Maandag 14/10/2019

Brieven in tijden van oorlog

De Nederlandse historicus en essayist Ian Buruma gebruikt de talrijke brieven van zijn grootouders om een portret te schetsen van twee verliefde mensen die elkaar tijdens WO I én II lange tijd moesten missen.

'Ik geloof dat ons hiernamaals, goed of kwaad, bestaat uit de herinnering aan onszelf die we achterlaten.'

Voor Ian Buruma (1951) is deze zin uit een brief van zijn grootvader Bernard Schlesinger aan diens vrouw Winifred Regensburg hun best denkbare grafschrift: zijn grootouders hielden immers niet enkel zielsveel van elkaar, ze waren tevens alom geliefd.

Bernard overleed in 1984, Win (ze had een hekel aan de naam Winifred) in 1986. De brief werd op 2 december 1941 gepost, kort voor de Britse legerarts Bernard Schlesinger naar India werd uitgestuurd, waar hij meer dan drie jaar lang militaire hospitalen zou inspecteren.

Bernard en Win schreven elkaar bijna dagelijks. Uit deze brievenschat put Buruma uitgebreid voor een liefdevol, maar zeker niet suikerzoet portret van twee mensen die elkaar zowel tijdens de Grote Oorlog als de Tweede Wereldoorlog veel te lang moesten missen en die ondanks hun Joods-Duitse afkomst - ze waren kinderen van Joodse immigranten uit Frankfurt - nooit geheimzinnig hebben gedaan over hun grenzeloze liefde voor alles wat Engeland voor hen betekende.

Buruma is een vermaard essayist en historicus, met als specialismen China en Japan. Zijn moeder was een dochter van Bernard en Win, zijn vader een Nederlandse doopsgezinde predikant. In 2013 verscheen zijn vorige boek, 1945, biografie van een jaar.

1945 is ook het jaar wanneer Hun beloofde land ophoudt. Een abrupt, maar logisch einde. Hoewel Buruma zich weliswaar levendig idyllische kerstdagen in het landhuis van zijn grootouders herinnert, is het hem enkel om hun briefwisseling te doen, een correspondentie die vanzelfsprekend ophield toen Bernard na de oorlog naar huis was teruggekeerd.

Hoe zag het leven van twee Joodse Engelsen uit de hoge middenklasse eruit? Wat hadden ze elkaar te bieden? Elkaar te vertellen? Hoe reageerden ze op de oorlog en op de berichten over de Jodenvervolging in Duitsland? En hoe gingen ze om met het geniepige antisemitisme van de Engelsen?

Buruma zelf treedt op 'als een soort Grieks koor': hij reageert op de ontboezemingen van Bernard en Win, leeft mee met hun huwelijks- en gezinsproblemen (ze hadden vijf kinderen) en geeft uitleg over de politieke en sociale ontwikkelingen in de buitenwereld. Dat doet hij respectvol en bedachtzaam, bewust als hij is dat zijn grootouders in een tijd met heel andere zeden en gewoonten thuishoorden.

Buruma blijft zelfs voorzichtig als de brieven aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Dat valt zeker op wanneer het gaat over mensen die 'vijfenveertig' zijn. Een 'vijfenveertig' was het codewoord van zijn grootouders voor een Jood.

Alleen al het feit dat ze daarvoor geheimtaal hanteerden, wijst erop dat ze Engelser dan de Engelsen wilden zijn. Dat hield enerzijds in dat ze niet als Jood wilden opvallen, anderzijds dat ze niets moesten hebben van Joden die hun afkomst wél verraadden. Zo schreef Bernard negatief over de Joodse dokter Holman, een man 'met ambitie & ideeën die vrij kenmerkend zijn voor het volk'. En Win had geen goed woord over voor de moeder van Vera Baer, een vrouw 'met de typische brutaliteit van haar volk en afkomst'.

Vera Baer was een van twaalf Joodse kinderen uit Duitsland die Win en Bernard enkele maanden voor de Kristallnacht van 9 november 1938 in Londen onder hun hoede hadden genomen. Bernards gevoeligheid was niet uit de lucht gegrepen: telkens als een baan in een ziekenhuis aan zijn neus voorbijging, vermoedde hij, terecht overigens, dat de afwijzing met zijn Joodse achternaam te maken had.

Waarom legden de grootouders van Buruma zich zo gemakkelijk neer bij die discriminatie, dat stiekeme antisemitisme? Betekende een volledige assimilatie hun absolute ideaal? Begrepen ze dat vooroordelen onvermijdelijk waren? Of leden ze aan een zekere Joodse zelfhaat?

Buruma houdt zich op de vlakte. Hij citeert enkel uit een brief van zijn grootmoeder. Ze heeft 'het voorrecht in het geweldigste land ter wereld te wonen'. Daarom zal ze Engeland voor eeuwig dankbaar blijven.

In elk geval wilden de grootouders van Buruma niets met de Joodse godsdienst te maken hebben. Nu eens noemt Bernard zijn religie 'zijn toewijding aan een medische loopbaan', dan weer neemt hun liefde voor Brahms en Wagner religieuze afmetingen aan.

Is er dan niets overgebleven van hun Joodse identiteit? Volgens Buruma was hun toewijding aan hun gezin 'misschien hun meest Joodse eigenschap'. Een vreemde opvatting. Zouden Joodse gezinnen werkelijk zorgzamer zijn dan niet-Joodse?

Doordat Buruma zijn verhaal enkel met de bouwstenen van de brieven opbouwt, blijven sommige vragen onbeantwoord. Waarom hebben zijn grootouders geen boodschap aan het zionisme? Hadden hun 'onwrikbare plichtsbesef' en hun 'overdreven patriottisme' werkelijk niets met Duitse, zeg maar Pruisische, deugden van doen? En waarom komt het lot van hun familie in het Derde Rijk in hun correspondentie nauwelijks aan bod?

De grootouders van Buruma hebben zeven decennia lang alle huwelijksturbulentie en alle politieke stormen glansrijk doorstaan. Hun beloofde land is een gulhartig en integer eerbetoon in een stijl zonder franjes, een mooi contrast met de bezieling en passie van de brieven.

Ian Buruma, Hun beloofde land, Atlas Contact, 280 p., 24,99 euro. Vertaald door Arthur Wevers

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234