Maandag 23/05/2022

Burgerlijke zelfkastijding

door Sophie De Schaepdrijver

In de Koninklijk Musea voor Schone Kunsten in Brussel hangt een schilderij van Charles Hermans uit 1875, geheten Bij dageraad. Het stelt een dramatisch treffen tussen de klassen voor, dat tegelijk een confrontatie is tussen deugd en decadentie. Een nette werkmansfamilie, vroeg in de ochtend reeds nuttig onderweg, komt oog in oog te staan met een stel verfomfaaide burgers, die stomdronken en geflankeerd door giechelende cocottes de stoep van een verdacht huis afwankelen, na een - nemen we aan - liederlijk doorfuifde nacht. Verschaalde tabak, zweterige poudre de riz en halfverteerde boeuf Stroganoff walmen je tegemoet. Tastbaar is het waardige misprijzen van het werkvolk.

De decadente bourgeoisie - het was een beeld dat de geviseerde klasse prompt als diepe waarheid aanvaardde. Hermans' schilderij oogstte groot succes op de Brusselse Salon. (Let wel: instemmend succes, geen succès de scandale. Burgerlijke zelfkastijding! Het is een verhaal apart.) Van oudsher mocht de burgerij zichzelf juist graag als nijver en spaarzaam zien, zo heel verschillend van de adel met haar onverdiende weelde. De toename van luxeconsumptie en de verspreiding van behaaglijker levensstijlen in het laatste kwart van de negentiende eeuw - toen de bourgeois levensstijl voor het eerst werkelijk bourgeois werd, zoals Eric Hobsbawm schrijft - gold dan ook prompt als een Probleem. Intens woedde het gewetensonderzoek naar het vraagstuk luxe. Niet dat César Ritz of Thomas Cook intussen geen gouden zaken deden. Niettemin, de vraag waar het eindigen moest met al die nieuwe weelde hield vele geesten bezig. Vervreemdde de comsumptiedrang een ooit zo sobere klasse niet van wat haar kracht was geweest? Veroorzaakte een teveel aan zinnelijke stimuli geen verslapping der zenuwen? (Neem nu dat elektrische licht! Dat kon niet goed zijn!) Werd het leven niet te zacht, te slap, te gemakkelijk? Het spookbeeld van cultuurverval bracht velen tot een levensstijl waarin vroeg opstaan en koude douches een prominente plaats innamen naast wandeltochten, reformjurken en William-Morrisbehang.

De bibliotheek van de Universiteit van Princeton bezit vele verontruste brochures uit die tijd. Tussen de zorgelijke titels staat er één van een toen zeer illustere, thans in de herinnering wat weggezonken Vlaming, de econoom, filoloog, jurist, sociaal hervormer, mensenrechtenactivist en fenomenaal productieve essayist Emile-Louis-Victor de Laveleye (Brugge 1822-Luik 1892). Zijn 116 bladzijden tellende werkstuk heet Luxury en werd in 1891 uitgegeven door de Londense firma Swan Sonnenschein & Co, gespecialiseerd in het radicale volksverheffingswezen. De Laveleye trekt er vastberaden in van leer tegen alles wat naar oneigenlijke weelde riekt. Luxe, stelde hij, is maatschappelijk volstrekt nutteloos. (Voor hem was economie in wezen een morele wetenschap en hij verwierp dan ook vrijblijvender overwegingen van vraag en aanbod.) Luxe vormt een verkwisting van inspanningen een betere zaak waardig. Luxe leidt af van het hogere. Luxe maakt zenuwziek. Luxe corrumpeert. Luxe schaadt het individu en doodt de samenleving. Het vroege christendom wees luxe af in naam van medemenselijkheid en nederigheid; de politieke economie veroordeelt haar in naam van het nut, en het recht veroordeelt haar in naam van de rechtvaardigheid. Take that, firma Guerlain! Al is niet duidelijk of de Laveleye met zijn diatribe ook de firma Guerlain viseerde. Überhaupt is niet helemaal duidelijk wàt hij precies viseerde. Zijn definitie van luxe is namelijk aan de vage kant. Ik versta onder luxe alles wat niet beantwoordt aan onze basisbehoeften, en alles wat duur is omdat het veel arbeid heeft gekost, en derhalve slechts voor weinigen is weggelegd. (In de Laveleyes tijd hingen duurte en manuren nog enigszins samen. De opkomst van de Prada-tas kon hij niet bevroeden. Maar wie wel?)

