Zaterdag 19/06/2021

'Brugge was de stad van mijn vader, dus is het ook mijn stad'

Het is alsof je zijn vader ziet lopen, als je Ernst Happel jr. tegenkomt. Hugo Camps haalt met zoon Happel herinneringen op aan de vermaarde voetbalcoach, die hij enkele weken voor diens dood in 1992 nog interviewde. Junior: 'Als hij Club Brugge nu zag, zou hij zich omdraaien in zijn graf.'

Seze week liep ik een paar keer door het centrum van Brugge. Ik zag de mensen schrikken, hoorde een man tegen zijn vrouw zeggen: 'Maar zie nu daar eens, dat kan toch niet, die man is toch allang dood.' Anderen bleven staan en staarden me lang na. Dan gebeurt er iets in je rug. Ik heb er natuurlijk geen bezwaar tegen dat ik als twee druppels water op mijn vader lijk. Ik vind die aandacht zelfs een postume erkenning voor hem, nu precies twintig jaar na zijn dood. Brugge heeft veel van Ernst Happel gehouden."

Ernst Happel jr. is uit Wenen gekomen voor de wedstrijd van Club tegen Bordeaux. Zijn vriend Rudi Cousaert van hotel-restaurant Weinebrugge heeft voor kaartjes gezorgd. Op egards van het Clubbestuur rekent zoon Happel niet. Voetbal is een wereld van versteende herinneringen en ontrouw. "Toen mijn vader op 14 november 1992 was gestorven, hoorden we ook niets van Brugge. Wel van ADO Den Haag, Feyenoord en HSV. Die clubs waar mijn vader trainer was geweest, kwamen bij de uitvaart een laatste groet brengen. Van Brugge was er niemand.

"Twaalf jaar na zijn dood speelde Club een match in Wenen. Toen heeft Michel D'Hooghe het graf van mijn vader bezocht. Hij had een bloemenkrans bij zich. Dat heeft me geraakt. Uiteindelijk heb ik als kind talloze trainingen en wedstrijden van Club meegemaakt. Vandaar ook nu nog dat warme gevoel als ik in Brug- ge ben. En daar heb ik het ereterras van Club niet voor nodig. Brugge was de stad van mijn vader, en dus is het ook die van mij."

Het was een schok toen ik Ernst jr. in de gang van het hotel tegenkwam. Het was alsof ik zijn vader zag lopen. Dat bronzen hoofd, de opgespannen jukbeenderen, de volle lippen, diepe ogen, kaarsrecht. Zelfs de haardos leek mee uit het graf te zijn opgestaan. Hij was op weg naar de uitgang om een sigaret te roken. De vriendelijke vijftiger was de ultieme dubbelganger van zijn vader zaliger. Zo gesneden naar zijn beeld en gelijkenis dat je nog zou denken dat zijn moeder er niet aan te pas was gekomen.

De teruggeworpen legende.

Het streelt hem dat ik dat zeg. Met afgewende blik: "Alles wat jij van mijn vader in mij terugvindt, is aangeboren. Als mijn moeder in de keuken was en mijn vader en ik zaten in de woonkamer, kon zij niet uitmaken wie van ons twee gehoest had. Zo ver ging onze dubbele identificatie."

Ineens opgelucht: "Ken jij dan een voetbaldier dat niet Ernst Happel zou willen zijn? Ik heb dezer dagen, in de aanloop naar de twintigste verjaardag van zijn dood, wel tien interviews gegeven. Voor tv, voor kranten en tijdschriften. Zijn rijke carrière als coach weer helemaal in de focus, alsof hij nog steeds op de bank zat. En altijd met de repeterende vraag: wat was toch het geheim van zijn succes? Licht nu eens iets van de sluier van het mysterie Happel.

"Er was geen mysterie Happel. Mijn vader was pure liefde voor het voetbal. Er was geen andere passie in zijn leven. Ik had en heb geen zin om over zijn dood te spreken. Dat kan ik niet, dat wil ik niet. Tot de laatste dag van zijn leven was de dood taboe. Dat taboe moet ik respecteren. Enkele dagen voor zijn dood zat hij nog als Oostenrijkse bondscoach op de bank in het Praterstadion voor de kwalificatiewedstrijd tegen Israël. Zijn lichaam broos en breekbaar, maar zijn ogen rolden als vanouds met arendsblik de bal achterna. Dat was voor de buitenwacht het laatste beeld van mijn vader, en dat wil ik graag zo houden."

