Zaterdag 22/01/2022

Brugge, Die Groene

Na Berlijn, Amsterdam en Londen blijven we voor onze maandelijkse groene stadswandeling ditmaal dicht bij huis. We lopen vandaag door Brugge.

De omgeving van Brugge is rijkelijk bedeeld met kastelen en landhuizen, parken en grote domeinen. In de streek tussen Brugge en Torhout, niet toevallig het Houtland genoemd, ligt vandaag meer bos dan in heel West-Vlaanderen samen. Nu is West-Vlaanderen weliswaar een bij uitstek bosarme (maar wel zeer tuinenrijke) provincie - het zou een interessante oefening zijn om eens de verhouding te meten tussen, enerzijds, de oppervlakte bos en natuur en, anderzijds, de oppervlakte aan privé-tuinen, en dat te koppelen aan het gemiddeld inkomen van een regio - maar de omgeving van Brugge is uitermate goed bedeeld. In een straal van 25 km rond de stad zijn er wel een honderdtal kasteelparken te vinden, waarvan vijfenveertig op Brugs grondgebied. Vooral op de arme zandgronden aan de zuidkant van de stad, waar de bodem minder geschikt was voor de landbouw en zich nog grote bossen bevonden, werden in de 16de en de 17de eeuw en, in een tweede golf, in de 18de en de 19de eeuw prachtige kasteeltuinen aangelegd.

Een groot deel van dat bos- en parkerfgoef werd in de jaren vijftig en zestig verkaveld en bebouwd omdat de adellijke eigenaars niet langer het beheer van hun domeinen konden financieren. De huidige bewoners van die verkavelde kasteelparken genieten nu van een aangename woonomgeving en hebben er vaak ook prachtige tuinen aangelegd.

Met de gewestplannen van 1972 werd aan die verkavelingsdrift een halt toegeroepen waardoor een aantal groengebieden zoals Tillegem, Tudor, Beisbroek, Koude Keuken, Ryckevelde, Veltem, Rode Poort en Bloemenoord door de overheid werden verworven en opengesteld voor het publiek.

In de voormalige kasteeldomeinen Beisbroek en Tudor in Sint-Andries nam de stad Brugge na de aankoop verscheidene initiatieven ten behoeve van zachte recreatie en natuureducatie. Bij het Tudorkasteel werd ondermeer een siertuin met grote bloemenborders aangelegd, een herinnering aan de tuinen die er in het begin van deze eeuw kwamen dankzij de toenmalige bewoonster Cécile van der Renne de Daelenbroeck. De oude ommuurde groentetuin van Tudor werd als kruidentuin ingericht. In vier grote symmetrische vierkanten met een pad in kruisvorm staan vierhonderd kruiden die vroeger werden gebruikt in de geneeskunde, de keuken, de parfum- en de verfindustrie. De vele fruit- en leibomen tegen de tuinmuur herinneren aan de vroegere bestemming van deze tuin. In het landschappelijke park staan veel interessante bomen, waaronder enkele indrukwekkende coniferen zoals Abies nordmanniana, Cedrus Atlantica en Chamaecyparis lawsoniana 'Intertexta'.

Ook het bijna honderd hectare grote Beisbroekpark herbergt een aantal uitzonderlijke bomen. Het is vooral interessant als natuurgebied en bevat ondermeer een uniek stukje heidevegetatie die spontaan tot ontwikkeling kwam nadat een storm in het midden van de jaren zeventig een sparrenbos had gedecimeerd. Wat de bomen betreft: er groeien een zeldzame groenblijvende eik Quercus x turneri en een van de enige exemplaren in België van de conifeer Cunninghamia lanceolata. Andere bijzondere bomen zijn ondermeer een treurvorm van de Ginkgo biloba, een Cryptomeria japonica 'Compacta', een Abies nordmanniana, een opvallende Fagus sylvatica 'Heterophylla' en tal van mooie eiken en beuken.

Ook in de Brugse binnenstad liggen enkele interessante stadsparken waarvan sommige - zoals het Minnewater en het Begijnhof - terecht zeer vermaard zijn, maar andere zelfs bij Bruggelingen nauwelijks bekend zijn.

De meeste van deze stadsparken zijn restanten van vroegere kloostertuinen of van blekerijweiden waar in de 18de en de 19de eeuw het laken werd gebleekt. In de 18de eeuw besloegen de blekerijweiden ruim dertig hectare, zowat één vijftiende van de oppervlakte van de stad.

