Vrijdag 22/11/2019

Interview

Bruno Vanobbergen zwaait af als kinderrechtencommissaris: “Ik kan soms niet anders dan reageren vanuit een kwaadheid”

Bruno Vanobbergen: pedagoog, Vlaams kinderrechtencommissaris en straks directeur van het Vlaams Agentschap Opgroeien. Beeld Stefaan Temmerman

Het waren tien intense jaren, maar vooral zijn meest recente dossier, dat van Anna-Maria die opgesloten zit in Steenokkerzeel, maakt hem zichtbaar kwaad. Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen (46) neemt straks afscheid, maar blijft strijdvaardig. “Die miserie raakt je, en tegelijkertijd duwt ze je vooruit.”

“Een politieke carrière?” Kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen grijnst even. “Laat ons zeggen dat het anders is uitgedraaid.” Vanobbergen is iemand die elk woord vakkundig wikt en weegt, en dat is in dit afscheidsinterview niet anders. Straks legt hij zijn mandaat neer, om op 1 maart aan de slag te gaan als topman van het nieuwe Agentschap Opgroeien, een fusie tussen Jongerenwelzijn en Kind&Gezin.

Slechts sporadisch komen er barstjes van verbetenheid in het diplomatische pantser. Als hij het heeft over de achtjarige Anna-Maria bijvoorbeeld, die samen met haar ouders en zusje momenteel opgesloten zit in afwachting van repatriëring naar Armenië. Dan komen de woorden rechtstreeks uit de buik. “Wat je ook over die ouders zou kunnen beweren, je zit hier met een kind dat in ons land is geboren, hier al acht jaar leeft en naar school gaat. Ze is perfect geïntegreerd en spreekt heel goed Nederlands. Het is ‘een kind van ons’, om het eens in de terminologie van anderen te zeggen. Dit raakt me heel sterk.”

Wie is Bruno Vanobbergen?

- Geboren in 1972 (Deinze)

- Doctor in de pedagogische wetenschappen (UGent)

- Volgt in 2009 Ankie Vandekerckhove op als Vlaams kinderrechtencommissaris

- Start op 1 maart als topman van het Vlaams Agentschap Opgroeien

- Samen met Gents sp.a-schepen Astrid De Bruycker en vader van Isaac (17), Salome (5) en Mozes (3)

Omdat het onrechtvaardig is?

Bruno Vanobbergen: “Ja. Ik ben al heel lang met dit thema van kinderen op de vlucht bezig en heb intussen al een en ander gezien in Calais, Steenokkerzeel of in andere schrijnende dossiers die bij ons binnenkomen. Die kinderen moeten enorm strijden voor hun rechten. Ze worden al te vaak gepresenteerd als gevaarlijke kinderen, terwijl het kinderen in gevaar zijn. Dan kan ik niet anders dan te reageren vanuit een kwaadheid.”

“Maar ik denk dat ik als kinderrechtencommissaris altijd geprobeerd heb om gedocumenteerd kwaad te zijn. In het KB, dat opsluiting van minderjarigen regelt, staat heel duidelijk dat opsluiting in Steenokkerzeel de allerlaatste maatregel moet zijn. Als je het voortraject van dit gezin bekijkt, heeft men veel te weinig ingezet op alternatieven voor detentie. Er is nooit echt werk gemaakt van een terugkeerbegeleiding aan huis.

“In het rapport van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) staat enkel: ‘Het is in het belang van het kind om de administratieve situatie van de ouders te volgen.’ Dat is niet ernstig. Terwijl er ondertussen genoeg voorbeelden zijn uit andere landen hoe die inschatting van het belang van het kind wél goed kan worden gemaakt.”

Wat bedoelt u dan concreet? Hoe kan het dan wel beter?

“In Nederland heb je bijvoorbeeld het BIC-model, wat staat voor Best Interest of the Child. Dat is een instrument waarbij naar veertien parameters gekeken wordt die in het leven van een kind voldoende kwalitatief moeten zijn om een goede ontwikkeling te waarborgen.

“Met zo’n instrument maak je het kind op z’n minst zichtbaar. Dat is iets helemaal anders dan wat er nu gebeurt. Volgens het KB moet er na veertien dagen opsluiting een rapport opgemaakt worden over wat het fysiek en psychisch doet met een kind om opgesloten te zitten. Over Anna-Maria hebben we een rapport van de kinderpsychiater en een van DVZ. Het is ongelooflijk hoe groot het verschil is. De kinderpsychiater heeft met haar gepraat en heeft haar bijvoorbeeld ook tekeningen laten maken en die geanalyseerd. Het rapport van DVZ is gemaakt op basis van een aantal observaties. Dat is het grote verschil tussen spreken met en spreken over kinderen.”

