeleid tijdens het rouwproces."

Sindsdien staat zuster Helens leven helemaal in het teken van families van moordslachtoffers. Haar kantoortje in het Lady Guadelupe-centrum is volgestouwd met speelgoed. "Kinderen zijn vaak getuigen van vreselijke misdaden. Ze zien hoe hun broers of vaders worden vermoord. Vaak heeft het met een afrekening in het drugsmilieu te maken, maar niet altijd. Er vallen veel onschuldige slachtoffers. Een buurvrouw van vier straten verder bijvoorbeeld bracht haar boodschappen naar binnen toen ze in een schietpartij verwikkeld raakte. Of in oktober, dat meisje van drie: ze zat op de achterbank van haar moeders auto toen ze in het achterhoofd geraakt werd door een verdwaalde kogel. Vorig jaar hadden we 53 moorden. Voor ons bevolkingsaantal zouden dat er statistisch gezien maar acht of negen mogen zijn. Camden is amper 23 vierkante kilometer groot!

"Wanneer er iemand gedood wordt, vraagt de familie mij om de grond te zegenen en er een gedenkteken te helpen oprichten. We bidden er, steken kaarsjes aan. Het helpt een beetje. Het geneest op een manier."

Zuster Helen wandelt met ons door haar buurt. Naar stukjes heilige grond is het niet lang zoeken. Ze toont de plek waar twee mannen vermoord werden in hun auto. Er liggen beertjes en plastic bloemen. Nog geen 10 meter verder een ander schrijn. Het slachtoffer: Julio Perez. De nicht van Julio zit in het portaal van het aanpalende huis. "Waarom er zoveel geweld is? Er valt hier anders niks te doen. Niets van recreatie. Alle parkjes dicht, geen speeltuinen, geen clubs. Al die kerels vervelen zich steendood. Wat kunnen tieners anders doen dan zich in te laten met de drugshandel?" Een buurman mengt zich in het gesprek. "Ik heb een zoon van vijftien. Voortdurend vraag ik hem 'waarom vermoorden jullie elkaar?' Ze geven er niet om. Het doet hen niks."

Alsof het speciaal voor ons in scène is gezet, zijn we plots getuige van een massale raid. Wel vijftien agenten lopen een huis in en uit. Twee twintigers zitten gehandboeid op de stoep. Een agent van de staatspolitie komt een praatje maken met zuster Helen. "Dagelijkse kost", zucht hij. "En het frustrerende is: voor elke dealer die we oppakken, staan er twee te wachten om zijn handel over te nemen." "Camden heeft veel plagen", zegt Helen. "Niet alleen drugs. De concentratie van armoede. Het gebrek aan jobs. Veel alleenstaande moeders." "Ik wil niet koud klinken", vervolgt de agent, "maar je hebt hier grootmoeders van dertig. Ze worden moeder op hun vijftiende, hun kinderen krijgen baby's. Iemand moet ooit eens zeggen: het is genoeg geweest. Jij bent mijn dochter en ik wil niet dat je dezelfde weg opgaat. Ik wil niet dat jij ook van de bijstand moet leven. Dat jij ook met het kind van een of andere dealer opgescheept zit."

Op de terugweg naar het klooster lopen we een buurvrouw tegen het lijf. "Dag Doris", lacht Helen. "Ik geef hen een rondleiding van de heilige grond. Er was net behoorlijk wat actie. Een drugsraid." Doris trekt haar wenkbrauwen op. Ze glimlacht. Dit is niets nieuws voor haar. Ze woont hier al 29 jaar en hoewel ze de buurt steeds verder zag verloederen, overweegt ze niet om weg te trekken. "Dit is mijn huis. Mijn thuis. Waar zou ik heen gaan?"

"Mensen kunnen ook niet weg", zegt Helen een beetje later. "Gewoon vanwege het geld. Ze kochten hun huis destijds voor 40.000 dollar, betalen een hypotheek van 350 dollar. Waar kunnen ze voor dat geld naartoe? Ze zouden hun huis niet aan de straatstenen kwijtraken. Geef toe, wie wil hier iets kopen?"

Helen zwaait naar een andere vrouw. "Terry", verklaart ze. "Haar zus is vermoord. Dat was een geval van huiselijk geweld. Haar ex-vriendje zat haar achterna en stak haar daar op dat stuk grond neer tot ze dood was."

Er komt behoorlijk wat fantasie bij kijken om je het Camden voor te stellen dat Marcia Snype beschrijft. De barvrouw van een van de weinig overgebleven cafés in Zuid-Camden herinnert zich haar stad in de jaren vijftig. Haar ogen blinken als ze vertelt over de winkels op Broadway, de filmzalen, de clubs. De gedachte aan het huidige Camden maakt een zucht los. Ze haalt haar schouders op. "Wat doe je eraan?"

