Woensdag 21/08/2019

Irak

Bruisend Bagdad: zo schudt de hoofdstad van Irak de verlammende angst van zich af

Het is een drukke bedoening tijdens de ramadan in de Kadhimiya-buurt in Bagdad. Beeld Alamy Stock Photo

In een jaar is de sfeer in Bagdad compleet veranderd. De vrees voor aanslagen heeft plaatsgemaakt voor bruisende energie. Overal ontluiken sportscholen, kunstcafés en bedrijfjes. Bagdad heeft weer toekomst.

Nu de Iraakse hoofdstad Bagdad zich losmaakt uit de oorlog, zie je hier dingen die heel gewoon zijn en toch ook weer niet. Zoals in sportschool Wolf Gym, waar een jonge vrouw met een hoofddoek fitnest in een zaal vol mannen. Niemand kijkt daarvan op, zo normaal is dat. Zoals de sportschoolbeheerder uitlegt: wie, man of vrouw, een probleem heeft met gemengde klasjes is natuurlijk altijd welkom om te betalen voor privéles.

Wacht even: dit is Bagdad. Een jaar geleden hadden ze hier nog geen gemengde sportscholen.

Raghad Kasim (30), de sportende vrouw in de zaal, voelde zich in het begin best opgelaten tussen al die mannen. Maar hier zijn nieuwere toestellen en leukere lessen, boxen en crossfit, dan in de sportschool alleen voor dames die ze eerder bezocht. En mannen, die heb je overal. “Ik heb ook te maken met mannen op het werk, op reis, op straat, in het verkeer… Waarom dan niet hier? Veel vrouwen in Irak werken, rijden auto, wij doen hetzelfde als mannen.”

Zo normaal als dit allemaal klinkt voor Kasim, die in de communicatie werkt en publicaties op haar naam heeft staan als Sexual harassment in the Iraqi workplace, is dit niet vanzelfsprekend. Haar familie is conservatief. Zes broers. Na haar studie mogen werken was een strijd. Een baan bij de overheid, ’s middags om drie uur uiterlijk naar huis, kon nog net. “Maar mijn werk is in de commerciële sector. Dat is pas om vijf uur afgelopen. Tegenwoordig ben ik vaak om negen of tien uur thuis. Daar zijn ze nu aan gewend.” Na de baan volgde een reis naar de Verenigde Staten en nu dus de sportschool. “Misschien doen andere vrouwen het beter, maar ik probeer het. Je moet.”

Groene zone

Bagdad kijkt naar de toekomst. Islamitische Staat (IS) is verslagen en Irak is veiliger dan in jaren. Op het hoogtepunt van de strijd tegen IS in 2016 werd de hoofdstad vrijwel dagelijks door aanslagen getroffen, met soms meer dan duizend doden en gewonden per maand. Vorige maand was er in Bagdad één aanslag, met acht doden. De hernieuwde oorlogsretoriek tussen Iran en de Verenigde Staten zou van Irak een nieuwe frontlijn kunnen maken, maar tot nu blijft dat bij één katjoesjaraket die zonder slachtoffers neerkwam op een onbebouwd stuk land. Protesten vanwege de moeizame economische situatie, het gebrek aan elektriciteit en water tonen de politieke gebreken in het corrupte Irak, maar leggen het opkrabbelende land niet lam.

Veel winkels in Irak heropenen na de bloedige aanslagen van 2016. Beeld Hawre Khalid

Bagdad, lang een gespleten stad, is sinds vorige maand weer één geheel. Voor het eerst sinds zestien jaar werd de ‘groene’ of ‘internationale’ zone opengesteld. Dat is de zwaarbewaakte enclave in het hart van de stad, gedomineerd door de Amerikaanse ambassade, waar diplomaten, medewerkers van internationale organisaties en Iraakse politici zich sinds de val van alleenheerser Saddam Hoessein in 2003 achter hoge muren en onder dekking van gewapende bewakers verschuilden voor het geweld in de ‘rode zone’, de rest van Bagdad, waar het gewone volk zich noodgedwongen ophield. Nu zijn de doorgaande wegen in de groene zone open voor alle Irakezen. Al eerder zijn duizenden blast walls verwijderd: manshoge betonnen muren die moesten beschermen tegen aanslagen en indringers.

