Dinsdag 20/08/2019

Broze beelden in een veranderende wereld

Beeldverhalen, een reeks over het beeld in de openbare ruimte (deel 1)

Brussel / Van onze medewerker

Ward Daenen

Problemen en controverses zat als het om kunst in de publieke ruimte gaat, maar in deze reeks beperken we de publieke ruimte tot de open lucht. Met de dames en vooral heren op sokkels is het voor alles opletten geblazen. Dikwijls hebben deze helden een tikje te hard hun best gedaan om erop te geraken. Neem nu Godfried van Bouillon (te paard in Brussel). Hij was een man van naam, maar op zijn kruistochten was hij niet bepaald een toonbeeld van pacifisme.

Beelden en monumenten tonen iets, letterlijk: ze geven een beeld. Zo'n ruiterstandbeeld van Leopold II op het Brusselse Troonplein bijvoorbeeld (ooit prijkte een repliek in Leopoldstad) vat de politieke betekenis van de vorst in één moment en monument samen. Het koper voor het standbeeld werd tussen haakjes gewonnen in de kopermijnen van Kongo. Politieke leiders hebben zich lange tijd pleinen toegeëigend en er hun macht boven de hoofden van de mensen tentoongesteld. Vandaag worden nog steeds piëdestallen gemetseld om er een of andere politicus bovenop te zetten. Gek toch dat 'verticale kunst' zich tot nader orde in een 'horizontale' want democratische samenleving thuis waant.

De lastige verhouding tussen kunst en publiek werkt heden door, zij het onder een andere gedaante. Abstracte kunst van de twintigste eeuw kan niet meer borg staan voor politieke macht of getuigen van een ideologisch discours. Meer nog, in haar abstracte karakter heeft deze kunst het moeilijk om specifieke betekenissen überhaupt over te dragen. Dat maakt het voor de economische en politieke macht des te makkelijker om kunst te recupereren. Bezie de ruimtelijke ordening, langer dan vandaag een oud zeer hier te lande. Men legt een rotonde aan, bovenop dit voldongen feit mag de kunstenaar zijn gehouwen beeld neerpoten. Kijk naar de zelfgenoegzame architectuur. Eerst trekt men een kille building op, als de boel om zeep is, mag de kunstenaar am Bau 'interveniëren in de publieke ruimte' zoals dat dan heet.

De Jacqmainlaan in Brussel is een schoolvoorbeeld. De buurt om het Noordstation werd eind jaren zestig platgelegd om een grote kantoorzone te scheppen. Wanneer haast drie decennia later de blinkende zelfgenoegzame torens er pronken, mogen Pol Bury en co. met hun kunst de kantoorwijk komen verfraaien met een fontein en zo. Maar in feite zijn hun kunstwerken, hoe kritisch ook, slechts een schaamlap voor de onleefbare situatie buiten en misschien binnen de glazen muren. Wandel er na valavond eens voorbij. U zult beslist begrijpen wat ik bedoel.

De Vlaamse overheid stelde per decreet vast dat bij het optrekken of herinrichten van overheidsgebouwen een deel van de bouwkosten (0,5 tot 2 procent) moet worden gereserveerd voor de integratie van actuele kunstwerken. Een procentje voor kunst opzijzetten is op zich geen slecht idee. Maar de kunstenaar dreigt in deze opnieuw te fungeren als verschoner en verfrisser van de architectuur. Heeft een prima gebouw overigens per se kunst van doen?

Elke dag flitsen 1.000 beelden van wagens, wegwijzers, lichten, televisieschermen en internetpagina's ons voorbij. In die beeldcultuur hebben de kunstenaars (zij die tot voor kort een monopolie op beelden bezaten) het moeilijk om tot sterke beelden te komen. Toch hebben mensen kunst nodig en vice versa. Een publiek heeft behoefte aan kunst en omgekeerd verantwoordt die behoefte een artistieke ingreep in de publieke ruimte. Kunst gaat uiteraard met arrogantie gepaard, maar een werk dat de mensen wordt opgedrongen is en blijft moeilijk verdedigbaar.

De koning Boudewijnstichting heeft voorzichtige stappen in de goede richting gezet. 'Kunst op publiek verzoek vzw' belooft dat initiatief, dat stoelt op Les nouveaux commanditaires van de Fondation de France, voort te zetten. Wat die organisatie doet, is bemiddelen tussen publiek en kunstenaar.

Nog dit. Telkens wanneer de politieke situatie veranderde en de identificatie tussen de traditionele heerser en de publieke ruimte niet meer opging, zouden de nieuwe machthebbers de publieke ruimte een eigen betekenis toekennen. Tijdens de Franse revolutie verwierven de burgers een politieke stem en ontwikkelden een beeldtaal waarin ze zich konden herkennen. Het werd een taal van de volkse strijd, met heroïsche helden en sprekende attributen. De ruiterstandbeelden van Louis XIV, XV en XVI werden omvergehaald en in de haast om de bestaande pleinen te veroveren, werden de sokkels ingenomen door tijdelijke afgietsels in gips. Ongetwijfeld leven ook wij in een tijd van revolutie. Niet dat we de oude beelden afbreken, we doden het eeuwige brons met onverschilligheid. Wat we dan op de 'sokkel' moeten zetten: broze beelden in een veranderende wereld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden