Zondag 15/12/2019

De Holocaust Archieven

'Bronneke' ontsnapte aan Auschwitz: "Ze wilden een kind redden, dat werd ik"

Bronia Veitch woont momenteel in het Engelse graafschap West Yorkshire. Beeld Victor De Jesus

Bronia Veitch was zeven toen ze in de Mechelse Kazerne Dossin op het allerlaatste moment werd gered van de dodentrein naar Auschwitz en werd verstopt bij een gezin in Sint-Niklaas. "Ze noemden mij Bronneke, en dat is nog altijd de naam die ik het meest koester. Vlaams is altijd mijn emotionele taal gebleven."

V, zegt de fotokopie van de omslag van het notaboekje in de leeszaal. Er staat, handgeschreven: ‘Logeurs de guerre.’ Oorlogsgastgezinnen. De meeste adressen zijn Brussels, maar er staat er ook eentje tussen in Sint-Niklaas: ‘H. Bal, Guido Gezellelaan 49.’ Bij elk gastgezin staat een nummer, bij H. Bal is dat 122.

Onder nummer 122 vinden we in een volgend boekje een naam: Bronia Schutz, geboren op 9 januari 1935. Een volgend boekje vermeldt, genummerd, de valse namen die voor de kinderen zijn bedacht. Bronia Schutz is vervlaamst tot Brigitte Schudts.

De logica achter de vijf boekjes wordt in een video in de permanente tentoonstelling in het museum in de Kazerne Dossin in Mechelen verklaard door de nu 95-jarige Brusselse oud-verzetsvrouw Andrée Geulen: “De razzia’s waren overal tegelijk bezig. Hoe moesten we dit organiseren? Op een dag zouden we het kind moeten terugvinden. Daarom bewaarden we de vijf boekjes op afzonderlijke plaatsen.”

Als de Gestapo een van de boekjes zou vinden, zou die aan de informatie daarin weinig hebben.

Kristallnacht

We proberen Facebook. Meteen raak. Volgens haar profiel heet ze Bronia Veitch en is ze from Sint-Niklaas. Op Skype noemt ze zich Bronneke. Op een foto zie je ze plezier maken met dochter en kleindochter. Ze is een gepensioneerde lerares, ze woont in Baildon, in het Engelse graafschap West Yorkshire.

“Goh”, zegt Bronia op Skype. “Waar te beginnen? Doen we het in het Engels of in het Vlaams? Het is jaren geleden dat ik nog eens Vlaams sprak, maar het is altijd mijn emotionele taal gebleven. Alles koet met u?”

Als alles volgens plan was verlopen, dan was Bronia in de nacht van 31 oktober 1942 met de konvooien XVI en XVII vanuit de Mechelse Dossin-kazerne naar Auschwitz gedeporteerd. In de ene trein zaten 999 joden, in de andere 938. Onder wie 137 kinderen. 

Bronia: “Ik ben geboren in Berlijn. Wij woonden boven papa’s winkeltje, hij verkocht schoenmakersmaterialen. Mijn zussen Ruth en Betty waren vijf en negen jaar ouder dan ik. Het enige wat ik nog heb, is een vaag beeld van mijn papa en een fietsje waarmee ik in de gang heen en weer reed. Twee weken voor Kristallnacht (9 november 1938, DDC) is de Gestapo binnengevallen. Papa werd meegenomen en met 18.000 andere Joden naar werkkampen in Polen gedeporteerd. Ruth had tot haar dood, enkele jaren terug, nog nachtmerries.”

“Papa is omgekomen in het kamp van Bergen-Belsen. Dat hebben we na de oorlog vernomen.”

Het gezin Bal-De Wilde in 1943. Van links naar rechts: Gabrielle, Sieneke, Bronia, Clem en Henri. Beeld Victor De Jesus

‘Mama is naar Londen’

Het plan van haar moeder bestaat er eind 1938 in om in dubbele slagorde naar Engeland te vluchten. Eerst Ruth en Betty, dan zijzelf en Bronia. De Britse vluchtelingenpolitiek plaatst haar voor een verscheurende keuze. Ze kan in augustus 1939 als staatloze het Kanaal oversteken, maar zonder verwanten.

