Maandag 21/06/2021

Britse hoedenmaker toont 30 jaar werk in MoMu

Stephen Jones, ’s werelds bekendste hoedenmaker, krijgt

een spectaculaire en unieke tentoonstelling in het MoMu in

Antwerpen. Hoeden met spekzolen en dode duiven. Bij Jones regeert de fantasie onverbiddelijk. ‘Je ne regrette rien.’

en man met een bolhoed, een zwart pak en een wandelstok, zo wandelde de Britse hoedenmaker Stephen Jones twee jaar geleden de Arnhem Modebiënnale in Nederland binnen. Hij kon zo zijn weggelopen uit een feeëriek verhaal van Charles Dickens. Elke millimeter aan hem ademde aristocratie. De neus iets naar boven gericht, de oogopslag een vleugje pedant. Maar die formele uitstraling bleek een flinterdun laagje. Want zodra hij zijn mond opendeed, besefte je dat Stephen Jones veeleer een punk is. Op de vraag bijvoorbeeld of hij zelf graag hoeden draagt, zei hij “Nee, ze zijn bij mij binnen een mum van tijd verwoest. Ik zit erop, knoei met eten en vergeet ze.”

Stephen Jones is een punk in een pak, een wolf in schaapskleren: 53 jaar en nog steeds ondeugend, rebels, controversieel. Hij is de onweerstaanbare Britse versie van een moderne Heer Bommel. Geestig, intelligent, fantasierijk, menselijk, eigenzinnig. De Britse hoedenmaker houdt van België. “Jullie mode is avant-gardistisch, maar wel geschoeid op een klassieke basis. Kijk naar de letters van het Modepaleis van Dries Van Noten en je beseft dat dit een land is met geschiedenis.”

En België houdt van Stephen Jones, in elk geval drie Belgen adoreren hem: Geert Bruloot, Kaat Debo en Walter Van Beirendonck. De eerste, Geert Bruloot, omdat hij al vanaf 1988 de hoeden verzamelt van Stephen Jones en deze etaleerde in zijn modewinkel Louis in Antwerpen. De tweede, Kaat Debo, omdat zij de verzamelde Jones-hoeden van Geert Bruloot in haar schathuis, het MoMu, in bewaring heeft. En de derde, Walter Van Beirendonck, omdat deze eigenzinnige modeontwerper vanaf dag één fan was van Jones en hem menigmaal heeft gevraagd de hoeden bij zijn collecties te maken. Deze drie hebben ervoor gezorgd dat Antwerpen de komende maanden horden enthousiaste modefans uit vele landen zal gaan herbergen. Want de overzichtstentoonstelling van dertig jaar hoeden van Stephen Jones (van 8 september 2010 tot en met 13 februari 2011) is geen overgebrachte bestaande tentoonstelling maar uniek en voor het overgrote deel van Belgische snit. Zo dook Geert Bruloot met Kaat Debo twee jaar lang in de persarchieven van Jones en spelde hij centimeter voor centimeter het 30 meter lange archief uit voor materiaal voor de tentoonstelling en een boek. Bruloot, curator en scenograaf van de tentoonstelling: “Het leukste is dat Stephen zo’n fantastisch precies geheugen heeft dat waar ik ook meekwam, hij altijd gelijk het hele verhaal erbij had.” Er was uiteindelijk materiaal genoeg voor twee boeken en twee tentoonstellingen, maar nooit was er bij Bruloot tegenzin om het materiaal uit te ruimen tot de essentie. “Deze man en zijn werk geven zoveel energie. Zijn historische kennis van zijn land en de internationale mode is net zo verbluffend als zijn eigen geschiedenis. Jones is een vrij denker. Hij geeft de dingen een draai, iets wat de Britten ‘whimsical’ noemen. Van zijn ontwerpen krijg je, net als bij de Belgische modeontwerper Martin Margiela, een glimlach om je lippen. Als hij een telefoon op zijn hoofd zet, is het gelijk een hoed.” Ook Kaat Debo, directeur van het Antwerpse ModeMuseum voelde zich ondergedompeld in de briljante creativiteit van Jones. “Hij is zo’n drukbezet man, maar blijft overal de humor van inzien.” Bruloot: “Een lieverd.”

