Woensdag 11/12/2019

Bruxelles ma belle

Mag ik u voorstellen: Wannes en Sofie. Hij is eindredacteur bij het vtm-programma Telefacts. Wat zij doet, heb ik niet gevraagd, maar ik heb een vaag vermoeden, sinds mijn oog op de tientallen boeken over architectuur in hun enorme boekenkast viel. Het koppel, dat sinds vorig jaar een zoontje heeft, waren de eersten die reageerden op mijn vraag naar huizen waarin ik een weekje mocht gaan wonen. Daar hadden ze ook hun redenen voor.

Wannes en Sofie waren een beetje boos op De Morgen. Eind september verscheen in onze krant een artikel met als titel ‘Het beleg van de Stalingradlaan’. De genoemde straat verbindt het Zuidstation met het hart van Brussel. De Stalingradlaan stopt aan de place Rouppe, vooral bekend van het tweesterrenrestaurant Comme Chez Soi, tot voor kort gerund door Pierre Wynants. De laan zit vol Marokkaanse theehuizen, goedkope touroperatoren en groentewinkels. In september vorig jaar vielen agenten in tal van panden binnen. Tweeënzeventig mensen werden aangehouden. Twee dagen later vertelden buurtbewoners in deze krant dat het ‘un quartier chaud’ was, waar jongeren maar met drie dingen bezig zijn: portefeuilles pikken, drugs dealen en auto’s openbreken.

“Wij lazen dat artikel op een terras in de Stalingradlaan”, vertelden Wannes en Sofie toen ik hun sleutels kwam ophalen. “We keken rond ons en dachten: ‘Is dit nu die gevaarlijke buurt waarin wij wonen? Zouden we nog wel onze koffie durven opdrinken, of zouden we tegen dan al bestolen zijn in deze no go-zone?’ Daarna proestten we het uit van het lachen.”

Na mijn oproep hebben ze meteen gemaild, zodat een journalist van De Morgen eens de sfeer van hun buurt kon opsnuiven. En vooral: van de place Rouppe, wat Wannes en Sofie omschrijven als de nieuwste place to be in Brussel, het plein waarvan de terrassen overvol zitten, hoofdzakelijk met hipcats. In hun woorden klonk het alsof de buurt rond de Dansaertstraat en het Katelijneplein, toch al jaren zowat de hipste côté van Brussel, very 2004 was.

Wanneer ik hun appartement binnenstap, neem ik uit de fruitschaal de kaart waarmee je tegenwoordig op elke straathoek in Brussel een fiets uit een slot kunt nemen, een prachtig idee dat is overgewaaid uit Barcelona en Parijs. Vijf minuten later fiets ik langs de place Rouppe en door de Stalingradlaan. Tussen de theehuizen valt mijn oog op een winkeltje van een kunstenares die meubels en kussens met riet maakt, en op het viersterrenhotel Floris Avenue, in een uniek herenhuis. Tussen de kermiskramen fiets ik de binnenring over en rij ik Sint-Gillis binnen, omdat Wannes en Sofie me aangeraden hadden die buurt te gaan kijken, ten zuiden van het Zuidstation. Bovendien had ik ook een mail gekregen van een zekere Christian Steen. De man schreef me dat hij ten noorden van het Zuidstation woonde, een buurt die het wilde westen was geworden, waar alles werd verkocht aan haaien uit de immomarkt, die de ziel uit de ooit zo multiculturele buurt gehaald hebben. Mijnheer Steen zei dat hij me Sint-Gillis wilde laten zien, een buurt waarin hij nooit wilde wonen toen hij er als kind met de tram passeerde, omdat alles er vuil en vies was. Nu doet hij niets liever dan daar gaan wandelen. “In Sint-Gillis heeft de gemeente er wél veel aan gedaan om de straten op te fleuren”, zei hij.

Terwijl ik door Sint-Gillis fiets, kom ik op een heraangelegd plein, waarop kinderen met alle mogelijke huidskleuren ravotten. Hun ouders zitten op terrasjes van Griekse, Spaanse, Italiaanse en Marokkaanse restaurants aan één kant van wat het Betlehemplein heet. Een paar straten verder zie ik drie jongens zonder gêne crack roken in een auto. Daarna kom ik op een markt die ik nooit eerder heb gezien. Twaalf terrasjes tel ik op het Sint-Gillis Voorplein. De restaurants en cafés zijn een mengelmoes van ouderwetse maar typisch Belgische brasserieën en ultrahippe snack- en cocktailbars.

Ik zet me voor Brasserie Verschueren, een bruine kroeg van waaruit ik de zon zie verdwijnen achter een kerkje. Alle tafeltjes zijn volzet. Ik zie een oudere man met een T-shirt van The Ramones, een zwarte man en een hoogzwangere blanke vrouw waaruit binnenkort een prachtig kindje moet komen. Verder niets anders dan jonge mensen die eruitzien alsof ze in een reclamebureau werken of bij dEUS spelen (same same but different). Wanneer ik na afloop ga betalen zeg ik tegen de Japanse jongen achter de kassa, in mijn beste Frans: “J’ai eu un bolo et une bière.” Hij antwoordt, in ’t plat Brussels: “Allé joeng, is ’t echt?”

Terug in het appartement haal ik het boek Istanbul uit de kast, van de Turkse schrijver Orhan Pamuk. Uit de platenkast, die uitpuilt van de jazz-cd’s, kies ik Everybody Digs Bill Evans, de klassieker uit 1958 van de pianist van Miles Davis, die meespeelt op Kind of Blue. De volgende ochtend wandel ik naar café Bebo, dat wordt uitgebaat door de dochter van Pierre Wynants. Voor 5 euro krijg je er een ontbijt, inclusief vijf Belgische en twee Franse kranten. Samen met het funky hamburgerrestaurant Le Houtsiplou, waar ik die avond nog de burger L’Obama zal eten, zorgt café Bebo voor de renaissance van de place Rouppe.

Het is een wandeling van twintig minuten naar de redactie. Ik hoef niet aan te schuiven in een file, of een plaats zien te bemachtigen op een overvolle trein. Ik zeg bonjour tegen Manneke Pis en ruik de geur van bruine zeep uit cafés die worden schoongemaakt, de geur die de Parijse dichter Charles Baudelaire zo haatte tijdens zijn jaren in Brussel. Op een terras naast de Ancien Belgique steekt iemand zijn hand naar mij op, terwijl ik niemand in de hoofdstad ken. Het blijkt de uitbater van een Paninibar op de Jacqmainlaan waar ik altijd een bekertje soep krijg wanneer ik er tussen de middag om een broodje ga.

Ik zwaai terug, glimlach en voel me voor het eerst in mijn leven een klein beetje Brusseleer. Als mijn vriendin niet in Gent zou werken, als ik niet zoveel vrienden in die stad zou hebben, als daar niet jaarlijks het meest unieke volksfeest ter wereld plaats zou vinden en als die stad niet zo’n aangename burgemeester zou hebben, dan verhuisde ik meteen naar Brussel. En ik weet: ik kom nog eens terug, naar een andere buurt in dezelfde stad, nu ik nog anderhalve maand kan wonen waar het mij wordt aangeboden.

Au revoir, Bruxelles, ma belle.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234