Is ‘het belang van het kind’ geen abstract begrip, dat dus voor interpretatie vatbaar is?

“Dat was inderdaad jaren het geval, maar dat kun je vandaag niet meer zeggen. Er zijn modellen genoeg waarmee je dat concreet kunt maken. We stellen alleen vast dat men daar nog altijd niet mee aan de slag gaat. En dat is vreemd.”

Misschien net omdat men wéét dat het niet in het belang van een kind is om het op te sluiten?

“Ik weet het niet, we krijgen er ook geen antwoord op. En in die zin blijven wij altijd maar op diezelfde nagel kloppen.”

Aan de muur van zijn kantoor krijgt een quote van de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt een prominente plaats: ‘Keiner hat das Recht zu gehorchen’, vertaald ‘Niemand heeft het recht om te gehoorzamen’. Conformeren is iets wat Vanobbergen nooit gedaan heeft als kinderrechtencommissaris. Op het Agentschap Opgroeien zal het keurslijf iets strakker spannen. “Natuurlijk ga ik die rol als kritische waakhond missen. Ik heb dit tien jaar ongelooflijk graag gedaan. Ik hoop dat je dat ook voelt”, zegt hij bevlogen.

U bent heel erg begaan met de jongeren wier rechten u verdedigt. Hebt u de harde verhalen vaak mee naar huis genomen?

“Mocht u aan mijn oudste zoon vragen hoeveel hij weet van het Kinderrechtencommissariaat, dan is het antwoord zeer veel. Natuurlijk neem je dat mee naar huis. Omdat het zo lastig is om te aanvaarden dat het zo is. Dat geldt trouwens niet enkel voor vluchtelingenkinderen, maar evengoed voor kinderen met een handicap of in de jeugdzorg die niet de gepaste zorg krijgen. Die miserie raakt je, en toch duwt ze je tegelijkertijd ook vooruit.”

Nooit het gevoel gehad dat u in de woestijn stond te roepen in de hoop dat iemand zou luisteren?

“Ik ben niet gefrustreerd, als u dat bedoelt. Op veel andere domeinen hebben we echt wel iets kunnen betekenen. Kijk naar een thema als het sanctiebeleid op school. Daar zijn we al een aantal jaar behoorlijk intensief mee bezig en we worden nu voortdurend gevraagd om mee rond te tafel te zitten.

“Ook de dak- en thuisloze kinderen hebben we op de kaart gezet. Dan zie je dat de Centra voor Algemeen Welzijn (CAW) op de kar springen en dat in hun beleid opnemen. Het zijn maar enkele voorbeelden van hoe we wel degelijk ook successen boeken. Maar de ene groep kinderen en jongeren vraagt nog meer strijd dan de andere.”

Vanobbergen: “Ik heb dit tien jaar ongelooflijk graag gedaan. Ik hoop dat je dat ook voelt." Beeld Stefaan Temmerman

Er was onlangs een thema waar we u niet meteen over hoorden. John Crombez (sp.a) zette vorige week nog maar eens de verplichte anticonceptie in sommige situaties op de agenda.

“Het is altijd moeilijk om te vertrekken vanuit zeer precaire situaties om tot algemene aanbevelingen te komen. Ik ga dus niet meteen zeggen: de verplichte anticonceptie is dé te volgen weg. Ik vind wel dat we in een aantal heel extreme situaties een moeder onder toezicht moeten kunnen plaatsen, zodat ze niet langer gedrag stelt dat een gevaar betekent voor het ongeboren kind.

“We moeten daar sterker over gaan nadenken. Net als over het begrip ouderschap in het algemeen. In Nederland heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau een schitterend rapport gemaakt over de herijking van het ouderschap. Bij ons heerst nog de klassieke opdeling: je hebt een kind en je hebt twee ouders. Terwijl er ondertussen al verschillende vormen van ouderschap zijn, die we ten gronde moeten kunnen erkennen en juridisch verankeren. Wat is het statuut van een draagmoeder bijvoorbeeld? Vanuit het perspectief van het kind is het belangrijk om ook die vrouw een statuut te geven, zodat die op z’n minst zichtbaar kan zijn.

