Zaterdag 15/08/2020

Interview

"Burgemeesters die uit de lucht komen vallen bij problemen met ontspoorde kinderen in hun stad? Dat noem ik schuldig verzuim"

Kinderpsychiater Marc Van Bellinghen: Beeld Eric de Mildt

De agressieve meisjesbende in Brugge is geen uitzondering op de regel, weet jeugd-psychiater Mark Van Bellinghen (57). Het fenomeen doet zich overal voor. ‘Ontspoorde kinderen moeten we omarmen, niet opsluiten.’

Losgeslagen meisjesbendes die ­stationsbuurten terroriseren, dakloze Roma-kinderen die lijm en terpentijn snuiven. “Het zijn kinderen die ­systematisch onder de mat worden geveegd”, hekelt kinderpsychiater Mark Van Bellinghen, diensthoofd aan het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis in Aalst. “Maar op een dag slaan ze terug, en schrikt iedereen op. En dan sluiten we hen op. Maar ik zeg het u, op den duur zullen we er veel kunnen opsluiten. Hoeveel instellingen ­denken we te bouwen?”

We zijn amper vijf minuten ver in ons gesprek, en de verontwaardiging bij Van Bellinghen zit er al diep in, net zoals in zijn opiniebrief in deze krant vorige week. Gaat het over dolgedraaide pubers zoals de meisjesbende uit Brugge, dan staat hij op scherp. Die bende, de zogeheten Zehbi’s – straattaal voor ‘verdomme’ – beheerste de afgelopen tien dagen het nieuws met hun wandaden in en rond het station van Brugge. Het ging vooral om kinderen van 14, 15 jaar die leeftijdgenoten het leven zuur maakten. Ze pestten en sloegen hun slachtoffers, en maakten er ook filmpjes van. Die beelden gooiden ze nadien online, op Instagram. Verspreide vernedering. Volgens de laatste berichten zou er bemiddeling komen ­tussen de meisjes en hun slachtoffers.

Met 10.000 consultaties per jaar op zijn dienst weet Van Bellinghen wel dit: het fenomeen van de bendes speelt niet alleen in Brugge, het doet zich overal voor. “Toen ik die Brugse schooldirectrice op de radio haar verhaal hoorde doen, heel betrokken en geëmotioneerd, voelde ik een zekere verwantschap met haar. Ik sta, net als zij, midden in het veld.

“Ook ik zie deze problematiek al veel langer dan vandaag, én in toenemende mate. Het is de keerzijde van de medaille van een samenleving in verandering.”

U was ‘geschandaliseerd’, zegt u, over de ­reactie van de Brugse burgemeester Renaat Landuyt. Waarom stuitte die u zo hard tegen de borst?

Mark Van Bellinghen: “Die schooldirectrice sprak vanuit zo’n machteloosheid, over een probleem dat ook wij als kinderpsychiaters erkennen. Dan denk je: welke signalen moeten er nog méér komen? Maar dan hoor je de burgemeester dat allemaal doodleuk minimaliseren. Hij leek niet op de hoogte, kwam haast beweren dat die vrouw overdreef. In een tv-interview, enkele dagen later, erkende hij het probleem van de meisjesbende dan weer wel. Maar je voelt: eerst is er een poging tot verzwijgen, tot stilzwijgen.

“Nu, waarom ben ik daar zo verontwaardigd over? Omdat dit een terugkerend patroon is. We zagen het deze week nog met de verslaafde ­dakloze Roma-kinderen in Gent. Ook daar kwam burgemeester Daniël Termont uit de lucht vallen. Komaan zeg. Schuldig verzuim, noem ik dat.”

Dat is al een groot woord, niet?

“Kinderen van 8 à 10 jaar die op straat lijm zitten te snuiven. En jij, als burgemeester, weet ­zogezegd van niks? Het is straf uitgedrukt – ik weet niet of je het zo moet opschrijven – maar dat is zoals weet hebben van seksueel misbruik en zwijgen. Voor de lieve vrede.

“Vroeger hoorde je ook weleens het woord ‘burgervader’: een vader voor zijn inwoners. Met andere woorden, een zorgende figuur. Iemand die verantwoordelijkheid draagt over zijn ‘kinderen’. Die oorspronkelijke functie van zorg dragen lijkt verdwenen. Als een kind in uw stad een probleem heeft of probleemgedrag stelt, dan is het eerste wat je moet doen dat probleem erkennen. Nu wordt het systematisch ontkend. Welke motieven spelen daar mee? Zijn het de verkiezingen die er-aan komen? Die analyse laat ik aan anderen over.