Ook Randy Primas heeft herinneringen aan een heel ander Camden dan de stad waar hij op neerkijkt vanuit zijn kantoor op de dertiende verdieping van het stadhuis. Hij gelooft dat Camden zal herleven, al geeft hij toe dat die revival niet meer voor deze generatie weg is gelegd. Primas, een ex-burgemeester uit de jaren tachtig, werd aangesteld door de staat om een herstelplan te leiden waar 175 miljoen dollar belastinggeld in geïnvesteerd wordt. Gehoopt wordt dat het plan zo'n miljard dollar privé-geld zal aantrekken. De heraangelegde waterkant aan de Delaware toont de eerste resultaten van Primas' ambitieuze project. Het aquarium werd uitgebreid, er is een IMAX-filmzaal in aanbouw en in een oud fabriekspand zijn de eerste lofts bewoond. Van aan de overkant van de rivier in Philadelphia oogt het allemaal best mooi, maar wat heeft de plaatselijke bevolking aan dat fraaie prentje?

"De nieuwe recreatiezone zal jobs creëren, maar je hebt uiteraard gelijk. Om onze mensen te helpen, moet er meer gebeuren. We moeten hen in de eerste plaats opnieuw opleiden. Het percentage drop-outs is de voorbije jaren enorm gestegen. De helft van onze bevolking boven de 25 heeft geen diploma middelbaar onderwijs. Als we dat probleem niet oplossen, heeft de rest van ons plan geen zin. Hoe moeilijk het ook is om de stad fysiek te veranderen, het is de rehabilitatie van de mensen die voor de grootste uitdaging zorgt. Een te groot deel van onze bevolking is verwikkeld in de drugshandel. Wij sturen meer jongeren naar strafinstellingen dan om het even welke andere stad in New Jersey en we zijn slechts de op negen na grootste.

"We hebben ook banen nodig. Veel banen. Toen ik hier opgroeide in de jaren vijftig en zestig hadden al onze ouders werk. Campbell Soup werd hier opgericht. Camden werd Soup City genoemd. Hun hoofdzetel is hier nog, maar hun fabrieken zijn weg. In RCA Victor werden de eerste platen van het land gemaakt. De eerste televisie kwam van hier. De New York Shipyard gaf tijdens de oorlog werk aan 45.000 mensen. Camden was een 'schoorsteenstad'. Veel industrie en veel jobs.

"De achteruitgang zette zich in toen de jobs verdwenen. Halfweg de jaren zestig moet dat geweest zijn. Bovendien werd na de oorlog een mall opgericht in het naburige Cherry Hill. Iedereen streefde destijds de American dream na: een huis in de buitenwijken, een garage met plaats voor twee auto's. Rond Camden had je goedkope grond. Iedereen die het zich kon veroorloven om te vertrekken, vertrok. En de mensen die onderaan de economische ladder stonden, gingen in de achtergebleven huizen wonen. In het begin van de jaren zeventig werd de stad vervolgens geteisterd door zware rellen. Een ervan volgde op de dood van een latino jongen die doodgeschoten werd door een politieagent. Ook in 1968, na de dood van Martin Luther King junior, braken rellen los. Nadien volgde een massale exodus van de blanke bevolking.

"Volgens sommigen waren het die rellen die een kruis maakten over Camden. Er zijn er ook die beweren dat de teloorgang er al veel vroeger aan zat te komen, namelijk toen de Ben Franklin-brug gebouwd werd die ons met Philly verbindt. Dat was in 1926. Voordien moest iedereen uit Zuid-Jersey met de ferry via Camden naar Philadelphia. En dus was dit een bruisend commercieel centrum. Maar met de komst van de brug en de autosnelweg kon je Camden gewoon passeren.

"De laatste twintig jaar zijn al degenen die niemand wou naar hier gekomen. De armen van Zuid-Jersey trokken in in onze huizen. Toen het district met een vuilnisprobleem zat, bouwden we hier een afvalverwerkend bedrijf. Al het rioolwater van de omgeving wordt ook naar hier geleid. Toen ik burgemeester was, zocht de staat een locatie voor een gevangenis. We kampten met een gigantisch gat in onze begroting en dus sloten we een deal om de gevangenis naar hier te brengen. Omdat we zo afhankelijk waren van de staat om wat geld binnen te halen, hebben we veel dingen moeten doen die we niet noodzakelijk wilden."