Spekzolen

Als jongetje besefte Stephen Jones geen seconde dat hij later wereldberoemd zou worden met hoofddeksels van spekzolen, tandpastatubes, tijgerklauwen en dode duiven. Laat staan dat hij zijn naam verbonden zou zien met Dior, Marc Jacobs, John Galliano, Comme des Garçons, Beyoncé, Nicole Kidman en Madonna, Lady Di. “Nee”, zegt Jones, “ik was niet iemand die op mijn derde een avondjurk voor mijn moeder aan het maken was.” Hij groeide op in Liverpool, bracht de middelbare school door op kostschool en leerde er rugby spelen en Latijn en Grieks. Maar meer dan dat leerde hij vriendschappen sluiten zonder zichzelf te verliezen. “Het was een bleke periode”, zegt hij. “Liverpool leek eeuwig in staking, er was geen artistiek klimaat, ook al waren de schetsen van auto’s van mijn vader heel mooi.” Zijn vader wilde hem graag in het transportbedrijf van de familie inlijven. Jones: “Mijn achter-, achter-, achter-, ja, ik geloof dat het drie keer ‘achter’-grootmoeder is, was de eerste die Citroën-trucks met pneumatische banden naar Engeland importeerde. Voor die tijd waren banden nog van massief rubber. Mijn vader was zeer teleurgesteld dat ik niet in het bedrijf kwam werken dat al generaties bestond.”

Tel daarbovenop het feit dat Jones op zeker moment wist dat hij meer van de heren- dan van de damesliefde was en je weet dat zijn vader opnieuw een diepe teleurstelling had te verwerken. “Een moeilijke tijd omdat homoseksualiteit zeker op het platteland nog niet geaccepteerd was.” Het ietwat benauwde Liverpoolse milieu heeft de hoedenmaker niet in de weg gezeten. “Na kostschool wilde ik naar Londen, naar de Saint Martin’s School of Art.” Het was 1976, het jaar van de punk. Stephen voelde zich een ‘suffe plattelandsaardappel’ toen hij het Londen van de New Romantics binnentrad. “De eerste week op school durfde ik nauwelijks naar buiten. Toen vroeg een meisje ‘ga je mee lunchen, ik heb een afspraak met een vriend.’ Dat bleek Johnny Rotten van de Sex Pistols. Ik huilde bijna.” Het was het begin van de clubbingfase van Jones. Hij was een punk maar wel van de luxesoort. Droeg krijtstreeppakken met stiletto’s eronder en bewoog zich als een dandy in de leukste clubs van Londen met beste vriend en muziekartiest Boy George. Jones: “Het voelde als thuiskomen.” Was Studio 54 in die tijd een creatief klimaat in New York, club Blitz was dat in Londen. Erudiete dialogen onder geniale creatievelingen. Jones, lachend: “Gesprekken in de trant van ‘ik heb het idee dat dat ding op je hoofd niets voorstelt. Misschien heeft het iets met een pruik te maken. Of meer een hoofdband, of nee, toch iets indiaans.’ A la Monty Python met veel quasi-intellectuele prietpraat. En we droegen allemaal buitenissige kleding en paradeerden als dandy’s door nachtelijk Londen.” Onder hen John Galliano, talentvol ontwerper die nu de scepter zwaait bij Dior. Op een avond vroeg Galliano aan Stephen Jones of hij geen hoeden wilde maken voor hem. Jones, playing hard to get, zei: “Not on your life.” Het duurde nog enkele jaren voordat Jones die opmerking terugnam en ze beste vrienden werden. Al twintig jaar werken ze intens samen en sinds Galliano voor Dior werkt vanaf 1997, ontwerpt Jones nu elk seizoen alle hoeden voor de couture-, de prêt-à-porter- en de kindercollecties.

Kale kneiter

Op de academie had Jones niets met naaien. In een hoedenstudio zag hij hoe hoeden werden gelijmd en hun strakke, architectonische constructies spraken hem aan. Jones: “Anders dan de zachte structuren van kleding die het lijf volgen. Het ontwerpen van hoeden ontwikkelde zich bij toeval. Ik dacht aanvankelijk dat er niet veel naaiwerk aan te pas zou komen, maar in veel hoeden zit meer naaiwerk dan in een jurk. Dat was dus een tegenvaller, haha.”