Is de aanschaf van een Meunierbuste dan verwerpelijk? Nee, kunst mag van hem dan weer wèl. Daar hebben we natuurlijk niets aan. De conclusie dringt zich op dat luxe bestaat uit alles waar de Laveleye tegen is. Daar komt zijn definitie van luxe in zekere zin ook op neer: alleen een die luxe veroordeelt, is in zijn ogen een goede definitie. Een socioloog met morele oordelen! Dat waren nog eens tijden!

Ongetwijfeld meende hij oprecht zèlf een uiterst eenvoudig leven te leiden, en tot op zekere hoogte was dat ook wel zo. (Laat je nooit rijden als je ook lopen kan, was een van zijn stelregels.) Maar tegelijk genoot hij prijzige vreugden die voor het gros van zijn tijdgenoten niet waren weggelegd. Reizen bijvoorbeeld. De Balkan, Spanje, Italië, Egypte, de Laveleye was overal geweest - en meestal in style. Een brief uit Caïro (1869): "Onze reis op de Nijl is volmaakt verlopen. (...) Als we zin hadden in een tochtje, bestelden we vanaf de boot per telegraaf ezels of kamelen! En dan stond 's middags midden tussen de tempelruïnes een heerlijke lunch voor ons klaar." En maar van leer trekken tegen wie de lokroep van zinnelijke geneugten niet kon weerstaan!

Nu was reizen voor de Laveleye geestesverrijking en geen zingenot en dus ook geen luxe. Wellicht streefde hij zelfs, kathedersocialist die hij was, naar goedkope piramidentochten voor allen. Hij laakte de onderscheidingszucht, bron van zoveel luxevertoon. Mensen zoeken bevrediging en bevestiging in andermans oordeel, schreef hij misprijzend.

Makkelijk praten had hij wel, De Laveleye. Hoogleraar in Luik, lid van de Koninklijke Academie, doctor honoris causa van Edinburgh tot Sint-Petersburg, in de adelstand verheven, bevriend met prominenten van Mill tot Marx, was hij een van de meest onderscheiden Belgen van zijn tijd. (In Bulgarije was hij om zijn anti-Turkse reportages zo populair dat de regering 50.000 portretten van hem onder het volk verspreidde, terwijl in Istanboel zijn beeltenis juist publiekelijk werd verbrand. O glorie!)

Zeker, hij werkte zeer hard voor dat alles. Niettemin was juist dat èchte luxe: eervol, dankbaar, als belangrijk erkend werk, slechts mogelijk gemaakt door de onzichtbare arbeid van velen - het was niet voor iedereen weggelegd. Ach, waarom had hij niet meer begrip voor de poginkjes van zijn minder gelauwerde tijdgenoten om zich door middel van manchetknopen en Malagawijnen toch nog enigszins van de massa te distingeren?

Bovendien: de Laveleye was opgegroeid in een tijd waarin, voor een man van zijn stand, maatschappelijke distinctie nog een geboorterecht was. Er wáren ook minder burgers, toen. Het einde van het vanzelfsprekende notabelendom, het aanzwellen van de middenklasse, dat alles zou uitmonden in het bittere anti-vooruitgangsdenken van het fin de siècle. Bij het gemelijke, elitaire cultuurpessimisme van een Maurice Barrès (1869-1923) vergeleken klinkt de Laveleyes democratische luxekritiek nog zeer zonnig en hoopvol. Maar hij hoefde zijn panorama op Philae dan ook met niemand te delen.

Emile de Laveleye, Luxury, Swan Sonnenschein & Co, Londen, 1891. De oorspronkelijke tekst verscheen in de Revue des Deux Mondes (1880). Emile de Laveleye, Lettres Intimes, bezorgd door Ernest Mahaim, la Renaissance du Livre, Brussel, 1927.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234