“In elk geval, burgemeesters zijn volledig ­vervreemd van wat hun maatschappelijke rol zou moeten zijn. Waarom gaat Renaat Landuyt, als hij die schooldirectrice hoort, niet meteen naar haar toe? Dan denk ik: ‘Allee zeg, pak uw telefoon, bel haar op en zeg dat je daar à la minute staat.’ Dát is betrokkenheid.”

Terug naar de meisjes zelf. In uw opiniestuk schreef u: ‘Dat schoppen, slaan en pesten komt vaak niet uit het niks. Die tieners kampen met hechtingsproblemen.’ Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

“Op heel jonge leeftijd, tot 2 jaar, is het de ­bedoeling dat kinderen veilig gehecht raken aan ouderfiguren. Dat er een stabiele, liefdevolle ­relatie ontstaat, die de ouders actief onderhouden. Zo groeit er een basisvertrouwen bij het kind. Die hechtingsfiguur zal het kind ook helpen om de grote, onbekende wereld te durven ontdekken. In het begin is dat aan het handje, letterlijk. Daarna is het zoals in dat liedje: hier laat ik je los, maar dan wel op een betrokken manier. Het is constant jezelf op dat slappe koord begeven van grenzen stellen én zelfstandigheid promoten: dat is liefde. Dat is de basis. Ervoor zorgen dat het jonge kind een eigen persoon wordt.

“Maar wat zien we? De maatschappij verandert. Er zijn veel meer problematische opvoedingssituaties. Koppels breken met elkaar, er ko­men meer eenoudergezinnen. Dit in combinatie met meer armoede, verslavingen, ouders die zelf met psychiatrische problemen worstelen. Daar­door kan er in die cruciale periode veel misgaan, zodat het kind dat basisvertrouwen niet opbouwt. Laat staan dat die ouders nog in staat zijn – of er nog zijn tout court – om hen verder in die grote wereld te begeleiden zodra ze gaan puberen.

“Zeg nu zelf, als zulke meisjes daar staan, aan het station of een nachtwinkel, soms overdag, soms ’s avonds laat, waar zijn die vaders en ­moeders dan? Die mensen weten vaak van niets. Omdat de verbondenheid ontbreekt. Of soms zelfs ook: omdat ze er geen moer om geven dat hun kind buiten loopt. De betrokkenheid is zoek.”

Maar kan zelfs dat dan al de hechting in de weg staan: een relatiebreuk? Dan zullen er zich toch veel ouders zorgen maken, denk ik.

“Het gaat natuurlijk veel verder. Ook gescheiden ouders kunnen hun kind perfect liefdevol grootbrengen, en de nodige grenzen trekken. Absoluut. Maar doe het maar eens als alleenstaande, werkende moeder met twee kinderen. Net in de steek gelaten door haar man, van wie ze vijf jaar lang slaag kreeg, omdat hij excessief dronk. Dat is een clichéverhaal. Maar zo zien wij er veel, hoor. Geloof me, dan heb je niet de draagkracht om grenzen te trekken. Dan heb je niet de humor om er even afstand van te nemen.

“Die ouders zijn ook geen criminelen, hè. Wat moet je anders op den duur doen? Er tien gevangenissen bij bouwen en tien instellingen? Te gek voor woorden, toch?”

Hoe groeit zo’n peuter met een gemis uit tot een losgeslagen, agressieve puber? Dat gaat toch wel ver?

Kinderpsychiater Marc Van Bellinghen: 'Die ouders zijn ook geen criminelen, hè. Wat moet je anders op den duur doen? Er tien gevangenissen bij bouwen en tien instellingen?'Beeld Eric de Mildt

“Die bedreigende, onbetrouwbare wereld is er natuurlijk wel. Daar kun je niet onderuit. Dan heb je als kind twee mogelijkheden. Ofwel trek je je terug, je durft die wereld niet aan. Dan krijg je angst, depressie, een kind dat zich verliest in gamen, dat niet deelneemt aan het maatschappelijke leven. Of, wat kun je nog doen als je bang bent? Je maakt jezelf groter, je blaast jezelf als het ware op. Zo durf je die wereld toch aan. Dan krijg je het verhaal zoals van die meisjes: je gaat de wereld te lijf, letterlijk. Agressie vanuit een gebrek aan basisvertrouwen. Boze kinderen die met hun vuisten hun plaats willen veroveren, want dan kunnen ze niet gekwetst worden. Ze gaan in vechtmodus. Dat is een traumamechanisme.

