Zaterdag 25/01/2020

Supportacts

Calvarietocht naar eeuwige roem

Balthazar op Rock Werchter. 'Na jaren toeren voor een appel en ei verdienen we eindelijk ons brood.' Beeld Alex Vanhee

Voor beginnende bands start De Grote Droom vaak in een halfvolle zaal, in het voorprogramma van Een Grote Naam. Maar hoe kom je daar als jonge wolf terecht, in zo'n voorprogramma? En staat een supporttour garant voor een succesvolle carrière?

Klokslag acht. Met zichtbare nervositeit schuifelen vier jonge muzikanten over het podium. Ze staan voor een loodzware opdracht: het publiek van een andere band voor zich winnen. Het timide applaus dat na elk nummer volgt, is te zwak om het aanhoudende geroezemoes vanuit de zaal te overtreffen. Een publiek opwarmen: het is een hondenjob, meneer.

Niet iedereen ontvangt hen met open armen, maar geregeld zijn voorprogramma’s best de moeite waard. Sowieso zijn ze een unieke kans om een sterartiest in spe in de wieg te zien, want een supportshow kan wel degelijk de rode loper zijn naar meer. Bazart opende in 2014 – lang voor ze een uitverkochte Lotto Arena in het vizier hadden – voor de Fixkes in de AB. Maar ook Oscar & The Wolf en Balthazar zijn ooit begonnen in andermans schaduw.

Hoe kom je echter in zo’n voorprogramma terecht? En wie beslist daarover? 

Artiesten zitten, zo blijkt, meer dan ooit in de regisseursstoel. Het meest voorkomende scenario is dat de hoofdact een bevriende artiest meevraagt. Al gebeurt het ook nog vaak dat de headliner moet kiezen uit een shortlist van bands met dezelfde manager, boekingsagent of platenfirma – kwestie van de zakelijke belangen te voeden. Indien er geen voorprogramma wordt voorzien, doen de promotoren van de lokale concertzalen een voorstel. De hoofdact moet in principe altijd zijn akkoord geven.

Het vraagt als onbekende muzikant intensief lobbywerk om een tournee te versieren. Een entourage met een internationaal netwerk is vaak de sleutel tot het buitenland, maar ook in eigen land kun je een manager met connecties goed gebruiken om een supportshow te versieren. Of een goede booker.

“Twintig jaar geleden betaalden platenlabels om opkomende talenten in een voorprogramma te krijgen", zegt Steven Thomassen van het boekingskantoor Toutpartout. "Die tijd is voorbij.” Met Toutpartout neemt de Belg een aanzienlijk deel van het Europese concertlandschap voor zijn rekening. Beach House, Kurt Vile, Caribou en SX zitten in zijn portefeuille. Om er maar een paar te noemen. “Als je ons aanbod bekijkt, zie je artiesten met een gelijkaardige achtergrond en visie. Wanneer we een voorprogramma zoeken, kijken we eerst in eigen stal. We vinden het belangrijk dat ook onze kleinere artiesten genoeg speelkansen krijgen.”

Frustrerend

Er zijn enkele ongeschreven regels waaraan een voorprogramma moet voldoen. “Een support moet de headliner zo weinig mogelijk voor de voeten lopen", weet Thomassen. "Hoe minder technische eisen je hebt, hoe beter. Een achtkoppige band moet niet snel een uitnodiging voor een supportshow verwachten. Daar komt te veel opbouw- en afbraakwerk bij kijken. Een soloartiest heeft op dat vlak een groot voordeel.”

Maar er zijn nog dingen waar headliners op letten. Zo vraagt TaxiWars, de jazzband van Tom Barman en Robin Verheyen, aan promotoren om hen niet op een podium te zetten met andere acts die een saxofonist in de rangen hebben. De sax van Verheyen is de protagonist van TaxiWars. 

Het klinkt allemaal weinig bemoedigend, maar voor een bekende artiest openen, is niet per se een ondankbare taak. Zie het als een cruciale fase in de ontwikkeling van jong talent. Concerten zijn immers dé gelegenheid om je in de aandacht te werken, zowel van het publiek als van de muzieksector. “Onlangs leerde ik op die manier de nieuwe Belgische groep Damn Noir kennen”, vertelt Kurt Overbergh, artistiek directeur van de AB. “Ik heb hen onmiddellijk een eigen optreden aangeboden, en niet veel later hing er al een geïnteresseerde platenfirma aan de lijn. In een voorprogramma spelen, kan dus wel degelijk deuren openen.” 

Als 'instelling van de Vlaamse Gemeenschap' is het de opdracht van de AB om jonge, Vlaamse artiesten van de bühne te laten proeven, maar dat ziet Overbergh niet als een opdracht, wel als een erezaak. “We ontvangen wekelijks 250 spontane sollicitaties van jonge muzikanten die in onze zaal willen spelen. Maar we zullen nooit bands programmeren waar we geen potentieel in zien. Elke jonge Belgische muzikant die in de AB speelt – al dan niet in het voorprogramma van een ander – staat hier voor een reden. Niet omdat het moet, maar omdat we oprecht geloven we dat ze het ver kunnen schoppen.”