Wenen, 1992

Terug in de tijd, drie weken voor de dood van Ernst Happel in 1992. In zijn geboortestad Wenen met uitzicht op de hemelzuchtige pannen van keizer Frans Jozef. Verpletterende ornamentiek die meer dood dan leven oproept. In de stad waar sinds eeuwen de kamferreuk van rouw hangt. Ernst Happel ontvangt me in zijn kantoor in het Praterstadion. Voor zijn laatste grote interview. Ik hoor de beenderen en gewrichten knarsen als de wielen van de lijkwagen. Toch zegt hij: 'Ich bin noch nicht kaputt, mein Junge.' Een uur eerder in zijn geliefde Café Ritter had de kroegbaas me toegefluisterd dat Der Weltmeister kanker had. Zelf houdt hij het op een mysterieus virus dat hij had opgelopen op de Bahama's, waar hij met zijn ploeg Swarovski Tirol op oefenkamp was. Het woord kanker wil hij niet uitspreken. "Door dat virus ben ik erg vermagerd. Soms moest ik wel vier uur 'an die flesjes'. In Ritter dachten ze dat ik gegroeid was. Alle jassen waren me te groot, dan lijkt het alsof je ineens veel groter bent. Ik voel me zwak maar de dokters geven me hoop. Het hart is goed, het bloed is goed."

Hij vertelde over zijn vriend die in Ritter van de barkruk was gevallen. Hartinfarct. "Een mooie dood. Umfallen und wegwezen. In afwachting wil ik tussen de jongens in de frisse lucht." En dan niet zoals nu met een baseballpet op, om zijn kaalhoofdigheid te verbergen. "Zo'n pet staat zo loelig voor een alte man."

Happel jr. wil het verhaal liever niet horen. "Wat je nu zegt, is mij veel te intiem. Mijn vader was een trotse man en dat ben ik ook. We hebben samen veel gedeeld. Ik heb met hem tot mijn elfde in Nederland gewoond. Ik speelde bij de pupillen van ADO, waar hij coach was. Ik voelde dat ik de middelmaat nooit zou overstijgen en ben dan maar gestopt met voetballen. De hele tijd hoorde ik langs de lijn roepen: 'Hij moet op privéles bij zijn vader.' Ook om hem geen pijn te doen heb ik al vroeg in mijn leven het hoofdstuk voetbal afgesloten. Al wil ik, nog net als vroeger, alle wedstrijden zien. Dat heb ik van mijn vader - hij was ook niet voor de televisie weg te branden als er ergens een balletje rolde.

"Ik heb een prima jeugd gehad. Ook al zat mijn vader in het buitenland. In Nederland heb ik friet en saté leren eten. In Oos- tenrijk wisten ze niet wat friet was en nog minder wat mayonaise was. Kunnen ze niet maken. Mijn vader is altijd een patriot gebleven. Alleen over de oorlog heeft hij nooit willen spreken. Dat the- ma kon hij niet aan. In de beginjaren in Nederland beklaagde hij zich over wit brood. Hij was enkel bruin gewend. Wit brood vond hij troep. Zoals ook de Hollandse wijn. Hij zat in Wenen graag in een wijnkroegje. Uiteindelijk liet hij Oostenrijkse wijn, goeie Oostenrijkse worst en bruin brood door vrienden invoeren.

"Globetrotter, maar met Kerstmis wilde hij altijd in Wenen zijn. Die sfeer beroerde hem. Hij was gek op mijn twee kinderen. Zonder cadeaus kwam hij niet aanwaaien. De kerstmarkt in We- nen was vaste prik. Daar ging hij met de kinderen naartoe tot laat in de middag. Zodra hij thuiskwam, begon het kerstfeest. De na- bijheid van zijn kleinkinderen had voor hem iets heiligs. De mensen in Brugge die mijn vader hebben gekend, zullen dat niet geloven. Voor hen was Ernst Happel altijd die norse, ontoegankelijke man. Dat was hij juist niet. Wel een consequente man die een rechte lijn volgde. Geen millimeter links, geen millimeter rechts. Hij kwam ook nooit te laat. Immer correcte mens. Nooit link."