Bronia: “Ik werd in Brussel aan Ruth, zelf pas dertien, toevertrouwd. Mijn mama had erop gegokt dat het ons zou lukken om in Engeland te geraken, maar na de Duitse invasie in mei 1940 zijn Ruth en Betty nog op de laatste trein naar Toulouse geraakt, ik bleef achter en kwam in een weeshuis in La Louvière terecht. Het laatste beeld dat Ruth van me had, vertelde ze later, was dat ik in dat weeshuis aan het praten was tegen een poes op mijn schoot: ‘Mutti ist nach London gegangen und hat mich verlassen.’ Ik kreeg een standje, ik moest afleren om Duits te spreken. Dus leerde ik razendsnel Frans.”

“Ze waren erg bot in dat weeshuis. Jongetjes plasten in hun bed en kregen straf. Ik moest zelf ooit als straf een hele nacht rechtstaan.”

Op haar zevende verjaardag wordt Bronia overgebracht naar een Joods weeshuis in de Patriottenstraat 34 in Brussel. Van daaruit gaat het naar een weeshuis in Wezembeek, waar alle kinderen ouder dan zes, dus ook Bronia, Jodensterren op hun kleren genaaid krijgen.

Bronia: “Het was de ochtend van vrijdag 30 oktober 1942. De les was net begonnen. De Gestapo kwam de klas binnen en we moesten naar buiten. Onze leraar droeg een kist met voedsel, hij kreeg een stamp in zijn rug. We werden in legertrucks met dekzeil eroverheen gehesen. Ik zag klasgenootjes in die truck overgeven, van angst.”

Gelatenheid

De Gestapo krijgt in 1942 vanuit Berlijn streefcijfers opgelegd. Dat weekend worden twee treinen met telkens precies 1.000 Joden beoogd, maar de razzia’s zijn al enkele maanden aan de gang en het Comité de Défense des Juifs (CDJ) is zich vanuit Brussel beginnen organiseren. Vermoedelijk is het schooltje, met een vijftigtal kinderen en leerkrachten, gekozen om sneller aan 2.000 te geraken.

Bronia: “Ik voelde de angst wel, op het binnenplein van die kazerne, maar ik was zeven. Ik had de concepten nog niet. Ik heb vooral dat beeld van die rij typistes toen wij daar aankwamen. We moesten voor hen in een rij gaan staan, al onze kostbaarheden afgeven en ons laten registreren. Ze keken niet eens op.”

“Ik heb maar één nacht in de Dossin-kazerne doorgebracht. Ik herinner me de stilte. De meeste mensen waren eerder die dag lukraak uit treinen en stations geplukt. Er hing een soort gelatenheid. Alsof iedereen intuïtief aanvoelde wat er te gebeuren stond. Dat er niets te beginnen viel. Wij, de kleintjes, kregen een slaapzaal toegewezen. Stapelbedden met enkel stro. De lichten bleven de hele nacht aan, we hebben amper geslapen.”

In de vroege ochtend van 31 oktober komt er een Duitse officier de slaapzaal binnen. Acht kinderen, onder wie Bronia, moeten opnieuw de truck in. Die brengt hen terug naar het tehuis in de Patriottenstraat.

Koninin Elisabeth

Er ging 47 jaar overheen voor Bronia zou ontdekken wie haar heeft gered. Mensen van het CDJ natuurlijk, maar ook de Belgische koningin-moeder Elisabeth, de weduwe van koning Albert I, vandaag vooral bekend vanwege de naar haar genoemde muziekwedstrijd. Zij is Beiers en bevriend met dokter Karl Gebhardt, de lijfarts van oppernazi Heinrich Himmler.

Bronia: “Ik heb in 1989 research gedaan in Brussel. Ik kwam er achter dat de huishoudster de dag van de inval in dat weeshuis iemand van het CDJ heeft verwittigd, waar men dan weer iemand kende die in contact stond met de koningin-moeder. Zij heeft er een dag en een nacht lang voor gepleit om de allerkleinsten, onder wie ikzelf, vrij te laten. Het CDJ had een budget om Joden vrij te kopen. Telkens ik vandaag de term ‘niet-begeleide minderjarige vluchtelingen’ hoor, voel ik me aangesproken. Een van ons achten was Fred Kader, een jochie van vier. Hij heeft de oorlog overleefd in een klooster en woont nu in Nebraska. Hij is een bekende pediater geworden. Geen toeval, natuurlijk.”