Meer dan vroeger brengen internationale bands tegenwoordig echter hun eigen voorprogramma mee, “en dat is frustrerend”, zucht Paul-Henri Wauters, directeur van de Brusselse concertzaal Botanique. “Zo nemen ze belangrijke kansen voor lokale talenten weg. Al gebeurt het evenzeer dat een buitenlandse groep geen voorprogramma wil, tot ze vernemen dat de ticketverkoop voor geen meter loopt. Dan vragen ze ons alsnog om een lokale band op te trommelen.” Maar dat is natuurlijk niet nieuw. Toen U2 in 1981 in de Beursschouwburg speelde, werden om die reden De Kreuners last minute aan de affiche toegevoegd. De Kreuners die tickets moesten verkopen voor U2: le monde à l’envers.

Rendez-vous met de realiteit

Verkopen. Daar draait het uiteindelijk om. Nu bijna niemand nog cd's koopt, zijn de inkomsten van concerten van cruciaal belang voor de muziekindustrie. Optreden is de kortste weg naar eeuwige roem. Maar hoe onderscheidt een jonge band zich dezer dagen van het peloton? Het aantal muzikanten neemt toe, de speelkansen niet echt. 

“Alles begint met een plan”, zegt Pieter Verheyden van platenfirma [PIAS], thuishaven van Editors, Balthazar en Oscar & The Wolf. “Belgische artiesten die goed omringd zijn, kunnen al snel iets neerzetten in het lokale circuit. Maar je moet bijvoorbeeld nooit blindelings in het buitenland toeren, zonder dat je daar een netwerk hebt. Je moet ervoor zorgen dat de juiste mensen je zien spelen. Als er geen platenlabels of boekingsagenten komen kijken, houd je er gegarandeerd weinig aan over. Een supporttour is geen road trip, geen vakantie. Je bent jezelf aan het verkopen.”

Artiesten met internationale ambities springen sowieso in het diepe, want de bedragen die een voorprogramma krijgt voor een show of tournee zijn bedroevend laag. In het clubcircuit verdien je als opener maximaal tweehonderd euro per optreden – verplaatsingskosten en eventuele accommodatie inbegrepen. “Die vergoeding is over de hele wereld dezelfde”, stelt Kurt Overbergh. “Zelfs in arena’s als het Sportpaleis is de gage beperkt. Je kunt met die som je geluidstechnicus niet eens betalen, laat staan dat je er zelf iets aan overhoudt. Bekijk het als leergeld: je investeert in de toekomst.”

Voor het geld moet je het dus niet doen, en dan zijn er nog de omstandigheden waarin jonge talenten moeten groeien. In België krijgt het voorprogramma een kwalitatieve soundcheck én een volwaardige backstage. In de rest van Europa en Amerika doen ze het vaak met veel minder. Een concertavond op gang trappen in het buitenland is voor beginnende acts vooral een rendez-vous met de realiteit. 

“Als je over het Kanaal toert, betaal je soms zelfs voor je eten en je drinken”, vertelt Benjamin Beutels, manager van Newmoon. “Je mag in feite al blij zijn dat er een kleedkamer is.” De Belgische band is een belofte in het Europese shoegazeland, waar ze vaak als supportact kleine, maar moedige stappen zetten. “Als je de kans krijgt om met noemenswaardige bands in Duitsland te toeren, moet je daar vooral niet over nadenken. In het begin verdiende Newmoon vijftig euro per optreden, maar ze speelden toen wel in uitverkochte zalen voor vijfhonderd man. Vergelijk het met het werk van een stagiair: het is een ondankbare taak, maar je bent wel een ervaring rijker, en hopelijk ook een fan of twee.”

Newmoon aan het werk in de AB. Na lang te hebben getoerd als voorprogramma kregen ze eind vorig jaar wat eigen shows. Beeld Bas Bogaerts

Wie het slim aanpakt, kan de kosten enigszins beperken. Een gammele bestelwagen kan bijvoorbeeld evengoed als tourbus dienen, en Newmoon toert daarnaast ook zonder tourmanager of eigen geluidstechnicus. “Ze moeten dan wel nog altijd zelf voor accommodatie zorgen", zegt Beutels, “maar een slaapzak kost niet veel geld, en als ze geluk hebben, kunnen ze bij fans thuis slapen. Bands moeten zich daar vooral niet voor schamen: iedereen begint zo.”

Eind vorig jaar speelde Newmoon uiteindelijk een handvol eigen shows in Europa: allemaal het resultaat van die voorprogramma's, waar de band een aantal Europese boekingsagenten aan overhield. Deze maand spelen ze nog in Amsterdam, Hamburg, Berlijn, Keulen en Parijs. En in Antwerpen. “We plukken stilaan de vruchten van het harde werk.”