Het Astridpark - bij Bruggelingen beter bekend als De Botanieken Hof - is Brugges oudste publieke park. Het werd in het midden van de vorige eeuw door de stad aangekocht na een campagne in de plaatselijke pers, wat toen een uitzonderlijke gebeurtenis was. Het park - een restant van de vroegere kloostertuin van de Minderbroeders - werd aangelegd door de Leuvense tuinarchitect Egidius Rosseels in de toen modieuze landschappelijke stijl. Daartoe maakte hij op vernuftige wijze gebruik van hoogteverschillen, grasperken met boomgroepen en een centrale vijver als romantisch spiegelvlak. De dichte beplanting langs de straatzijden moest de ligging in het stadscentrum doen vergeten. Door de grillige vormen van de paden en het vermijden van elke rechte lijn werd een voortdurend wisselende blik op de pittoreske tuin mogelijk. Enkele jaren geleden kreeg dit park een grondige opknapbeurt, waarbij ook opnieuw zogeheten mozaïekperken - ingewikkelde patronen van kleurrijke eenjarigen - werden aangelegd, zoals in de 19de eeuw.

Wij kunnen het ons vandaag nog nauwelijks voorstellen, maar in de beginjaren van dit park, dat uitdrukkelijk was bedoeld als wandelpark voor de begoede burgerij en de vele Engelse families die in Brugge woonden, werden kinderen en gehandicapten geweerd. "De kinders mogen er aan hun zelven niet worden overgelaten, nog zich overgeven aen enig spel dat de wandelinge zoude konnen belemmeren," zo heette het in het reglement. Ook gehandicapten in een rolstoel waren niet welkom. Een invalide vrouw die in 1856 toelating vroeg om zich met haar rolstoel in het park te begeven, stuitte op hetzelfde reglement dat verbood "er door te trekken met beestialen, lastdragende dieren, rijtuigen of kruiwagens".

Achter de huizen van de Kalvariebergstraat ligt het ook bij Bruggelingen weinig bekende Sincfalpark. De geschiedenis van dat parkje is typerend voor de lotgevallen van een groot deel van ons stedelijk groen erfgoed, in dit geval met een gelukkige afloop. Ooit lag op deze plaats een klooster van de Rijke Klaren en later van de paters Kapucijnen. Toen die paters in de jaren zeventig door een gebrek aan roepingen verplicht waren hun klooster te verkopen, kwam het in handen van een projectontwikkelaar die op het twee hectaren grote terrein een prestigieus flatgebouw wilde laten optrekken. Met goedkeuring van het stadsbestuur werd er in '74 een eerste flatgebouw neergezet. Maar enkele jaren later kon de stad de gronden verwerven om er een complex van sociale woningen te laten bouwen. Daarbij werd ruim 60 are van de vroegere kloostertuin gereserveerd voor wat vandaag een sfeervol buurtparkje is. Enkele merkwaardige bomen in dit park zijn een mooie treures, geknotte zomerlinden, zomereik en grote taxussen.

Ook het Park Sebrechts, tussen de Oude Zak en de Beenhouwersstraat, dreigde in de jaren zestig en zeventig het slachtoffer te worden van de bouwwoede. De staat, die eigenaar was van het terrein, wilde er een administratief centrum vestigen. Dat kon gelukkig worden verhinderd door de stad die in 1980 de tuin en de gebouwen aankocht. Intussen was het park echter wel een parkeerplaats geworden en was de vroegere moestuin tot een onherkenbare wildernis verworden.

Ook dit park was vroeger een kloosterdomein. De huidige parkaanleg dateert van het einde van de vorige eeuw. In de eerste helft van deze eeuw werden huis en tuin aangekocht door de befaamde Brugse chirurg Jozef Sebrechts die zijn tuinman Leon Anseeuw de vrije hand gaf voor de inrichting en het onderhoud van de tuin. Anseeuw legde er een prachtige fruittuin met alle mogelijke leivormen aan, alsook een grote moestuin waar hij zelfs witlof en meloenen won, wat uitzonderlijk was voor die tijd. In de verwarmde serres kweekte hij druiven en - zijn grote liefhebberij - orchideeën.

Onder impuls van de stedelijke groendienst werden het park en het siertuingedeelte weer in ere hersteld, maar de moes- en fruittuin kreeg spijtig genoeg een andere bestemming. Het is nu een wandel- en speeltuin in de schaduw van hoge bomen en van een mooie beukenhaag. Op de plaats waar vroeger de druiven- en orchideeënkassen stonden, werd een zithoek met pergola's aangelegd.

Sinds 1984 vormt het park het mooie kader van een jaarlijkse openluchttentoonstelling van hedendaags beeldhouwwerk. Een bezoek in het voorjaar, als onder de bomen duizenden stinzenplanten bloeien - vingerhelmkruid, gele dovenetel, breed longkruid, wilde hyacint, sneeuwklokje, bosviooltje, aronskelk, blauwe druifjes, enz. - is zeker aan te raden.