Primas woont niet langer in Camden. Niemand trouwens van de hooggeschoolden die we ontmoeten in het stadhuis. Ze geloven wel in de revitalisatie, zijn ervan overtuigd dat welgestelde mensen uiteindelijk naar de stad terug zullen keren, maar zelf blijven ze in de buitenwijken. Ook het hoofd van de politie, Edwin Figueroa, heeft zijn geboortestad verlaten. "Het is niet zo'n goed idee om als agent te wonen waar je werkt", verontschuldigt hij zich. Te gevaarlijk, legt hij uit. Zijn familie zou het slachtoffer kunnen worden van represailles.

Als de nummereennotering van Camden al voor iemand niet als een verrassing kwam, dan was het wel voor chief Figueroa. "Het is erg gesteld met de stad. Soms heb ik het gevoel dat ik in Falluja rondloop", bekent hij. Maar tegelijk ziet hij de erbarmelijke situatie als een nieuw begin. "Als we al die problemen hebben, laten we dan mensen overtuigen ons te helpen in plaats van stenen naar ons te gooien." Figueroa hoopt dat die hulp vooral van de staat zal komen. Op de stad moet hij niet rekenen, want die kampt nu al met een tekort van 37 miljoen dollar. "Voor de hele stad beschikken we over 424 agenten. Van hen staan er gemiddeld veertig tijdelijk op non-actief door ziekte of zwangerschap. Met de hoeveelheid misdaden hier kunnen we zeker meer mensen gebruiken. En meer materiaal. Je kunt uiteindelijk maar zoveel doen als je je kunt veroorloven."

Even later gaan we mee op patrouille met agent Ron Conley. Al negentien jaar probeert hij Camdens straten iets veiliger te maken. Maar hij koestert geen illusies. "Addition by substraction", zegt hij, waarmee hij herhaalt wat de agent van de staatspolitie opmerkte tijdens de raid: voor elke misdadiger die hij oppakt, komen er twee in de plaats. "Maar we kunnen het niet opgeven. Je kunt alleen je best doen en hopen dat het ergens toe leidt. Je moet een beetje een idealist zijn om dit vol te houden. Toch heb ik nog nooit overwogen om mij te laten overplaatsen. Mijn vader was hier ook agent en ondanks alles hou ik nog altijd van deze stad. Zelfs het gevaar bevalt me. Het is spannend, weet je."

We cirkelen rond in Branch Village, een gesubsidieerd appartementencomplex. Ron noemt de plaats het ultieme getto. Er is wat van. Wat ooit binnentuintjes waren, zijn nu doffe lappen grond waar amper nog een spriet gras groeit. Van op een paar schamele banken gapen jonge moeders en hun kinderen de politiewagen aan. "Zie je die gasten daar, op de hoek van de straat?", vraagt Ron. "Ze zullen uiteen zwermen zodra ik nader. Meestal hebben ze hun drugs niet op zak. Ze verstoppen ze ergens. Dat is de enige reden waarom ze het nu niet op een lopen zetten.

"De meeste van de gasten die we oppakken, zijn kleine vissen. Met afluisteroperaties en undercoveracties zouden we de grote jongens kunnen klissen. Maar daar heb je geld voor nodig." Hij zucht diep. "Op ons niveau hebben we die middelen niet. We hebben niet eens genoeg agenten om voortdurend aanwezig te zijn in bepaalde buurten."

Het is een vrij rustige namiddag. Op Rons radio lopen nauwelijks oproepen binnen, op een paar kleine incidenten na. Iemand heeft de politie gebeld omdat een groep kinderen krassen maakt op geparkeerde auto's. Ergens anders in de stad zijn vier jongeren een bankautomaat aan het vandaliseren. De verveling slaat blijkbaar weer toe.

"Kijk daar links. Een mooi stukje Camden", grapt Ron. Hij wijst naar twee dichtgetimmerde huizen, een uitgebrand pand en een bespoten met graffiti. "Niet te doen toch?"

Plots een oproep. Rons collega's probeerden een wagen tegen te houden waarvan de stoplichten niet werkten, maar in plaats van vaart te minderen, stoof die met geweld weg. Er wordt versterking gevraagd bij de achtervolging, maar nog voor we in de buurt komen, is de wagen gevat. De agenten hadden geluk: de vluchtpoging eindigde met een klapband. Wanneer we arriveren, zit de roekeloze chauffeur al gehandboeid in een politiewagen. Hij blijkt gezocht te worden voor een andere misdaad. Terwijl twee agenten hem ondervragen, kamt een andere de hele auto uit op zoek naar drugs, inclusief de benzinetank.

Voor we terugkeren naar het politiestation vragen we Ron te passeren langs de plaatselijke tippelzone. Aan de rand van een grote invalsweg wijst hij op een blondine die staat te wuiven naar de voorbijrazende vrachtwagens. Irene Miller heet ze. Ron had ons al gewaarschuwd dat Camdens hoeren niet moeders mooiste zijn, maar nu Irene een halve meter van me staat, vraag ik me af wie in godsnaam geld over heeft voor seks met dit hoopje ellende. Moeilijk te geloven dat ze pas veertig is. Diepe groeven tekenen haar gezicht. Haar boventanden is ze kwijt. Eruit getimmerd door een klant. Onderaan staan er nog een stuk of vijf, maar die heeft de heroïne zwart gekleurd. Haar T-shirt is een beetje beduimeld, de jeansbroek die ze draagt, is die van haar broer.

