Zaterdag 07/12/2019

Brouwers in letters

Vijftig jaar schrijverschap en bijna 75 jaar leven: hoog tijd voor hinkstapsprongen in alfabetvorm door het unieke, labyrintische oeuvre van Jeroen Brouwers.

Autobiografie

"Men gaat er altijd blind van uit dat wat die Brouwers schrijft autobiografisch is. Maar mocht er na mijn dood een biograaf komen, dan zal hij met de grootst mogelijke moeite iets kunnen vinden in mijn boeken dat zo uit mijn leven komt", benadrukte Jeroen Brouwers ooit in een interview. Want: "Naarmate de schrijver schrijft, gumt hij zichzelf uit." Tegelijk weet hij: "Alles wat ik meemaak dient te worden geformuleerd, mijn leven bestaat uit formuleren." (Het verzonkene) Brouwers' roerige bestaan vormt dé brandstof van zijn vijftigjarige schrijverschap: zijn jeugd in Indië en in een Jappenkamp, zijn verguisde kostschooljaren, zijn Brusselse periode bij Manteau en het literaire klimaat van de jaren zeventig, zijn turbulente huwelijkslevens.

Brieven

"Mijn leven lang ben ik in isolement geplaatst, ofwel heb ik welbewust het isolement gezocht. Mijn behoefte om levenstekenen te laten uitgaan naar de 'buitenwereld' was er des te sterker om: ik schrijf brieven uit eenzaamheid." (Kroniek van een karakter) De kiem van zijn brievenschrijverij ligt bij zijn intrede in de kostschool (zie K): "Ik denk met afgrijzen aan mijn kostschooljaren terug - maar men heeft er mij in ieder geval de beginselen van een epistolaire bedrevenheid bijgebracht."

Compositie

"Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt" is voor Brouwers meer dan een lijfspreuk. Ze wijst op zijn obsessie met 'vorm' en met samenhang in een oeuvre waarin alles uiteindelijk naar elkaar verwijst. "De vorm, er is in de literatuur geen andere waarheid." (De Exelse testamenten) Brouwers' romans zijn spiegelpaleizen vol motieven en in elkaar grijpende symboliek. Horlogemakersproza, zo noemde Brouwers het ook ooit.

Debuut

Intussen een moeilijk opspoorbaar curiosum, maar later door Brouwers als "kreng" en "jeugdzonde" weggemoffeld boekje: Edith Piaf, lyrische straatmus (1961) in de reeks 'Idolen en symbolen' van Lannoo. Hij schreef het uit geldnood. Debuteert als literair auteur met de verhalenbundel Het mes op de keel (1964) bij uitgeverij Manteau, na talrijke afwijzingen van andere uitgeverijen. "De taal vond ik goed, een verademing naast al die Vlaamse teksten" en "aanvaardbaar voor een debuut", liet Angèle Manteau weten. De persreacties op deze vier verhalen waren allerminst positief, ja, zelfs vernietigend: "Hoort in een literaire kermistent thuis" en "Men hoeft niet aan elke wieg vertederd te staan, zeker niet als er een kat in een beddezak zit" (Kees Fens, De Tijd). Brouwers zegt later "te walgen van dat boekje".

Exelse testamenten (1978)

In het Nederlandse dorp Exel (foto: in Exel met Boudewijn Büch, 1984) vond Brouwers rust na zijn woelige Vlaamse jaren en pakte hij zijn schrijversbestaan weer op. "Dit is de plaats waar ik, zo lijkt het wel, geluwd ben, al is de angst voor het onuitspreekbare gebleven." In De Exelse testamenten maakt hij op 38-jarige leeftijd de balans op, terwijl hij in zijn tuin zit, in de herfst. En verklaart: "Daar, en toen, kwam de zekerheid in mij dat ik de schrijver van het In Memoriam van deze tijd moest worden."

Feuilletons

Sinds 1996 bestiert Brouwers bij uitgeverij Atlas zijn eenmanstijdschrift Feuilletons, onder het uitgeversmotto Noli me tangere ('raak me niet aan').

Gouden Uil

Tweevoudig laureaat, in 1995 voor non-fictie met zijn essaybundel Vlaamse leeuwen, in 2001 voor de roman Geheime kamers. Hogelijk verguld met de eerste bekroning: "Ik was en ben nog steeds tamelijk trots op deze essay-uil. [Ik voel] me in de eerste plaats een essayist en van sommige van mijn essays heb ik grotere voldoening dan van sommige van mijn verhalende werken." Raakt in het nafeestgebeuren in de Brusselse Archiduc leesbril en Uil-cheque kwijt en moet ontgoochelde medekandidaat Herman de Coninck vakkundig troosten. Spreekt bij ontvangst van de tweede Uil zijn afkeer uit van het literaire prijzencircus: "Nu ik hier toch sta, kondig ik aan dat ik mij niet langer ter beschikking stel voor opluistering van evenementen als deze, die minder en minder met de ware aard van literatuur te maken hebben. Deze circussen van ijdelheid, maar ook van zakelijke belangen en van handjeklap achter de schermen worden opgevoerd ter meerdere gloria van niets anders dan commercie."