“Tegelijkertijd schuilt daaronder nog altijd die behoefte die niet ingevuld is. ‘Zie mij toch graag.’ Je krijgt dan pubers die voortdurend uitlokken dat je hen verwerpt. Maar hun echte vraag is: ‘Hou mij vast. Geef mij grenzen, vanuit een betrokkenheid, vanuit liefde.’”

De feiten liegen er natuurlijk niet om. In Brugge werd één slachtoffer bijna op de treinsporen geduwd. Een moeder die tussenbeide kwam, liep een gebroken neus op en belandde op de operatietafel. Voor velen wordt het zo wel erg moeilijk om de meisjes als gekwetste vogeltjes te zien. Bent u daar niet te soft in?

“Weet je, het probleem is dat zij vaak zelf hun kwetsuren niet meer zien. Wie een trauma onder ogen ziet, heeft pijn. Zij vluchten juist voor de pijn. Ze erkennen hun trauma niet. De maatschappij ziet hen niet als gekwetsten, de perceptie van hun persoon valt samen met hun gedrag. Ook zij zien zichzelf als hun gedrag. Ze halen er een identiteit uit die ze nooit eerder konden opbouwen.

“Kijk naar die meisjes: ze zijn geschorst of ­verwaarlozen school. Vriendschappen bestaan alleen door dezelfde miserie bij een ander te erkennen. Die relaties vertrekken niet vanuit een gedeelde interesse, maar vanuit een gedeeld tekort. Zo bouwt zo’n bende een identiteit op. Op een gegeven moment wórden ze hun vecht­modus, ze vallen ermee samen.

“Nu worden de ergste tieners opgepakt, de jeugdrechter plaatst hen en daar stopt het. Maar daarmee is het verhaal niet af. Er moet ook weer een stukje menselijkheid komen. Dat klinkt misschien soft. Maar we moeten toch proberen goed te maken wat er als kind, in het hechtingsproces, misgelopen is.”

Mogen we die jongeren dan geen tik op de ­vingers geven? Want als we dat niet doen, ­ontnemen we hen toch een groot stuk ­verantwoordelijkheid?

“Absoluut. Je kunt niet louter een tolerante ­houding aannemen, want zij stellen daden die sociaal onaanvaardbaar zijn. Dan móét je iets doen. Desnoods door zo’n meisje in afzondering te brengen of in een gesloten instelling.”

De bendeleidster van 14 jaar werd vorige week in een halfopen instelling geplaatst. Maar ik voel u al komen. Daarmee is de kous niet af?

“Dat is een doekje voor het bloeden, hè. En als dat bloeden er is, moet ook dat doekje er zijn.

“Maar je zou ook hun omgeving kunnen ­mobiliseren. Waarom horen we in dit verhaal zo weinig over de ouders van die meisjes? Worden zij geresponsabiliseerd? Worden zij samen gezet? Om hen duidelijk te maken: kijk, dít is wat jullie kinderen nodig hebben. Hebben die meisjes wel zulke ouderfiguren? En zo niet, moeten wij daar dan als samenleving voor zorgen? Ik kan me voorstellen dat er in zo’n bende ook meisjes zitten met een minder scheefgetrokken thuissituatie. Kinderen die zich hierin lieten meesleuren onder druk van de groep. Hun ouders zou je al makkelijker kunnen aansporen om iets in beweging te zetten.

“Kijk, dat de jeugdrechter eraan te pas komt, snap ik volkomen. Natuurlijk. Mijn punt is: waar blijft de heling? Dat hele stuk blijft nu uit. Een psychische problematiek, gebaseerd op een ­emotioneel gemis, op het gevoel verworpen te zijn. Zolang je geen veiligheid creëert, zal die vechtmodus er niet uitgaan. Nooit. En zoals burgemeesters nu uit de lucht komen vallen, houden ze die onveiligheid alleen maar in stand. Hoe wil je dan dat die vechtmodus stopt? Je ziet: neem een maatschappij die niet langer goed voor haar kleintjes zorgt, voeg daar de persoonlijke ­problemen van gezinnen aan toe, en je krijgt een cocktail die kan tellen.”

Toch verontrustend, ‘een maatschappij die niet langer voor haar kleintjes zorgt’. Op welke vlakken ziet u dat?

“Heb je nog een uur? (lacht) Om nog maar, puur medisch, een voorbeeld te geven. In de kinderpsychiatrie hebben we een aantal bijzonder zinvolle medicijnen die niet terugbetaald zijn. Ze kosten – hou je vast – 125 euro per maand. Aan het merendeel van de ouders die ik zie, durf ik dat dus niet eens voor te stellen. Ronduit jammer.