Rolling Stones

Zijn vader hield van Weense muziek. "En van Tom Jones. Hij kon maar niet begrijpen dat ik zo'n fan van de Rolling Stones was. In Oostenrijk hoorde je in de jaren zestig een enkele keer de Beat- les, maar dat was wel het maximum. Ik was een kind van Radio Veronica en Radio Caroline. Nadat ik 'Satisfaction' had gehoord, wou ik ook gitaar leren spelen. Dat mocht van mijn vader, maar ik hield wel wijselijk op met oefenen als hij het huis binnenkwam.

"Eén levenshelft heb ik in stadions doorgebracht, de andere in de luchtvaart. Voor Air Lauda reisde ik tweewekelijks naar Azië. Maar op een dag speelt de uithuizigheid op. Mede door de kinderen. Ik ben nu solo, maar voel me gelukkig in mijn opgeknapte boerderij net buiten Wenen. Haardvuur aan, op de bank naar voetbal en ijshockey kijken. Vroeger joegen de mensen achter mijn vader aan voor een foto en een handtekening. Rustig eten in een restaurant was er zelden bij. Sommige hufters trokken bij wijze van spreken de soeplepel uit zijn bek voor een handtekening. Of ik iets aan dat brutale volksbezit heb overgehouden? Als er veertig man aan de kassa van de supermarkt staan, kan ik niet snel genoeg naar buiten. Dan maar een dag zonder brood."

Zullen we het over voetbal hebben, zegt hij lichtjes bestraffend. Persoonlijke vragen maken hem toch wat nerveus. Dus over het moeras Club Brugge. "Als mijn vader van het troosteloze spel en het bestuurlijke gerommel bij Club zou horen, draaide hij zich om in zijn graf. Desnoods kwam hij per vleermuis naar het Jan Breydelstadion om het boeltje weer te laten sporen met zijn verleden als coach. Toen hij bij Club aantrad, was het daar sportief en financieel ook een puinhoop. Hij gooide er meteen zijn principe tegenaan: een voorzitter hoort voor en niet achter zijn trainer te staan. En verder moest iedereen hem zijn gang laten gaan. Hij kon niet leven met een bestuurskamer vol wijsneuzen.De ruim vier jaar bij Club zijn de meest onderschatte periode in zijn leven als coach. Ik spreek me niet uit over wat je de treurnis van Jan Breydel noemt, maar ik weet wel dat hij ongeveer dezelfde treurnis aantrof toen hij bij Club begon. Ook daarom heeft hij misschien wel intenser dan met Feyenoord, HSV en het Nederlandse elftal genoten van de successen die hij met Club had geboekt."

Geen trainer die ooit bij Club heeft gewerkt, was zo succesvol als Ernst Happel. Op 21 januari 1974 stapte hij als coach 'De Klokke' binnen. Het begin van het meest glorieuze tijdperk uit de geschiedenis van de club. Happel ging als een shovel door de organisatie. Hij schafte de hoge salarissen af en voerde een premiestelsel in. Dat was even slikken voor de bepalende spelers. Gevierde vedetten als Carteus, Vandendaele en Thio kregen de bons. Jeugdig talent (Volders, Krieger, Courant) werden in de basis gekatapulteerd. Happel won drie landstitels op rij, de beker, en haalde twee Europese finales (beide tegen Liverpool). Club speelde het modernste voetbal van België en omstreken.

Eerder had hij met het nietige ADO Den Haag de Nederlandse beker gewonnen en vervolgens won hij met Feyenoord de Euro- pacup I en de Wereldbeker. Dat zou hij later met HSV nog eens overdoen. Tussendoor zorgde hij voor het behoud van RC Harelbeke in tweede klasse en veroverde hij met Standard de Belgische beker. In 1978 werd Happel bondscoach van Oranje. Op het WK in Argentinië verloor Nederland de finale van het thuisland. Achteraf werd gezegd dat dictator Videla de uitslag had gemanipuleerd. Happel heeft zich daar nooit over uitgelaten.

Tijd voor langdradige besprekingen vooraf had hij niet. Waar- deloos tijdverlies. Zijn wedstrijdbespreking voor de WK-finale in Argentinië bestond uit één zin: "Meine Herren, zwei Punkte."