Het feit dat de kinderen zijn vrijgekocht, biedt geen enkele garantie dat ze bij een volgende razzia niet opnieuw zullen worden opgepakt. Er moeten opvangplaatsen worden geregeld. Het onderduiksysteem is het werk van mensen als de dan 21-jarige Brusselse Andrée Geulen, de Joodse verzetsman Maurice Heiber, zijn echtgenote Estera Fajersztejn, Ghert en Yvonne Jospa, Renée Goldstuck en de Gentse Yvonne Nèvejean.

Bronia toont haar geboorte-uittreksel. Het is afgestempeld door de dienst burgerlijke stand in Oostende: “Bij het begin van de oorlog is het Oostendse stadhuis in puin gelegd. Iemand heeft daar toen stempels van tussen het puin gevist. Mijn zegels zijn echt, mijn stempels zijn echt. En de geboortedatum van Brigitte Louise Bal, de uiteindelijke naam op mijn papieren, is dezelfde als de mijne.”

In dit huis in Sint-Niklaas werd Bronia opgevangen. Beeld Alexander d'Hiet

Mapske en Papske

Bronia stapt zes weken na haar bevrijding uit de Dossin-kazerne aan de hand van Renée Goldstuck naar een café in het centrum van Brussel. Daar wordt ze voorgesteld aan Henri en Gabriëlle Bal-De Wilde.

Bronia: “Ze vroegen me wat ik wou drinken. Ik zei Oxo, want je zag in die tijd overal reclame voor Oxo. Slechte keuze, ik vond het heel vies. Renée zei: ‘Dit zijn vanaf nu je oom en je tante.’ Even later zaten we in de trein.”

Bronia: “De Bals woonden in een statig art-decoherenhuis langs de spoorlijn in Sint-Niklaas, een net en rustig Vlaams stadje. Toen we er aankwamen, stond Sieneke (hun 20-jarige dochter, DDC) aardappelgebakjes te bakken. Ze hadden ook een zoon, Clem. Hij was zeventien. En Jim, de foxterriër. Hij werd mijn speelkameraadje. Ik speelde ook met de kippen in de tuin. Heel af en toe legde er een een ei.”

Henri Bal is een 46-jarige vertegenwoordiger bij Niko, producent van bakelieten stopcontacten. Hij moet eens per week naar Brussel voor een grote klant, een Joodse Belg. Diens dochter zit bij het verzet en had hem aangesproken over het tekort aan onderduikadressen.

Bronia: “Ik werd wakker, die eerste ochtend, er lag een pop aan het voeteneind van mijn bed, en een speelgoedhondje. Het was 6 december, Sinterklaas. Al na twee weken vroeg ik of ik hen mama en papa mocht noemen, zoals Sieneke en Clem. Het werd Mapske en Papske, en zo ben ik hen altijd blijven noemen. Zij noemden mij Bronneke, en dat is nog altijd de naam die ik het meest koester. Mapske heeft in mei 1943 via het Rode Kruis een studiofoto van me opgestuurd naar mijn moeder in Londen. Ik was in goede handen, wist ze nu.”

“Mapske heeft kleren voor me genaaid uit gordijnen, want er was een tekort aan ongeveer alles. Ik leerde in geen tijd het plaatselijke dialect en tegen het einde van de volgende zomer ging ik gewoon naar school in Sint-Niklaas. De directeur was een nazi, maar die heeft nooit iets vermoed.”

Familieraad

Henri en Gabrielle nemen gigantische risico’s door een Joods kind in huis te nemen. Om de zoveel tijd wordt een Duitse soldaat verplicht bij hen ingekwartierd. Eén woord Duits over de lippen van het 7-jarige kind en het hele gezin riskeert zelf te worden gedeporteerd.

Eén keer komt het tot een woordenwisseling tussen Henri en een Duitse majoor nadat die iets onaardigs heeft geroepen tegen Gabriëlle. Henri duwt de majoor van de trap af en moet zich melden bij de Kommandatur in de Stationsstraat. Ervan uitgaand dat hem verplichte tewerkstelling wacht in Duitsland, laat hij de schoenmaker twee stevige stapschoenen maken, maar hij mag na een verhoor beschikken.