“Ander voorbeeld. We krijgen hier ook veel ­jongeren uit instellingen over de vloer. Ze komen hier meestal in individuele therapie. Vaak lang­durig. Maar zodra ze meerderjarig zijn en hun instelling verlaten, stopt hun therapie ook hier abrupt. Omdat ze dat niet uit eigen zak kunnen betalen. Ik moet er wellicht geen tekeningetje bij maken hoe nefast dat kan zijn?

“Nog zoiets: de scholen. Een kind dat vroeger onder de druk bezweek, kon veel sneller zijn weg vinden naar het buitengewoon onderwijs. Met het M-decreet is dat veranderd. Ook kinderen met een duidelijke ontwikkelingsachterstand moeten conform de richtlijnen toch eerst naar het gewone onderwijs. (schudt zijn hoofd) Al die ­belachelijke structuren en regeltjes gaan zo vaak boven menselijkheid.”

Over het onderwijs gesproken. Met minister Hilde Crevits (CD&V) komt er nu in de eindtermen toch aandacht voor mentaal welbevinden. Is dat geen goeie zaak?

(rolt met zijn ogen) “Kijk, dat is dus precies wat ik bedoel. Nog zo’n voorbeeld van een structuur die in de plaats komt van wat het normaal zou ­moeten zijn. Welaan dan, ze gaan in de eind­termen iets zetten over psychische problemen. Theoretische kennis of zo? (wuift weg) Wat ­verandert dat? Dan denk ik: al die gemiste kansen om voor meer verbondenheid te zorgen, ook op de scholen.”

Wat moet er volgens u dan wel gebeuren in het onderwijs? Kunnen juffen en meesters een rol spelen in het hechtingsverhaal, als de ouders het laten afweten?

“Absoluut. Maar dan op één voorwaarde: dat het schoolsysteem radicaal verandert. Halveer de klassen. Zet alle onderwijsmensen in om klassen te maken van tien leerlingen. Zodat elke leerling, van jongs af aan, tenminste een menselijke relatie kan aangaan met zijn juf of meester. Stop met leerkrachten te bedelven onder administratie, onder sheets die ze tot ’s avonds laat zitten in te vullen. Geef de klas aan de leraar terug. Dan geef je de leerlingen ook een hechtingsfiguur terug.

“Als je dertig kinderen in je klas hebt, plus allerlei log- en dagboeken, dan gaat dat alleen maar ten koste van de menselijke zorg. En het is toch daar waar het allemaal begint. Die zorg is de basis. Als kwetsbare jongeren met een moeilijke thuissituatie al niet op school die verbondenheid vinden. Tja, waar dan wel?

“Bovendien hebben scholen ook de taak om andere problemen te erkennen. Zo verlaat 75 procent van alle adolescenten de schoolbanken met ernstige pestervaringen. En dan heb ik het dus niet over wat plagerij. Wij horen daar verschrikkelijke verhalen over – 75 procent, jawel! Zowel in het echte leven als cyberpesten. Zo’n 10 procent houdt daar een posttraumatische stressstoornis aan over. Nu, we hebben dat onder controle. Daar zijn trajecten voor, onder meer met psychotherapie. We kunnen daar als psychiatrie wel weg mee.”

Maar toch, de nood aan verbinding was nooit groter, als ik u zo hoor. Is onze ­samenleving echt zo op hol geslagen?

“We kunnen er wat van, alleszins. Het doet me aan iets denken. Vorige week had ik een intake-gesprek met een meisje van 6. Ze zit nog geen twee maanden in het eerste leerjaar. Nog voor ik haar op gesprek zag, had ik al twee mails ontvangen van haar schooldirecteur: ‘Zo kunnen we dat meisje hier niet houden en zal ze geschorst worden’. Het ging niet eens om een geval van agressie. Wel om een hyperactief meisje uit een warm nest.

(wijst naar een poefje in zijn praktijk) Zie je dat zeteltje daar in de hoek? Daar zat ze op te schommelen alsof het een wild paard was, erg grappig. (lacht) Een heel creatief kind dus, alleen ­moeilijk hanteerbaar in een klas van 25 kinderen. Maar hoe ze daar dan mee omgaan. Schorsen? Dat blijft wel een kind van 6, hè. En dit gaat dan nog niet eens over hechtingsproblemen.

“Tja, wat voor boodschap geef je dan als samenleving mee?”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234