Het hout

Roman die niemand meer verwachtte over seksueel misbruik in een katholiek jongenspensionaat in de jaren vijftig. In december 2013 gaf Brouwers er voor het eerst opening van zaken over tijdens een interview bij VPRO De avonden: "Het kostschoolthema zit al in mijn debuut, hoor (Het mes op de keel, red.), en ook heel nadrukkelijk in De zondvloed. Dat komt zo af en toe weer boven, als een zandbank bij eb."

Indie

Brouwers wordt geboren op 30 april 1940 in Batavia, voormalig Nederlands-Indië, en woont er tot 1947, als zijn ouders terugkeren naar Ne-derland. "Echt gelukkig ben ik geweest toen ik niet wist dat ik het was: voor mijn derde jaar", in een "staat van onschuld". Indië wordt op imposante wijze verwerkt in de Indië-trilogie, bestaande uit Het verzonkene, Bezonken rood en De zondvloed. (foto: Brouwers toont het manuscript op krantenwikkel, 1984).

Jappenkamp

Wanneer Japan in 1943 Nederlands-Indië binnenvalt, belandt Jeroen Brouwers samen met zijn zus, moeder en grootmoeder in het Tjideng-vrouwenkamp, waar hij tot zijn vijfde zal verblijven. De periode staat onder meer geboekstaafd in Bezonken rood, zijn ontluisterende 'monument voor een moeder' ("De enige band die ik met mijn moeder heb, is dat ze mij heeft gebaard"). Brouwers brengt in het kamp een slechts in schijn onbekommerde tijd door: "Met nog een paar kinderen loop en huppel ik mee, schaterend bij het zien hoe een vrouw met haar gezicht in een hoop drek wordt geduwd." En hij weet: "Helaas, ik kan die kampgeschiedenis niet schrijven, (...) ik deins niet terug voor pathos en schaam mij niet voor tranen, maar ik was in die tijd een egoïstische levenslustige kleuter, ik heb geen honger gehad (want mijn moeder, vriendelijke pelikaan, liet mij van haar rantsoenen méésnaaien), ik ben niet ziek geweest, ik heb niet geleden." (Bezonken rood)

Toch ziet hij meermaals hoe zijn moeder door de Japanners wordt geslagen en mishandeld: "Ik zocht naar mijn moeder, naar de mooie vrouw uit de eerste jaren van mijn leven. Die moeder werd gemarteld, kaalgeschoren, gehavend, kapot gemaakt - en toen hield ik op van haar te houden." Na de kampperiode wordt Brouwers een onhandelbaar kind. Hij begint zijn moeder te haten, wanneer zij hem na de oorlog in een pensionaat stopt, en voelt zich verraden.

Kostschooljaren

Onuitroeibare kiem van Brouwers' ouderhaat. Wordt vanaf zijn tiende tot zijn zeventiende geplaatst in drie Nederlandse rooms-katholieke internaten: "Ik heb geen kampsyndroom, maar een kostschoolsyndroom." Cruciaal beeld: "Ik zie de auto waarin mijn ouders mij naar het pensionaat hebben gebracht, zonder mij weer vertrekken. Deze gebeurtenis heeft mijn leven bepaald." In De schemer daalt staat er onverzoenbaar: "Meteen toen ik het kostschool- terrein na al die tijd weer betrad, sloeg de oude rancune met vernieuwd geweld in mij los. Dat mens met haar heimwee, intussen al decennia lang dood, had me verraden door me hier te stallen, terwijl zij zelf de hele verdere rest van haar leven het nooit geheelde litteken van het Jappenkamp met zich meedroeg en dus toch wist wat het betekende, te worden vastgezet achter muren van prikkeldraad."

Liefde

"Och, 'liefde', dat is hier en daar een rotspunt waar je je zeemeeuwenpoten op kunt vastzetten, hier en daar oprijzend uit de grote, wijde, grijze, zwijgende oceaan." (Het is niets) De tribulaties van de liefde heeft hij in talloze romans uitgevlooid, waaronder het benauwende Zonsopgangen boven zee (1977), Bittere bloemen (2011) en zijn commercieel succesvolste roman Geheime kamers (2000), overspelroman, over "de liefde en de onvervulbaarheid ervan".