Op een avond toen Brugge tegen Milaan speelde, zat Ernst Happel nog vrolijk te kaarten terwijl de spelers al op het veld stonden. Het was zijn manier om de druk van het elftal weg te halen. Michel D'Hooghe moest hem uiteindelijk nog attenderen op het nakende fluitsignaal van de arbiter. Happel ging er altijd van uit dat echte voetbalprofs wel wisten wat ze te doen stond. Hij predikte in alle omstandigheden aanvallend voetbal.

De kunst van mijn vader was zijn ongehoord strategisch inzicht, zegt Happel jr. "Hij leerde zijn spelers dat ze nooit moesten uitgaan van de tegenstander. Geloof in jezelf. Mijn vader was zijn tijd vooruit. Hij voerde als eerste de pressing in. Eigenlijk had hij in de jaren 70 al het tiki-takivoetbal van FC Barcelona voor ogen. Hij kon elke tegenstander lezen en was oneindig creatief.

"Iedereen zei destijds dat de spelers bang voor hem waren. In- dianenverhalen. Mijn vader legde in de kleedkamer één keer de huisregels uit, en dat was het. Hij was streng maar correct. Het is geen toeval dat een oerrebel als Willem van Hanegem een uur heeft gehuild toen hij hoorde dat papa dood was. Mijn vader hield van moeilijke jongens. Dat was hij zelf ook geweest toen hij in de jaren 50 schitterde in het Oostenrijkse Wunderteam. Op de training en in de wedstrijd hield hij afstand van de jongens. Maar hij vertederde op zijn manier: hij kon nog altijd een colablikje van de lat trappen - die verfijnde traptechniek heeft hij altijd gehad, ook toen hij ouder werd. Daar keken alle jongens van op."

Dat de norse coach niet zonder gevoel was, zou blijken op de dag dat het dochtertje van Julien Cools verongelukte. Toen hij het hoorde, stuurde hij meteen alle spelers naar huis. Die dag bleef hij urenlang in de kantine zitten. Tot diep in de avond heeft hij daar gezeten met een fles cognac naast hem. Hij sprak geen woord. Later liet hij Julien Cools weten dat hij zelf mocht bepalen of en wanneer hij dacht weer aan spelen toe te zijn.

In ons interview in 1992 zei hij daarover: "Een trainer moet altijd een mensch blijven. Ik heb geen antwoord op de dood maar deel wel in de rouw van anderen. Julien Cools was een bepalende speler voor Club, maar soms moet resultaat wijken voor verdriet.

"Ik heb na dat ongeval nooit nog een opmerking gemaakt over het spel van Julien. Hij was een voorbeeldige prof, maar zelfs als hij een slechte wedstrijd spielde, kreeg hij van mij geen commentaar. We hadden vertrouwen in elkaar. Dat heb ik met alle spelers gehad, vertrouwen. En net dat ontbreekt nu in het voetbal. Na drie verloren wedstrijden wordt een coach buiten gekieperd. On- zin. Het bestuur had die coach toch het vertrouwen gegeven? En waarom stapte het bestuur dan zelf niet op? Ik verdedigde mijn spelers naar buiten toe altijd. Ik wees hen op het privilege voetballer te zijn. Soms vertelde ik dat ik als international van het Wun- derteam alleen maar brood te eten had. Er wás niets anders in de jaren 50. Daarom kon ik het niet hebben dat iemand zeurde over eten. Rijkdom heeft het voetbal kaputt gemaakt. De salarissen en transferbedragen zijn schofterig hoog. Zo krijg je Schlafwagen- fussball. Slechte mentaliteit, geen karakter, geen ruggengraat."

Prachtige typering die twintig jaar later de heersende malaise van Club Brugge volledig toedekt. Happel was vele jaren geobsedeerd door de armoede van zijn jeugd. "Als kind kreeg ik op zondag van mijn oma een schilling om in het offerblok van de kerk te gooien. Twintig groschen gaf ik aan de pastoor, de andere tachtig hield ik voor mezelf. De afspiegeling van luxe bestond niet, ook niet toen ik al in het Oostenrijkse nationale team voetbalde."