Bronia: “In de jaren 70 heb ik het Mapske gevraagd. Iets waar ik altijd mee was blijven worstelen. Waarom? Waarom deden zij dit? Waaraan dankte ik hun onvoorwaardelijke liefde? Mapske vertelde me dat Papske geschokt was toen hij de eerste Jodensterren in het straatbeeld zag. Na zijn gesprek met die klant had hij Mapske aangesproken. Ze was in tranen uitgebarsten en had gezegd dat ze heel graag hetzelfde wou, maar dat ze het niet had durven aanbrengen. Ze hebben toen familieraad gehouden, met Sieneke en Clem. Daar is het beslist: ze zouden een kind redden, en dat werd ik.”

Midden 1943 wordt een nieuwe Duitse soldaat ingekwartierd. Hij heet Wolfgang, hij is een Oostenrijkse officier en een verdienstelijke pianist. Bronia herinnert zich gesprekken, in het Frans, over hoe Wolfgang die verrekte oorlog vervloekt. Ze hoort hem vertellen dat hij naar Italië moet. Ze hoort Papske argumenteren dat hij misschien moet overwegen om zich aan te geven als krijgsgevangene. Op een familiefoto, na een etentje op zondagmiddag, staat Wolfgang er gewoon tussen, in uniform.

Bronia: “Na de oorlog is er nog druk gecorrespondeerd met Wolfgang. Hij schreef dat hij heus wel in de gaten had dat ik niet bij het gezin hoorde, maar dat het op geen enkel moment bij hem is opgekomen om me te verraden. Het was een levensles. Staar je niet blind op een uniform, kijk naar de mens.”

Kazerne Dossin in Mechelen. Beeld rv

Zomer 1946

Bronia staat met linten in haar haren mee op de eerste rij als op 9 september 1944 Poolse en Britse tanks Sint-Niklaas binnenrollen. Ze is negen, en helemaal vergroeid met haar nieuwe Vlaamse familie.

“We waren vrij, we trachtten van elk moment te genieten. We maakten uitjes naar Antwerpen. Je moest door die lange voetgangerstunnel stappen, weet ik nog. Mijn eerste schooluitstap, naar Gent was in de lente van 1946. We bezochten de kathedraal en het Lam Gods, dat was gestolen door de Duitsers, maar het hing er alweer terug. Mapske, Papske, Clem, Sieneke en haar verloofde Herman namen me mee naar Oostende, waar we aan het strand lagen. Mijn favoriete vis is nog altijd Noordzeetong.”

Maar als ze eind augustus te horen krijgt dat ze niet terug naar school mag, stort haar wereld in.

“Dagen aan een stuk heb ik geweend. Op 25 september 1946 ben ik aan de hand van Papske in de trein naar Oostende gestapt. Van daar met de boot naar Dover, en zo verder naar Victoria Station. Mutti en Betty woonden in een van de meest door bommen getroffen delen van Londen, Ruth was in 1944 dan weer vanuit Spanje naar Palestina gevlucht."

"Het is pas na de geboorte van mijn eigen kinderen goed gekomen met mijn moeder. Betty en zij spraken onder elkaar Duits, een taal die ik absoluut niet opnieuw wou leren. Ze stuurden me naar zo’n strenge orthodoxe school, waar ik niets mee had. Ik wou dat ze me Bronneke noemden, maar dat deden ze niet.”

“Ik keek uit naar de Vlaamse strips die Sieneke me elke week stuurde. En wat Britse ponden voor tickets, zodat ik tijdens de kerst- en zomervakanties weer bij hen kon zijn.  Zij misten mij net zo hard als ik hen, vertelden ze me later. Ik ben dat huis in de Guido Gezellelaan altijd blijven zien als mijn ouderlijke huis. Als iemand me vraagt waar ik vandaan kom, blijf ik zeggen: Sint-Niklaas."

Van de 1.937 mensen die met konvooien XVI en XVII naar Auschwitz werden gestuurd, overleefden er 86. Elk van de meer dan 3.000 kinderen van wie de namen werden gecodeerd in de boekjes van Andrée Guelen en Estera Fajersztejn overleefde de oorlog.

Lees ook de andere stukken in deze reeks:

De waarheid over de zeepmaker van Auschwitz

Deze Belg reisde vrijwillig naar Auschwitz

Morgen: Hinda Elsztajn, een Schaarbeekse in handen van de nazi-dokters.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234