Manteau

"Al is het feit dat ik en zij niet bijster veel meer van elkaar houden, de oprechtheid gebiedt mij te verklaren dat zonder Angèle mijn leven anders zou zijn verlopen." Angèle Manteau is de eerste uitgeefster van Brouwers. Hij treedt spoedig in dienst bij de nv Manteau "als haar rechterhand, linkerbeen, assistent, secretaris, manusje-van-alles": "Ik ben daar begonnen met het vullen van de vulpen van mevrouw Manteau, dus werkelijk op de allernederigste plaats." Stilaan wordt Brouwers dienstdoend persklaarmaker en uitgeefredacteur. In Stoffer en blik typeerde hij de uitgeverij in de jaren zestig als "een uitermate neerdrukkende werklocatie" en "associeerde ik de sfeer ten kantore met die van de strenge kostscholen waar mijn jeugd werd vergald, gecombineerd met die op een mijnenveger". Manteau heet er "een kille, wantrouwige persoonlijkheid", "waar zij verscheen stak poolwind op". Niettemin staat vast: "Alle commentaar dat ik later op haar heb gespuid, verdoezelt niet dat ik respect voor haar ben blijven gevoelen." (Vlaamse leeuwen)

Nieuwe Revisor

Polemisch koepelessay uit 1979 waarin Brouwers de "verkindsing" hekelt van de Nederlandse literatuur, gepersonifieerd in Parool-recensent Guus Luijters en zijn vazallen. "Ik bepleit het nieuwe ventschap dat bestaat uit onbevooroordeeldheid, openheid, eerlijkheid, gestrengheid, durf, hartstocht voor de literatuur, strijdvaardigheid, - ik bepleit vooral: volwassenheid. (...) Maken wij van die tot jongetjes- en meisjesliteratuur verworden stinkliteratuur van ons opnieuw een volwassen meneren- en mevrouwenliteratuur." Sluit af met de befaamde kreet: "Kome er opnieuw: schoonheid. Kome er opnieuw: properheid." Contrapolemieken en anti-Brouwerspamfletten gaan vervolgens heen en weer.

Orpheus

"Orpheus is duidelijk de thematiek van mijn hele werk: het gaat altijd over het kwijtgeraakte meisje dat teruggezocht moet worden, of het dode meisje dat tot leven gewekt moet worden. Ik weet niet waar dat vandaan komt. Misschien wel van die moeder in dat Jappenkamp", heeft Brouwers vaak gezegd. Ook in de roman Het hout verlangt hoofdpersonage Buenaventura naar een geliefde buiten het klooster.

Prijzen

Een hardnekkig misverstand over Jeroen Brouwers is dat hij volstrekt lak zou hebben aan literaire prijzen. Die beeldvorming is getekend door zijn uithaal bij de Gouden Uil 2001 en natuurlijk door zijn weigering van de Prijs der Nederlandse Letteren in 2007. Vaak klagend over een gebrek aan erkenning kreeg Brouwers verder toch een rist prestigieuze prijzen, zestien in het totaal, vaak ook ootmoedig dankbaar aanvaard, waaronder de Tzum-prijs voor de mooiste zin, de Vijverbergprijs, de Multatuliprijs, Bordewijkprijs, Constantijn Huygensprijs, Prix Fémina voor Franse vertaling van Bezonken rood, AKO-Literatuurprijs.

Querulant

"Liever een querulant dan een braverd", zo staat in Kladboek. Vanaf 1976 bouwt Brouwers een gietijzeren reputatie op als onversneden polemist, schenenschopper en kielhaler van literaire reputaties, onder meer door de eerste Vlaanderen-polemiek 'J. Weverbergh en erger', waarin hij snerend onthult dat manuscripten van Vlaamse auteurs systematisch door Nederlandse redacteuren worden herschreven. Krijgt zodoende half schrijvend Vlaanderen over zich heen.

Ruzie & rancune

"Polemisten schelden als het nodig is", poneert Brouwers. Kleine bloemlezing: recensent Arjan Peters: "zuursmoelreptiel"; dichter Luuk Gruwez: "zelfingenomen kraanhals en vileine roddelwind, gewezen dorpsschoolmeester met te veel tijd"; Ward Ruyslinck: "een verknepen voorzichtig levende spitsburger met bakkebaarden en een rupsgelijkende dunne snorstreep op de bovenlip", Alstein: "brilsmurf van de 'stille generatie', schrijver van griesmeelpuddingproza, samengeperst tot keutels van een geconstipeerde muilezel". Maar Brouwers rancuneus? "Nee, dat heb ik helemaal niet. Tien jaar later ontmoette ik Julien Weverbergh opnieuw (na de heftige polemiek 'Weverbergh en erger', red.). Ach Julien, we dronken samen een glas of vijf."