Ineens oogt Bagdad niet meer als een betonnen fort waar bewoners zich ingraven uit angst voor hun medeburgers. In de stad waar westerse expats zich jarenlang bijna uitsluitend waagden in gepantserde auto’s, zijn de buitenlanders terug in het straatbeeld. Ze verplaatsen zich per taxi, een vervoerswijze die nog niet zolang geleden slechts als aanbeveling gold als je ontvoerd wilde worden, en bezoeken de sportschool. Daar, tussen de Iraakse spierbundels in Wolf Gym, sport deze avond ook een Franse hulpverleenster. Waarom ook niet? “Ik voel me veilig genoeg. De tijden zijn veranderd. Buitenlanders zijn geen doelwit meer.”

Nieuwe winkels

De stad ruimt niet alleen blast walls op, ze poetst ook littekens weg. Drie jaar geleden, in de van geweld zinderende ramadan van 2016, werden de tegenover elkaar liggende winkelcentra Al Laith en Hadi getroffen door de dodelijkste aanslag in Bagdad ooit: 323 doden. Na afloop waren van veel slachtoffers alleen nog de slippers te vinden. Al Hadi, toen een verkoold betonnen geraamte met overal de geur van de dood, is herbouwd: fonkelende nieuwe winkels. Veel glas. Namaakmarmer.

“We namen het goud van onze vrouwen, verkochten onze auto’s en sloten leningen af”, vertelt Hussein Joubouri in zijn herbouwde herenkledingzaak Ehab – confectie uit Turkije uiteraard, stel je voor, niet van lokale Iraakse handelaren. Hij stond in de zaak hier pal voor de deur toen het busje ontplofte. Zijn zoon, die nu springlevend achter de kassa staat, was zwaargewond. Zijn schoonzoon Ahmed (40), vader van twee jonge kinderen, stond toevallig net iets dichter bij de straat toen de klap kwam. Ahmed overleefde het niet. Joubouri toont zijn kleinkinderen, vlak na de aanslag: twee verdwaasde peuters naast het verse graf van hun vader. 

De Iraakse overheid ruimde puin, maar gaf verder niet thuis. De Joubouri’s moesten alles zelf betalen. Nog geen jaar na de aanslag openden de deuren van hun nieuwe zaak. Het portret van Ahmed heeft een prominent plekje gekregen in de kast met herenondergoed, boven de hemden.

Maar voor de herbouw van de bovenste verdiepingen van het winkelcentrum is geen geld. Aan de overkant in Al Laith, waar de meeste slachtoffers vielen, is men na drie jaar nog aan het metselen. “We hebben nog steeds schulden”, zegt Joubouri. “De aanslag was erop gericht de economie te stoppen. Mensen vermijden deze buurt.”

In The Station, met zijn hippe bar, verzamelen jonge ondernemers. Beeld Hawre Khalid

Niet ver van de herbouwde winkelcentra bevindt zich The Station, een verzamelgebouw van flexwerkplekken voor jonge ondernemers. Mannen in traditionele gewaden mengen zich met vrouwen in T-shirt en spijkerbroek. Jongeren die op de wanhopige Iraakse arbeidsmarkt gedoemd lijken tot werkloosheid, kunnen hier proberen een eigen bedrijfje te beginnen, een fijn gegeven dat westerse geldschieters niet ontgaat. The Station bevat een hip café en, als garantie voor chille brainstormsessies, een buitenzwembad.

“Mensen lachen me uit”, zegt Haider Aref (23). “Ze zeggen: jij moet een baan zoeken bij de overheid. Maar er zijn geen banen bij de overheid.” Hij handelt nu onder meer in elektronische armbanden die als een soort prikklok fungeren voor schoolkinderen. “Blauw voor jongens, roze voor meisjes. Waterbestendig en stootvast zodat je kunt zien of ze op school aanwezig zijn.”

Een ander jong bedrijfje, veelzeggend Palmboom geheten, legt zich toe op het verzorgen van palmbomen in tuinen in de wijdere omgeving van Bagdad. Potentiële klanten worden benaderd met een brief waarin een gedicht staat. Vertaald gaat dat ongeveer zo: Palmen hebben zielen / Palmen zijn heilig / Palmen moeten verzorgd worden / Zoals een kind.

Verlangen naar buitenland

Is dit niet een beetje te veel van het goede, in een stad die net een gruwelijke oorlog van zich afschudt? “Oorlogen kunnen jonge mensen niet stoppen om Irak te herbouwen”, zegt een van de initiatiefnemers, Labeeb Khasif al Gitaa. “Kijk naar de geschiedenis van Japan, Duitsland, de Verenigde Arabische Emiraten, al die landen kwamen op na een oorlog. Silicon Valley begon na de Tweede Wereldoorlog.” 

In deze flexwerktempel in Bagdad blijken de eerste Silicon Valley-techneuten onlangs een presentatie te hebben gehouden, zegt een van de bedrijfsleiders, Fadihl Dahaa. “We verwachten hier veel mensen uit Silicon Valley als de problemen met Iran zijn opgelost.”