Nog zo'n relatief onbekend parkje dat (gedeeltelijk) kon worden gered van de verkavelingsterreur is het Pastoor Van Haeckeplantsoen (toegankelijk via een zijingang van het Gemeentekrediet in de Ezelstraat of via de Raamstraat). Oorspronkelijk was dit de tuin van een uit het begin van de eeuw daterend herenhuis in de Gulden Vlieslaan. Het huis heeft inmiddels de plaats moeten ruimen voor een aantal flatgebouwen, bij het optrekken waarvan de vroegere binnentuin zou worden omgevormd tot parkeerterrein. Maar ook hier stak het Brugse stadsbestuur op de valreep gelukkig een stokje voor en kocht het het intussen erg gehavende parkje op. De wandelpaadjes kregen een nieuwe afwerking en er werden enkele zithoekjes aangelegd. Ondanks de bescheiden oppervlakte van het parkje groeien er een aantal merkwaardige bomen - zoals een mooi exemplaar van de Gingko biloba, een moerascypres en een prachtige zwarte moerbezieboom. De halfwilde kruidachtige begroeing en de vele struiken dragen bij tot de wat mysterieuze charme van dit stadsparkje.

Een van de merkwaardigste tuinen in de Brugse binnenstad is die bij de Sint-Andreasschool in de Groeningestraat. De statige bomen, de vijver met romantisch brugje en de vervallen oranjerie getuigen van een groots verleden. Lang werd gedacht dat ook dit een restant was van een vroegere kloostertuin, maar sinds enkele jaren staat vast dat dit altijd een privé-tuin is geweest. Een schilderij uit de 18de eeuw toont op deze plaats een prachtige formele tuin die in de loop van de 19de eeuw door de Leuvense tuinarchitect Rosseels - die van het Astridpark - werd omgevormd tot een meer modieuze Engelse landschapstuin. De formele tuinen werden gedegradeerd tot moestuin, met weliswaar een exotische oranjerie. Ook de romantische brug over de S-vormige vijver dateert uit die periode. De tuin van Rosseels hoort nu bij een seniorie en is grotendeels intact gebleven, op de enkele stukken na die zijn moeten wijken voor de uitbreiding van de school.

En dan zijn er natuurlijk nog het park van het Minnewater en vooral de binnentuin van het Begijnhof.

Ik dreig in herhaling te vallen, maar waar nu het Minnewaterpark ligt, was in de jaren zestig een nieuwe residentiële wijk gepland, waarbij op een bepaald ogenblik het gerestaureerde Groot Begijnhof van Leuven model stond. Het Fraeyhuis, een kasteeltje in neogotische stijl dat er in het begin van de eeuw was gebouwd, werd om die reden trouwens gesloopt. In het begin van de jaren zeventig stelde de gemeenteraad echter vragen bij de vestiging van een nieuwe woonwijk en won de idee veld om er in de plaats een publiek recreatiepark aan te leggen. Na aankoop van het anderhalve hectare grote terrein door de stad werd er een nieuw park gecreëerd dat gedeeltelijk aansloot bij de restanten van de vroegere formele tuin van 't Fraeyhuis. In de jaren tachtig volgde dan de aankoop van het neogotische kasteel de la Faille, dat vandaag dienst doet als cafetaria. Daardoor sluit het bomenrijke park nu helemaal aan bij het Minnewater. Een van de opvallendste elementen in dit park is een groot openluchtschaakbord.

De binnentuin van het Begijnhof is met recht en reden een van de bekendste toeristische trekpleisters van de stad. Hoe vaak men er ook komt, steeds wordt men getroffen door de rust die uitgaat van de hoge bomen in het gras en het spel van het zonlicht. Vooral in het voorjaar, als er duizenden paasbloemen bloeien, is dit een van de mooiste stadstuinen die ik ken.

Een paar jaar geleden werden enkele Canadapopulieren die dateerden uit de jaren twintig - ze vervingen toen de olmen die het slachtoffer waren geworden van de gevreesde olmenziekte - gerooid. Ze zullen in de toekomst vervangen worden door essen die het meest het silhouet van populieren en olmen benaderen én beter bestand zijn tegen ziekten en ouderdom. De lindes aan de buitenkant werden uitgedund zodat ze mooier kunnen uitgroeien.

De kleine ommuurde hofjes vol ouderwetse bloemen en rozen zijn niet toegankelijk, maar over de muren en door de poortjes kan men er toch een glimp van opvangen.

Wanneer men van het Begijnhof naar het centrum van de stad loopt, kan men nog even binnengluren in de beluiken van de godshuizen De Vos in de Noordstraat en De Meulenaere en Sint-Jozef in de Nieuwe Gentweg. Deze panden zijn nu ingericht als bejaardenwoningen en staan rond een centraal binnenhof. Vroeger werd het gazon gebruikt als bleekweide en waren de tuintjes verdeeld in een gedeelte moestuin en een gedeelte siertuin. Nu zijn het vertederende stadstuintjes met bloemen met romantische namen als panebroeken, roste stinkers, zoetelievetjes, vastenavondzotjes en schaapmuiltjes.

Volgende week: Gezelle in het groene Brugge. Over verleden en heden van de tuinen en parken in en om Brugge verscheen in 1987 naar aanleiding van de 75ste verjaardag van de Stedelijke Groendienst een interessant boek 'Groen Brugge', uitgegeven door de Stad Brugge en het Gemeentekrediet, ISBN 90-5066-017-7

(Met dank aan Patrick Cardinael, adjunct-directeur van de Stedelijke Groendienst van Brugge)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234