Schrijven

"Schrijven is als gangreen - het vreet en verteert, holt uit, vernietigt. Niet alleen de schrijver, maar zijn hele omgeving, zijn vrouw, zijn huishouden."

Tijd

Een van Brouwers' schrijversobsessies is het nalaten van een voetafdruk met zijn oeuvre. Het is een eeuwig gevecht met de tijd: "De tijd is een cirkel en ik ren in het binnenste van die cirkel in het rond - zo gaat niet de tijd aan mij voorbij, maar ik ga, zolang ik blijf rennen, voorbij de tijd." (De zondvloed)

Uitgeverijen

Nadat zijn eerste, bij Manteau uitgegeven boeken in de ramsj zijn beland, komt Jeroen Brouwers vanaf 1976 onder dak bij de Arbeiderspers, toen nog onder het stuurmanschap van Theo Sontrop en de flamboyante Martin Ros. In het brievenboek Kroniek van een karakter vertelt Brouwers hoe een toevallig bezoek van Sontrop en Ros hem uit zijn schrijfimpasse haalde. "Sontrop zei dat hij er 'geil' op was, mijn werk uit te geven, waarna mijn schrijfmotor weer op gang sloeg." Zeventien boeken zal hij er publiceren. Eind 1995 kiest Brouwers voor Emile Brugmans uitgeverij Atlas.

Vlaanderen

Jozef Deleu omschreef Brouwers ooit als "de onbegrepen minnaar van Vlaanderen". Door anderen vaak uitgekreten als 'Vlamingenhater'. Maar kan iemand die zo'n kloek boekwerk als Vlaamse leeuwen bij elkaar schreef (zijn verzamelde Vlaanderen-stukken) en die zo veel Vlaamse auteurs onder de aandacht bracht dat wel zijn? Zijn Vlaamse en Brusselse jaren vormen "een onuitputtelijk reservoir", benadrukt Brouwers herhaaldelijk. En: "Mijn inzet voor de Vlaamse letteren en cultuur is altijd eerlijk en hartstochtelijk geweest, maar soms, zoals dat nu eenmaal gaat in liefdesaangelegenheden, moet er eens een stomp worden uitgedeeld en valt er een verfrissend scheldwoord. Dat is dat mes op tafel. Het ligt daar overigens naast de pot bier die vervolgens in een gebaar van verzoening naar de mond kan worden getild om alle bitters weer weg te spoelen." (Dankwoord Ridder in de Kroonorde, 1993) Als gladgestreken plooi van waardering krijgt Brouwers in 1992 de Orde van de Vlaamse Leeuw.

Walravens

Anne Walravens was de dochter van de schrijver Jan Walravens met wie Brouwers een tijdlang een buitenechtelijke relatie had. De liaison duurde anderhalf jaar. Nadat Anne Walravens het had uitgemaakt, ging Brouwers weg bij zijn echtgenote en twee zoontjes "en raakte op de dool. Slapen bij kennisssen, vriendinnetjes. Nachten doorhalen in de Dolle Mol." (Brouwers in Brussel) Tot Walravens in 1973 zelfmoord pleegde, op 23-jarige leeftijd. "Haar zelfmoord heeft mij van de ene dag op de andere veranderd van een blije, vriendelijke springer, - ik was een konijntje in de maneschijn, - in de cynische alleshater die ik thans ben", luidt het in 1978.

Zelfmoord

Wijd en zijd erkend selfmade suïcidoloog sinds De laatste deur (1983), zijn monumentale studie over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren. Bevat achttien "papieren gedenktekens" voor onder meer Dirk de Witte, Menno Ter Braak, Jan Arends, Jan Emmens en Jotie T'Hooft. Geschreven uit een onstelpbare noodzaak, "opeens stroomt dan al dat weten en kennen uit mij als uit een vat waar geen druppeltje meer bij kon". De vonk lag in de van nabij beleefde zelfmoorden van Dirk De Witte (zie ook p. 8), Jan Emiel Daele en vooral Anne Walravens.

---

Voor dit ABC-darium is geput uit het gehele oeuvre van Brouwers en uit uiteenlopende bronnen en essays, waaronder Johan Vandenbroucke, Schrijversprentenboek: Jeroen Brouwers, het verhaal van een oeuvre (2005) en Jeroen Brouwers, wie begrijpt ooit wat?, samengesteld door Gerd de Ley, met citaten en interviewfragmenten (2001).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234