Misschien dat hij daarom later in een bontjas op de bank langs het veld zat. Textielwraak na een jeugd in vodden. Mijn va- der heeft een moeilijke jeugd gehad. Zijn ouders hadden een Gasthaus, maar hij voelde zich er een weeskind. Hij is opgevoed en opgegroeid bij een tante. Die had een winkel aan het Mart- plein. Op dat pleintje heeft hij met een stoffen bal leren voetballen. Met zijn vader had hij geen contact. Het gevoel zonder heimat te zijn, heeft hem nooit meer verlaten. Terwijl hij niet kon verdragen dat er een slecht woord over Oostenrijk werd gezegd. Ik heb een prachtige jeugd gehad. Mijn vader had vertrouwen in mij. Hij bepaalde de grens van leven en ongein. Met één blik, zonder woorden. Zoals hij ook als coach tussen de spelers stond. Als hij één minuut sprak, was het veel. Zijn pokerface was dwingender dan zijn woorden. Ik heb hem ook nooit horen schreeuwen. Voor zo ver ik mij herinner, deed hij dat in de dug-out ook niet.

Nooit gehuild

"Over zijn jeugd heeft hij mij nooit omstandig willen onderhouden. Wat er tussen hem en zijn vader mis is gegaan, hield hij voor zich. Hij had een gruwelijke hekel aan emotioneel exhibitionis- me. Ik heb hem nooit verliefd gezien op een andere vrouw. Ik heb hem nooit zien huilen. Hij is nooit gescheiden van mijn moeder."

Aan het einde van zijn leven ging hij twee keer in de week bij zijn vrouw eten, zeg ik. Dat heeft hij mij zelf verteld. Ernst jr.: "Horen dat soort anekdotes in een krant? Jij werkt toch niet voor Bild Zeitung. Zo er in zijn leven al iets van existentiële pijn is geweest, heeft hij het altijd verborgen gehouden. In al zijn liefde was hij natuurlijk toch een man van de Alleingang. Dat was zijn bewuste keuze. Zo is hij gebleven tot hij op zijn 66ste doodging."

Nog gekker dan van voetbal is de jonge Happel van muziek. "Ik heb vierhonderd songs geschreven, speelde in een band. Laatst nog heb ik nog opgetreden in een comedy op de Oostenrijkse tv. Nog steeds heb ik altijd mijn gitaar bij de hand. Recorder ook in de buurt. Ik zit daar dan en ineens is het alsof er een fax van boven bij mij binnenloopt, vol noten en woorden.'

"Ik ben nu fulltime kunstenaar. Ik heb jarenlang de wereld bereisd en heb overal foto's gemaakt. Die foto's overschilder ik op linnen. Op mijn site staan er tweehonderd. Moderne kunst, ja. Rock-'n-roll misschien. Het zijn afficheschilderijen. Ze kunnen overal hangen, binnen en buiten."

Of zijn vader een macho was? Verontwaardigd: "Mijn vader had dat niet nodig. Die kop, die blik, dat loopje waren uniek. Daar kon je niet naast kijken. Zijn hele look zoog de aandacht naar hem toe. Het cliché van een norse man bestaat alleen bij hen die hem niet gekend hebben. Hij kon ook perfect zijn verlies nemen. Alleen als de spelers als lamzakken hadden gevoetbald, was hij onaanspreekbaar. Dat ervoer hij als een soort verraad.

"Hij werd afgeschilderd als een bozige, ontoegankelijke man. Ik ga nog vaak naar zijn graf. Dat hele graf ligt vol met bloemen, banieren van HSV, sjaals van Feyenoord, brieven en kaarten van fans. Ook van Brugge? Iets minder. Aan dat graf zie je dat mijn vader nog steeds leeft. Iedere maand komen er andere pelgrims langs, ook met sjaals, shirtjes en brieven. Van mannen en vrouwen. Ik heb het recht niet om over zijn dood te spreken."

Nog een laatste citaat uit het interview met Ernst Happel van 1992. "Het lopen gaat moeilijk. Het is meer wankelen dan lopen. Dat verdraag ik niet, want juist de benen hebben mijn leven bepaald. Mijn benen als voetballer, later de benen van mijn jongens. Ik geloof niet in God, maar een paar goeie benen, soepel en intelligent, zijn een hemels geschenk. Ik denk dat vrouwen daar ook zo over denken."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234