"Ik ben de laatste tijd nogal vaak moeten verhuizen en het lijkt wel alsof ik op elke plaats wat kleren heb achtergelaten." Haar huidige woonsituatie omschrijft ze eerst als "vrij instabiel", maar even later geeft ze toe dat ze dakloos is. Momenteel kan ze bij een vriendin terecht. "Een mooi ding, 29 jaar. Ik betaal haar 10 dollar per dag en evenveel voor een douche. Komt haar goed van pas. Crack, zie je. Zelf ben ik al twintig jaar heroïneverslaafd. Maar nu ben ik clean. Een week al." Ze giechelt. "Nee, serieus. Ik doe mijn best. Ik heb nog iets anders goeds gedaan voor mezelf. Ik heb me laten testen. Volgende week krijg ik de resultaten. Ik gebruik altijd bescherming, maar toch.

"Kijk, ik ga rechtuit met je zijn: neuken doe ik normaal niet. Enkel pijpen of masturbatie. Of rollenspel, wat ze maar willen, zolang ze betalen." Ze kijkt me recht in de ogen. "Ik doe niet graag wat ik doe, maar ik moet wel. Ik ben in de prostitutie gestapt toen ik zeventien was. Drie keer al ben ik verkracht, een keer werd mijn kaak verbrijzeld. Momenteel heb ik vier á vijf vaste klanten. Ik probeer zoveel mogelijk aan hen vast te houden. Want als ik in een auto stap, neem ik steeds weer een ernstig risico. Het is zoals een agent me gisteren nog zei: je bent een erg aantrekkelijke vrouw. Je moet jezelf van de straat krijgen, het is hier veel te gevaarlijk."

Irene heeft weinig schroom. Ze vertelt graag, beantwoordt vragen nog voor ze gesteld zijn. Ze geniet zichtbaar van de aandacht die ze anders zo vaak moet ontberen. Ze gedraagt zich wel een beetje nerveus, slaat de hele tijd met een leeg flesje tegen haar arm. "Ik ben hier geboren en getogen, en als je het mij vraagt: Camden is klote", ratelt ze verder. "Mijn kindertijd was erg ruw. Mijn vader was een alcoholicus. Mijn oudste broer heeft me gemolesteerd als kind. Zelf heb ik vier kinderen, maar ze zijn me afgenomen toen de oudste zeven was. De anderen waren twee, drie en vier. De oudste is intussen 21 en een week of drie geleden ben ik met hem herenigd. Moet je eens iets weten: ik word oma!" Bij het afscheid probeer ik haar hand te schudden. Ze aarzelt even, en neemt me daarna stevig vast. "Bedankt", fluistert ze.

Om de hoek van het politiekantoor schuift een lange rij mensen aan voor een bakstenen gebouw. Per acht worden ze binnengelaten. Een vrijwilliger in een witte schort leidt hen naar een tafel waar dampende borden met kip, wortels en rijst hen opwachten. Het is pas halfvijf. "Vroeger serveerden we om zes uur, maar op vraag van onze klanten beginnen we nu twee uur vroeger", verklaart Karen Talarico, die de voedselvoorziening in Cathedral Kitchen leidt. "Zodra het donker wordt, komen ze liever hun huis niet meer uit. Veel mensen die bij ons een gratis maaltijd komen eten, zijn verslaafd of hebben mentale problemen, maar we krijgen ook werkmensen over de vloer die gewoon niet genoeg verdienen om dagelijks een warme maaltijd te maken." Soup kitchens zoals deze vind je over de hele stad. Camden, Soup City. Wat een ironie.

Normaal bedienen Karen en haar team zo'n 300 mensen per avond, maar wanneer we om vijf uur buiten stappen, wacht er nog altijd een rij. "Het is het einde van de maand", zei Karen net nog. "Dan is het geld op en kunnen we de toestroom soms niet aan. Gisteren bijvoorbeeld hebben we boterhammen met confituur staan smeren zodat we toch niemand met een lege maag de straat op moesten sturen."

In de late namiddagzon schiet de toren van het stadhuis boven de ellendige stad uit. Bovenaan het gebouw staan woorden uitgehouwen van Walt Whitman, Camdens beroemdste inwoner die ze schreef in 1860. "In a dream I saw a city invincible" (In een droom zag ik een onoverwinnelijke stad).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234