“Maar ik zie het ook breder: welke rechten hebben plusouders en pluskinderen bijvoorbeeld? En wat als een nieuw-samengesteld gezin opnieuw uit elkaar gaat en de mama voor het kind van de vader een heel belangrijk referentiepersoon was?”

U wilt dat zo’n denkoefening ook hier gebeurt?

“Absoluut. Wij hebben zo’n planbureau niet, maar wel de nodige expertise. Je zou een commissie van experten moeten hebben die zich daarover kan buigen. Vooral de stap ‘wat kan dat beleidsmatig gaan betekenen?’, is toch wel een belangrijke.”

Een andere denkoefening die in Nederland aan de gang is: het kinderpardon, de regeling voor regularisatie van minderjarige vluchtelingen zonder papieren. Bij ons blijft het opvallend stil in politieke kringen.

“De druk rond dit thema vanuit de samenleving is in Nederland veel groter dan bij ons. In het najaar zouden in Nederland twee kinderen uitgezet worden. Wel, ze hebben die kinderen op een bepaald moment zelfs helpen vluchten en onderduiken. Allemaal gecoverd door een ontzettend sterk kinderrechtenmiddenveld. Tot ze vanuit de politiek gezegd hebben: ‘Bon, ze mogen blijven.’ Ik zie dat uw krant er nu over schrijft, iets wat ik de voorbije jaren al vaak heb gedaan. Van ons hangt het alvast niet af.”

Als u nu terugkijkt naar de stenen die u wel wist te verleggen, waar bent u dan het meest trots op?

“Dat ik erin geslaagd ben om bij een heel breed publiek van professionals het kinderrechtenverhaal ingang te laten vinden. Daar hebben we echt bakens verzet. Van ziekenhuizen die zijn beginnen werken aan een charter rond kinderrechten tot de beweging in de sport voor ethiek en kinderrechten, zoals de discussie rond jeugdtransfers. Overal is iets gaan bewegen, net doordat we met alle betrokkenen de denkoefening hebben gemaakt: ‘Wat kunnen kinderrechten voor u, in uw school of ziekenhuis, concreet betekenen?’

“‘Zo, en niet anders’, die aanpak werkt niet. Dat kinderrechtenverdrag is geen kookboek. Het is enkel een referentiekader met twee belangrijke kapstokken: integriteit en participatie. Zonder te stoefen, die boodschap heeft aangeslagen. Ze heeft mensen goesting doen krijgen om met kinderrechten aan de slag te gaan. Maar het directe antwoord ligt bijna nooit op tafel.”

Een concreet voorbeeld?

“Neem nu de slachtoffers van tienerpooiers. Dat het preventieve luik goed moet zitten, en er ook een betere bescherming moet zijn van zodra ze in de jeugdzorg zijn geplaatst, dat klopt allemaal. Maar die meisjes zijn vaak helemaal kapotgemaakt. Voor sommigen lukt het om terug de stap naar school te zetten, maar doe je daar voor iedereen goed mee? De kans bestaat dat je hun kwetsbaarheid vergroot door ze meer in het publiek te brengen. Zoiets moet je dus vooral stapsgewijs en voorzichtig aanpakken, met die twee kapstokken voorop. Die integriteit beschermen, zowel fysiek, psychisch als seksueel, en luisteren naar de stem van die meisjes zelf.”

Het compliment dat Vanobbergen eerder deze maand kreeg van UHasselt-rector Luc De Schepper, bij de uitreiking van zijn eredoctoraat, is in die zin tekenend: “Hij heeft een stem gegeven aan zij die doorgaans moeten zwijgen”. Een duik in de archieven van de Vlaamse pers spreekt boekdelen. Vanobbergen werd de voorbije vijf jaar drie keer zo vaak opgevoerd als in de eerste vijf. “Een bewuste strategie is dat nochtans niet geweest”, zegt hij daarover. “Misschien heeft het deels te maken met de toenemende polarisatie van het maatschappelijke debat. En dat daar een urgentie ligt om ons te mengen en nuance te injecteren.”

Al verliep de relatie met de media niet altijd opperbest. In september lekten in deze krant tussentijdse rapporten van de maandcommissarissen, burgers die sinds 2018 maandelijks de gesloten jeugdinstellingen in Vlaanderen bezoeken en rapporteren aan het Kinderrechtencommissariaat. Daarin werd een grimmig beeld geschetst. “Men heeft daar jammer genoeg een aantal quotes uitgehaald. Ik vond dat niet ernstig.”