Zelf droeg hij in zijn jonge jaren geen hoeden. “Ik had te veel haar, het zag er niet uit.” Tot hij op oudejaarsavond 1980 zijn haardos in een dronken bui afschoor en zijn kale kneiter tevoorschijn kwam. “Kinderen waren bang van me, dat vond ik erg grappig. Ik had alle haarkleuren gehad, groen, roze, en was er wel klaar mee. Voordeel van mijn kale kop was dat ik een perfecte hoedenmaat kreeg, 57 centimeter rondom. Sindsdien draag ik altijd iets op mijn hoofd. Meestal een pet, omdat die praktischer is dan een hoed die ik vergeet, waar ik op ga zitten of die smoezelig wordt.” Zijn talent voor expressie zette hij in voor hoofddeksels. Humor, extravaganza en een klassieke basis smolten samen. Mode als persoonlijke opvoeringskunst. Speelde de hoed rond de jaren 1970 een bijrol in de modewereld, Jones maakte er een hoofdrol van. Toiles, pillendozen, baretten of de klassieke borsalino, Jones maakte zijn eigen twist in vorm, silhouet, materiaal en uitdrukkingskracht. Nog een surplus was dat zijn hoofddeksels exotische namen als Electric Chair, Monolithic Ego II, Phantom Limb en Rococo Futura meekregen. Was een hoed bij een gewone hoedenmaker een ding om je te beschermen tegen wind en regen, bij Jones werd een hoed een verlengstuk van je persoonlijkheid. Kleine gebouwen op je hoofd als ultieme expressie van jezelf. John Galliano over Jones: “Eigenlijk wordt een vrouw boven de halslijn pas interessant, daar waar mijn werk ophoudt. Jones kent alle moderegels, heeft een klassieke opleiding, maar met zijn fantasie en lef doorbreekt hij keer op keer diezelfde regels. Bij hem verveel je je nooit.”

Di Rupo

Hij zou graag voor prinses Mathilde ontwerpen. “Zij is zo stijlvol.” En hij was dol op de hoedenstijl van koningin Fabiola in haar jongere jaren. “Zij droeg speciale hoeden die pasten bij haar persoon.” Jones vindt royalty bij uitstek een doelgroep waar de hoed een belangrijke plek inneemt. “Tenslotte is de ultieme hoed een kroon.” En PS-voorzitter Elio Di Rupo zou hij ook een hoed gunnen. “Of je nu een popster bent als 50 Cent of Kylie Minogue of politicus, een hoed laat je uit de massa ontstijgen. Voor Di Rupo zou het een mooi accessoire zijn om op te vallen in Brussel.” Zo maakte Jones voor Carla Sarkozy het inmiddels beroemde pillendooshoedje dat zij droeg tijdens het Franse staatsbezoek aan Engeland. Op de expositie Stephen Jones & The accent of fashion zullen behalve 300 hoeden van Jones ook 35 complete silhouetten te zien zijn van shows van de afgelopen dertig jaar van Comme des Garçons, Giles, Claude Montana, Thierry Mugler, Jean Paul Gaultier en John Galliano. Wat zelf zijn meest favoriete hoed is? Jones grimast: “Die moet ik nog gaan maken.” Wat zijn grootste zonde is? “Je ne regrette rien. Net als Edith Piaf.” Weer die grimas. n

Een hoofddeksel van Jones geïnspireerd op het schilderspalet gedragen op een modeshow van Dior waar de wintercollectie 2007 werd voorgesteld.

Jones ontwierp de hoeden voor het herfst-winterdefilé 2007 van Dior.

Een opvallende hoedstructuur voor de zomercollectie 2007 van Hussein Chalayan.

De hoed deze winter

Gouden tip van Stephen Jones voor deze winter: combineer je outfit niet met een hoed in dezelfde kleur, maar hou de hoed neutraal. “Tien jaar geleden was de look juist in eenzelfde kleur, nu lijkt het op een uniform van een Oost-Europese luchtvaartmaatschappij. Niet doen dus.” Draag de hoed in een donkerder kleur dan de rest van je outfit. Mannelijke hoedenvormen zijn trendy met leer als materiaal. De baret blijft volgens Jones een klassieker. “Stond Faye Dunaway in de film Bonnie and Clyde fantastisch, maar nu Lady Gaga net zo goed.”

Stephen Jones werkt met materialen van het leven zelf. Tandpasta, bierblikjes, plastic, kerstslingers. Toen hij vorig jaar voor korte tijd werd opgenomen voor een onschuldige ingreep in het ziekenhuis, ontwierp hij de hoed Bang. Een klassieke, platte strohoed à la Chanel waarvan hij alle onderdelen had losgemaakt met stukken röntgenfoto die deden denken aan de lichtgevoelige foto’s van Man Ray en metalen frames die herinnerden aan de ijzerdraadobjecten van Jean Cocteau. Kaat Debo van het MoMu: “Deze hoed vat goed samen wie Jones is. Hij kent zijn klassiekers en mixt die met zijn liefde voor wetenschap, kunst en space age. En voegt daar dan nog heel veel humor aan toe.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234