Efficiënte marketing

Meten is weten, maar het is vaak gissen naar de exacte impact van een supporttour. Al maken sociale media het vandaag ontegensprekelijk makkelijker om na te gaan of een voorprogramma aanslaat bij het publiek. “Toen Glints in oktober twee keer voor Bazart opende, zag je een grote toename van het aantal Facebook-likes”, vertelt Jona Koekelcoren van DBNR, het managementbureau achter Oscar & The Wolf, Bazart en … Glints. “Ook wanneer het aantal luisterbeurten op streamingdiensten de hoogte inschiet, weet je dat je een goede beurt hebt gemaakt. In het voorprogramma van een bekende artiest spelen, maakt sowieso deel uit van de marketingcampagne.”

Amatorski speelde in 2014 zes keer als support voor Stromae, die hen persoonlijk had uitgenodigd. “Het was een unieke kans om ons te tonen aan vijftigduizend mensen”, herinnert groepslid Sebastiaan Van den Branden zich. “We hebben tijdens die tournee ook vijfduizend flyers met een gratis downloadcode uitgedeeld, maar daarvan zijn er slechts enkele tientallen gebruikt. Dat was jammer, maar de ervaring bleef fantastisch, en soms houd je aan een voorprogramma ook echt iets over. Zoals een Duitse boekingsagent, nadat hij ons had zien spelen in het voorprogramma van Gotye. Pas op: dat betekent niet dat we ineens Duitsland gaan veroveren. In het buitenland doorbreken is een werk van zéér lange adem.”

Dat weet ook Clouseau, dat in 1992 door Europa toerde in het spoor van Roxette. “We voelden ons gevangen in België en Nederland", vertelt Kris Wauters, “en daarom zijn we in het Engels begonnen. Die tournee met Roxette was onze eerste kennismaking met het echte tourleven, en dat beviel ons wel.” Maar de support bleek uiteindelijk ook de laatste Europese uitstap van Clouseau. “We droomden van meer, maar we beseften al snel dat we in het buitenland niet opvielen tussen de massa. Wat Clouseau speciaal maakt, is het Nederlands. Dat is nu eenmaal de realiteit.”

Beste leerschool

Dat Belgische bands het in het buitenland ver kúnnen schoppen, bewijzen onder meer Soulwax, Stromae, dEUS en Balthazar. Aan de basis van het internationale succes van die laatste twee ligt manager Christian Pierre. Al zal die dat zelf nooit met zoveel woorden zeggen. 

“Het klopt dat je zonder businessplan water naar de zee aan het dragen bent", zegt Pierre. "Maar je moet als manager ook met muzikanten kunnen werken waar men niet omheen kan. Ik kan bijvoorbeeld geen artiesten opnoemen die zich kunnen spiegelen aan dEUS of Balthazar. Dát maakt hen zo goed.”

“In feite zijn we van de oude stempel”, lacht Jinte Deprez van Balthazar, als we naar de 'hoogdagen' van zijn band als supportact polsen. “Toen we met Balthazar begonnen, wilden we zo veel mogelijk spelen. Als je het parcours van internationale bands bestudeert, zie je meestal dat ze het aandurven om al vroeg in het buitenland te toeren. Het is waar: je houdt er zo goed als zeker kleerscheuren aan over, maar door de bodem van de put te zien, klauter je er sterker uit.”

Geduld is een schone deugd, en hard werk loont. Twee clichés die Balthazar op het lijf geschreven zijn. “In het begin zagen we geen cent, maar door te volharden, zitten we nu in een comfortabele positie. Na jaren toeren voor een appel en ei verdienen we eindelijk ons brood.” De internationale tournees van de band in het voorprogramma van Local Natives, dEUS en Editors waren bovendien om nog wel meer redenen een onbetaalbare ervaring. “Je leert gewoon alles door op te treden. Met Balthazar vragen we regelmatig een jonge Belgische band mee als voorprogramma, omdat we weten dat dat de beste leerschool is. Je wilt niet onderdoen voor de hoofdact, en dat brengt het beste in jezelf naar boven. In het begin van een tournee zien we een opener vaak sukkelen. Aan het einde van de rit staat er een band vol zelfvertrouwen.”

Onder de nom de plume J. Bernardt toerde Jinte Deprez onlangs overigens zelf ook opnieuw met Local Natives door Europa, als supportact. Met amper één single onder de arm doen allicht weinigen het hem na, “want het blijft een enorme investering", geeft hij toe. "Maar ik wilde gewoon spelen, en Europa is een grotere speeltuin dan België. Tegelijk snap ik waarom niet elke beginnende artiest staat te springen om in het buitenland te spelen. Vroeger kreeg je daar vaak subsidies voor, maar tegenwoordig worden die nog amper toegekend. Scandinavië doet het op dat vlak een pak beter, en daar plukken hun artiesten de vruchten van. In België is het ontzettend moeilijk om voluit voor je muziek te gaan, en dat is zonde. Zonder kansen verwelkt talent.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234