Bruno Vanobbergen kreeg eerder dit jaar een eredoctoraat van de UHasselt. Beeld Stefaan Temmerman

U reageerde toen heel kwaad op die berichtgeving. Waarom nam u de jeugdinstellingen in bescherming?

“Ik nam vooral de maandcommissarissen in bescherming. Die vrijwilligers zijn nog volop hun weg aan het zoeken binnen een omgeving die het niet gewoon is van ramen en deuren zomaar open te zetten. Dat de info die wij bundelen op die manier op de straatstenen gegooid is, was niet alleen oneerlijk voor de maandcommissarissen, het bracht vooral hun traject in gevaar. Vergeet niet dat de gemeenschapsinstellingen een enorme sprong voorwaarts hebben gemaakt. Toen ik hier tien jaar geleden begon, was een kinderrechtenperspectief bij die instellingen geen evidentie.”

U bent vaak op bezoek geweest in die gesloten instellingen, om te gaan praten met kwetsbare jongeren. Neemt de vader in u het soms over van de kinderrechtencommissaris?

“Ik denk eerder dat het omgekeerd is en dat mijn leven als kinderrechtencommissaris mijn visie op het vaderschap en ouderschap heeft gekleurd. De confrontaties met die jongeren zijn soms keihard, en dat besmet je ouderschap. Mijn oudste zoon heb ik verschillende keren meegenomen om te tonen: dit is wat er met uw leeftijdsgenoten gebeurt. Al heb ik die boodschap meegegeven aan alle kinderen en jongeren die ik de voorbije jaren sprak: ‘Zoek ontmoeting met datgene waar je minder vertrouwd mee bent.’”

Jongeren zoeken de laatste weken volop de ontmoeting op straat. Hoe kijkt u naar die 35.000 klimaatspijbelaars?

“Ik sta vooral te kijken van de kracht van die jonge mensen en de dynamiek die ze teweeg hebben gebracht. Heel veel volwassenen hebben een grote sympathie voor die jongeren, en gaan mee in hun verhaal. Ik denk dat we daar zeer grote bewondering voor moeten hebben.”

Een van uw stokpaardjes is stemrecht op 16. Hebben ze dat nog wel nodig?

“Ik vind dat net een argument extra om daar werk van te maken. Ze moeten zich niet alleen over het klimaat kunnen uiten, maar ook over andere thema’s. Ik blijf erbij: elk argument dat gegeven wordt tegen stemrecht voor jongeren is een argument dat je ook voor volwassenen kunt gebruiken. ‘Ze weten er te weinig van’ of ‘Het interesseert hen niet’. Dat zijn geen argumenten. In verschillende andere landen zijn er doorbraken richting stemrecht op 16. Ook bij ons is dat een kwestie van tijd.”

Op 1 maart mag u trouwens zelf het beleid gaan bepalen als directeur van het nieuwe Agentschap Opgroeien. Is dat een grote stap voor u?

“Inhoudelijk niet, want het is de bedoeling dat ik mij volop met jeugdhulp ga bezighouden. Maar ik ga natuurlijk wel aan de andere kant van de tafel gaan zitten. In mijn huidige job heb ik vooral een adviserende taak. We zijn een onafhankelijke instantie. Bij het nieuwe Vlaams agentschap word ik verantwoordelijk voor de implementatie van beleid. Dat is ook een stuk minder publiek dat wat ik nu doe. Het is dus toch iets helemaal anders.”

U bedoelt dat u dan degene bent die kritiek zal krijgen, in plaats van er te geven.

(lacht) “Precies. Al ben ik daar niet bang voor. Ik heb altijd geprobeerd om heel eerlijk, oprecht en integer mijn job vorm te geven en dat zal ik in mijn nieuwe job ook doen. Al zal het even wennen zijn.”

U vult dit kantoor nog tot 22 februari. Is er een cadeautje dat u nog wilt inpakken voor uw opvolger?

“Ik denk dat er al veel cadeautjes klaarliggen. We zijn bijvoorbeeld onlangs een interne oefening gestart om het Kinderrechtencommissariaat nog beter georganiseerd te krijgen. Ik ben blij dat ik dat nog op de sporen heb gezet.”

Zijn woordvoerder Hilde Cnudde komt even tussen: “Zou je niet die kinderen nog willen vrij krijgen uit Steenokkerzeel?”

“Ja, dat zou fantastisch zijn.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234