Want Bagdad, ook zonder blast walls en groene zone, blijft verlangen naar het buitenland. In een hotel in de hoofdstad dendert een groep onmogelijk lange jongemannen naar het lunchbuffet. Ze komen uit alle provincies van Irak en behoren tot de jeugdselectie van het nationale volleybalteam. Vijf jaar geleden, toen Islamitische Staat bijna aan de stadspoorten stond, kwam het Iraakse volleybal nagenoeg stil te liggen: oliebedrijven en gasbedrijven trokken zich terug als subsidieverstrekker. Nu ligt een Aziatische competitie weer in het verschiet. Maar willen ze wel in Irak blijven? Stomme vraag, vindt Abdallah Mahdi Jihad (21). “Het is de wens van alle spelers om in het buitenland te mogen spelen.”

De kunsthandelaar: ‘Jarenlang was wat ik nu doe verboden’

Wie: Haider Sabah
Wat: mede-eigenaar van de alternatieve kunstwinkel Skull
Waar: in Skull

“We zijn vijf maanden geleden begonnen met een groep vrienden. Hier om de hoek in de kelder komt een café annex muziekcentrum. We zijn twee dagen geleden begonnen met decoreren. Alles wordt psychedelisch. Dat schilderij, van een man met een stoppelbaard en een vrouwenpruik, staat voor gelijkwaardigheid. Die foto is van mijn vrouw, met de zwarte hond Diva. De zwarte hertenkop op de muur, die staat voor dierenrechten.

“Het belangrijkste voor mij en mijn vrouw zijn dierenrechten. Thuis hebben we meer dan twintig honden en katten. We verzorgen ze en geven ze daarna op ter adoptie. Helaas is er in Bagdad een trend om honden te doden. We worden vaak bedreigd. Dieren helpen, dat vinden ze hier vreemd. Net als straatkinderen helpen. Het roept agressie op.

“Op deze tafel staan sieraden (piercings, oorbellen) voor mannen. Dat vinden ze in Irak ook vreemd. Drie jaar geleden was dit nog niet mogelijk geweest. Het was verboden. We organiseren hier bijeenkomsten, maar die zijn niet openbaar. We zitten daarom ook in een kelder en niet pal aan de straat. Vooral onze volgers van Instagram komen hier. Mijn vrouw heeft 70.000 volgers op Instagram.

“Het café wordt ook semi-besloten. We gaan daar geen alcohol schenken want anders mogen er geen meisjes komen. Dat zouden hun ouders nooit goed vinden.”

De theatermaker: ‘Je moet in je eigen stad blijven’

Wie: Alaa al Qahtan
Wat: acteur, artistiek directeur nationaal theater Bagdad
Waar: aan de bar van café Koffie en Boek

“Ik wacht hier nu tot de files voorbij zijn. Vannacht was ik hier ook, tot vier uur. Je gaat naar huis en je hoeft je nergens zorgen over te maken. Ik ben hier stamgast. Ik voel dat ik hier thuishoor. Dit café is anders dan de traditionele Iraakse cafés. Je hebt hier boeken, alles. Hier komt de elite, de dichters, de denkers. Ik raak hier geïnspireerd voor mijn toneelstukken.

“Mijn nieuwe toneelstuk, Satrapies, begint hier in Bagdad met vijf vertoningen na het Suikerfeest. Daarna gaan we op tournee. Naar Duitsland. Canada. Zwitserland. Tunesië. Oman. Libanon. Het gaat over een gezin, drie zonen en een dochter, en over de politiek. Het idee is: iedereen heeft een monster in zich. Hoe beheers je dat? Als je dat lukt, kun je een modern land bouwen.

“Als je succesvol wilt zijn, moet je in je eigen stad blijven en niet weggaan. Bagdad is een van de redenen van mijn succes. De laatste jaren zijn het best, na alle crises. Bijna mijn hele leven is het oorlog geweest. De Iran-Irakoorlog. De eerste Golfoorlog. De Amerikaanse invasie van 2003. Al Qaida. IS.

“In de tijd van Saddam Hoessein konden we alleen symboliek gebruiken. Toneelschrijvers wilden hun boodschap overbrengen, maar ook geen problemen krijgen met de autoriteiten. En als artdirector doe ik dat nog steeds graag. Ik houd van de indirecte weg. De milities, de corrupte groepen, die hebben het te druk om naar het theater te gaan. Zelfs al zou je je boodschap direct vertellen, dan nog is het veilig.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden