Vrijdag 25/06/2021

Brokstukken van een persoonlijke geschiedenis

Philippe Besson staat aan het sterfbed van Arthur Rimbaud, Anna Gavalda bezingt het geluk van het ongedwongen samenzijn, Annie Ernaux en Marc Marie geven nietsontziende commentaar bij foto's van hun rondgestrooide kledingstukken na de liefdesdaad én Verlichtingsfilosoof Denis Diderot houdt ons prinsheerlijk voor het lapje. Tijd voor Franse literatuur à la carte. Door Dirk Leyman

Weet Besson nog iets zinnigs toe te voegen aan de hectometers boeken over het woelwater Rimbaud?

Philippe Besson (°1968) verstaat de kunst om zijn boeken van een originele invalshoek te voorzien, zonder daarbij in gimmicks te vervallen. Zijn taal blinkt als pas gepoetst koperwerk, maar tegelijk is zijn manier van vertellen gedepouilleerd. De onderhuids gistende emotionaliteit wordt daardoor in toom gehouden. Op die manier toont hij zich een volwaardig discipel van Marguerite Duras.

Zijn debuutroman Bij afwezigheid van mannen (2001) is hier een uitstekend voorbeeld van. Opvallend was hoe Besson werkelijkheid en fictie liet versmelten: Marcel Proust himself speelde een vooraanstaande rol. Breekbare dagen introduceert een andere held van Besson: het dwarse, homoseksuele wonderkind Arthur Rimbaud. Via het gefictionaliseerde dagboek van zijn zorgzame zus Isabelle zijn we getuige van de tragische laatste maanden van de dichter van Une saison en enfer. Weet Besson nog iets zinnigs toe te voegen aan de hectometers boeken over het woelwater Rimbaud, zo vaak aanbeden, verguisd, geromantiseerd of biografisch gescalpeerd?

Opnieuw speelt Besson haasje-over met feit en fictie. Isabelles dagboek begint op 22 mei 1891, wanneer Rimbaud gehavend en verzwakt aankomt in Marseille, waar hij al spoedig zijn been moet laten amputeren. Isabelle is verwarrend blij met de onverwachte terugkomst van haar broer. "Heb ik sinds mijn kinderjaren ooit iets anders gedaan dan heimelijk hopen op het heil voor mijn turbulente, verschrikkelijke en heerlijke oudere broer?", schrijft ze. Spoedig begrijpt ze dat Arthur naar Frankrijk is gekomen om er te sterven. Isabelles franjeloze, eenvoudige notities worden een stil maar ook grillig requiem, waar Rimbaud niet steeds erg fraai uit naar voren komt.

Hij schreeuwt, manipuleert en reageert als een egoïstische dwingeland, terwijl Isabelle hem nochtans met alle nederige zorgen omringt - precies zoals haar katholieke geloof het haar ingeeft. Toch poogt ze ook het beeld van haar broer te manipuleren en zijn nare kantjes weg te censureren: "Arthur Rimbaud mag niet bezoedeld de geschiedenis ingaan", staat er ergens. Op zondag 25 oktober 1891 gewaagt ze van een "mirakel". De heidense Rimbaud zou zich - eindelijk - tot het geloof bekeerd hebben. Deze (apocriefe?) gebeurtenis bezorgde haar "het grootste geluk dat me op deze aarde kon overkomen".

Besson confronteert voortdurend de vrijbuitende Rimbaud en de deemoedige zus. De fragmenten waarin de zus haar eigen gevoelsremmingen vergelijkt met die van haar barse, door Rimbaud geminachte moeder zijn veelzeggend: "Net als zij draag ik mijn haar met koperen kammen in een wrong. Vrouwen die geen man hebben weten zich te gedragen." Toch brengt het ziekbed subtiel toenadering, al is het nooit voor lang en heeft Rimbaud er het handje van weg om de bruggen plots op te blazen.

Breekbare dagen is beslist kundig werk, maar het is niet Bessons beste boek. Daarvoor zijn de aantekeningen van Isabelle soms wat te flets en ongelijkmatig van toon. En is het ook wel geloofwaardig dat een eenvoudige volksvrouw zo'n pak stijlregisters beheerst? Wie de voorgeschiedenis van Rimbaud niet kent, zal bovendien veel allusies missen. Besson weifelt dit keer te vaak tussen biografisch portret en fictie.

Philippe Besson

Breekbare dagen

Vertaald door Théo Buckinx, Ambo, Amsterdam, 141 p., 17,95 euro.

Gavalda leeft zich uit in een ongedwongenheid die hartverwarmend mag heten

Anna Gavalda (°1970) geldt als de onkreukbare bofkont van de Franse letteren. Aanvankelijk zag het er nochtans allesbehalve rooskleurig uit voor de pronte Parisienne. Ze kwam aan de kost met luizenbaantjes en raakte haar eerste manuscript niet aan de straatklinkers kwijt. Tot het eigenzinnige, kleine uitgevershuis Le Dilettante haar verhalenbundel in extremis onder zijn hoede nam. Ik wou dat iemand ergens op me wachtte (1999) werd een ongezien instant-succes. Dit kralensnoer van licht frivole, delicieus verwoorde miniaturen over de liefde, met een plejade van sympathieke personages, schoof in een mum van tijd 200.000 keer over de Franse toonbanken. Gavalda kreeg er de publieksprijs van RTL-Lire bovenop, terwijl de rechten aan 27 landen werden verhandeld. Ondanks lucratieve aanbiedingen van grote uitgevers als Gallimard bleef Gavalda voor haar volgende boeken Le Dilettante trouw. "Geld speelt tussen mij en mijn uitgever geen enkele rol. We praten veel liever over literatuur", verklaarde ze ferm in een interview.

Gavalda's derde boek Ensemble c'est tout, tuttig vertaald als Samen ben je minder alleen, is een ode aan het samenhorigheidsgevoel en mag dus in alle opzichten een ensemble-roman heten. Gavalda laat de levens van vier, op het eerste gezicht erg uiteenlopende personages voorgoed - en misschien nogal artificieel - met elkaar verstrengelen. Er is de wat teruggetrokken 26-jarige Camille, die ondanks haar dromen en tekentalent niet verder raakt dan een baantje als schoonmaakster. De verarmde, excentrieke adelborst Philibert Marquet de la Durbellière vat sympathie op voor het meisje. Dit duo wordt aangevuld met Franck, een handige kok, en zijn hulpbehoevende grootmoeder Paulette. Het kwartet trekt bij elkaar in en in het appartement onder de schaduw van de Eiffeltoren groeit een geestige ménage à quatre. Gavalda leeft zich uit in een ongedwongenheid die hartverwarmend mag heten en rijgt de fijnzinnige, goedmoedige taferelen aan elkaar. De vier nochtans zo verschillende individuen raken in hun zoektocht naar evenwicht aan elkaar verknocht, hechter dan een familie ooit kan zijn.

Het hoge Amélie Poulain-gehalte van Samen ben je minder alleen is aardig maar in tegenstelling tot de bejubelde film snijdt Gavalda gaandeweg alle vaart uit haar boek. Ondanks haar finesse voor dialogen weet ze geen maat te houden. De suikerspin van geluk wordt al te breed uitgesmeerd en Franck, Philibert, Camille en Paulette verliezen zich in een keuvelkramp. Het montere gebabbel over wissewasjes verspreidt zich als een weliswaar goedaardig maar toch hinderlijk virus. Het zoveelste bewijs dat je met peace and harmony in een roman erg zuinig moet zijn?

Anna Gavalda

Samen ben je minder alleen

Vertaald door Judith Wesselingh, Prometheus, Amsterdam, 460 p., 19,95 euro.

Een zuiverende, intrigerende manier om over pijn en passie te schrijven

Gênant exhibitionisme, hyperrealisme of genadeloos eerlijke autobiografie? Critici en lezers weten niet altijd raad met het oeuvre van Annie Ernaux (°1940). Sinds Les armoires vides (1974) schreef Ernaux nietsontziend en kil registrerend over haar jeugd in een Normandisch arbeidersmilieu, over haar vader (La place, 1984), haar moeder (Une femme, 1989), haar abortus (L'événement, 2000), haar liefdes, haar ziektes en haar trauma's. Elke franje en elk vleugje ironie worden daarbij vermeden, waardoor haar boeken de teneur van een klinisch rapport hebben. Het gebeurt weleens dat je plaatsvervangende schaamte bekruipt bij zoveel ontnuchterende details, bij zoveel blote inkijk op een mensenleven. En toch: deze écriture plate is ook moedig, integer en vaak merkwaardig troostend. Misschien omdat het een leven is dat tot in elke vezel wordt geleefd: met zijn misstappen, met zijn passies, met zijn jaloezie, met zijn kleine en grote vreugdes, maar altijd zonder compromissen. Zo effende Ernaux in de Franse letteren het pad voor een Christine Angot en een Cathérine Millet.

Het zopas verschenen L'usage de la photo, geschreven samen met haar partner Marc Marie, is opnieuw een boek op het scherp van de snee. Ernaux schotelt ons veertien foto's voor van achteloos uitgetrokken kledingstukken en schoenen. Ze liggen verspreid op een keukenvloer met dambordmotief, in een hall of in een anonieme Brusselse hotelkamer. Het zijn de stille getuigen van een doorleefde roes, van een wederzijds heftig verlangen, gefotografeerd onmiddellijk na de liefdesdaad. Er is geen mens op te zien. De foto's zijn in feite banaal, helemaal niet esthetisch, zelfs bijna bewust amateuristisch, met morsige schaduwpartijen. Ze vormen niettemin "een steeds wisselend landschap", "een intiem journaal", dat tot leven komt door het commentaar van de hoofdrolspelers. Ernaux en Marie beschrijven om beurten en onafhankelijk van elkaar de beelden. Het is treffend dat hun ervaringen sterk aan elkaar gewaagd zijn.

Op het moment dat deze passionele verhouding start, in maart 2003, is Ernaux in behandeling voor borstkanker. Dat zet alles in een verhevigd licht. Het is alsof de intensiteit van de verhouding een manier is om een neus te zetten naar de oprukkende dood. Zoals we van Ernaux gewend zijn, bespaart ze ons geen enkel feit over de chemotherapie, de haaruitval en de onttakeling, haar "lichaam is het theater van gewelddadige operaties". Het is niet verwonderlijk dat Marie schrijft: "Je kreeg enkel maar kanker om erover te kunnen schrijven." Nieuw (en een verademing) is Ernaux' occasionele, gortdroge humor.

Uiteindelijk keert het tij: aan het eind van het boek kan Ernaux zeggen dat ze de kanker overwonnen heeft. De rol van de foto's is uitgespeeld, ze zijn als "kaarten van een Cluedo-spel" of brokstukken van hun persoonlijke geschiedenis. Relativerend luidt het: "Misschien zullen deze foto's over enkele jaren niemand nog veel zeggen, zullen ze enkel getuigen van de schoenmode aan het begin van de jaren 2000." Foto's zijn tenslotte leugenachtig, omdat ze momentopnames zijn, betoogt Marie. Op het snijvlak van beeldessay en proza hebben Ernaux en Marie in L'usage de la photo een zuiverende, intrigerende manier ontdekt om over pijn en passie te schrijven.

Annie Ernaux & Marc Marie

L'usage de la photo

Gallimard, Parijs, 151 p., 13,90 euro.

Deze averechtse roman is bovenal een triomf van theatrale conversatiekunst

Denis Diderot (1713-1784), de Franse Verlichtingsfilosoof en founding father van de Encyclopédie (samen met d'Alembert), had talrijke pijlen op zijn boog. Als romancier veroverde hij zijn plaats in de literaire canon met De neef van Rameau en De non, dat ook vanwege een aantal lesbische vrijpostigheden ophef maakte.

Het zopas door Martin de Haan met verve vertaalde Jacques de fatalist en zijn meester (pas na Diderots dood verschenen in 1796) valt nauwelijks te etiketteren. Dit alle kanten opwemelende geschrift houdt het midden tussen een rocamboleske parabel, een filosofisch traktaat en een komisch steekspel vol luchtige aforismen. Bovenal is deze averechtse roman een triomf van theatrale conversatiekunst. In dit boek zonder begin noch einde smokkelt Diderot met vrolijke vitesse zijn morele stokpaardjes binnen: is het menselijk bestaan onderworpen aan een goddelijk determinisme of triomfeert de vrije wil? "We denken het lot te sturen, maar in werkelijkheid stuurt het ons, altijd en overal", schrijft Diderot. Luttele pagina's verder zet hij dit denkbeeld alweer op losse schroeven. Onvoorspelbaarheid is troef: dat is Diderots manier om met het determinisme de draak te steken.

We maken kennis met Jacques en zijn meester wanneer ze te paard door een landschap sjokken, bijna als spiegelbeeld van Don Quichot en zijn trouwe knecht Sancho Panza. Vertrek of aankomst van hun trektocht blijven ongewis, hun route wordt gestuurd én verstoord door arbitraire ontmoetingen en elkaar in de staart bijtende verwikkelingen. Steeds onderhoudend, altijd vol dubbele bodems en verrassend modern zijn de verhalen die Diderot zijn protagonisten laat opdissen. Jacques (de fatalist) is een onvermoeibare praatvaar, wiens heilige overtuiging is "dat alle goede en slechte dingen die ons hier overkomen daar boven geschreven staan", zijn meester luistert geduldig en aanmoedigend, maar heeft meer fiducie in de menselijke vrijheid. Diderot doorvlecht hun meanderende dialogen met allerlei side-stories die garant staan voor een trits filosofische dilemma's.

Diderot is als verteller een almachtige God, die een kat- en muisspel speelt met zijn personages. Hij geniet er openlijk van om ons in het ootje nemen. En toch: als bij de rattenvanger van Hamelen lopen we achter zijn gewiekste fluitspel aan. Jacques de fatalist en zijn meester verveelt geen seconde. Met mateloos plezier laven we ons aan deze frivole lessen in het denken van de Verlichting.

Denis Diderot

Jacques de fatalist en zijn meester

Vertaald door Martin De Haan, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 300 p.' 32,50 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234