Vrijdag 15/11/2019

Interview Boekenbeurs

‘Brieven die ik van meisjes krijg, grijpen soms echt naar de keel’: jeugdauteurs op de Boekenbeurs

Dirk Bracke, Sylvia Van Driessche en Marc de Bel: ‘Tieners maken heftige dingen mee. Je moet ze niet betuttelen.’ Beeld Illias Teirlinck

Marc de Bel, Sylvia Van Driessche en Dirk Bracke bivakkeren weer twee weken onder de tl-verlichte hemel van de Boekenbeurs. Maar alvorens ze er hun boeken uitstallen, hadden we het met hen over de wankele toekomst van het jeugdboek. ‘Ik merk een nieuwe preutsheid als het over literatuur gaat.’

Wanneer u deze weekendkrant openslaat, hebben jeugdschrijvers Marc de Bel, Dirk Bracke en Sylvia Van Driessche alweer hun intrek genomen op de Boekenbeurs om er onvermoeibaar handtekeningen op beduimelde boeken te zetten. Om er kinderharten te zien smelten en om het zoveelste exemplaar van De Boeboeks of Black in de handen van nieuwe lezers naar huis te zien gaan.

Maar vandaag, op een zonnige herfstdag, zijn de drie schrijvers naar Gent afgezakt. We hebben afgesproken in een rustige koffiebar, van het soort waarin er in de stad maar weinig te vinden zijn. Omdat dat gemakkelijker praat, ja, maar ook om nog wat stilte in te lassen voor de storm officieel losbarst.

“Dit jaar sla ik de openingsavond van de Boekenbeurs toch maar over. Meestal word ik daar nét iets te dronken”, bekent De Bel wanneer de eerste lading koffies op tafel worden geschoven. “Niet evident als je de volgende dag al moet signeren.” Hoewel de schrijver inmiddels gebruik kan maken van een 65+-pasje wanneer hij op de trein stapt, praat hij op een manier die ondeugendheid prijsgeeft, met veel intonatie en mimiek. Dirk Bracke – ondertussen ook al 66 – is wat ingetogener, terwijl hij in Vlaanderen toch te boek staat als een van de meest choquerende jeugdschrijvers.

In hun gezelschap is Sylvia Van Driessche (43) de recentste toevoeging aan het literaire firmament. Ze verdiende haar strepen als hoofdredactrice van het jongerenblad Joepie en bundelde in 2012 veertig jaar aan lezersbrieven. Een jaar later lag haar eerste jeugd­roman in de winkelrekken, Tussen de sterren. Die werd zo onverwacht een succes, dat twee weken geleden al het vijfde deel van die reeks uit de printer rolde.

Marc de Bel: ‘Een voorleesrobot is een afgrijselijk idee. Voorlezen moet op schoot bij mama of opa gebeuren, zodat het een warm moment wordt.’ Beeld Illias Teirlinck

Jullie zijn, met alle respect, al even geen tieners meer. Valt het nog mee om je in te leven in de wereld van een lezerspubliek dat toch een stuk jonger is dan jullie?

Sylvia Van Driessche: “Ja! Je hebt die voeling, of je hebt ze niet. Ik heb gelukkig ook jonge kinderen die me een jeugdige kijk op de wereld geven, maar zelfs als kind schreef ik al dagboeken aan flarden. Als ik aan een boek werk, herlees ik soms passages die ik als tiener neerkrabbelde. Ah, zó heftig voelde het toen wanneer je hart gebroken werd, denk ik dan. Maar eigenlijk teer ik toch vooral op herinneringen. Iedereen is ooit tiener geweest, hè.”

Marc de Bel: “Een goed werkend geheugen is inderdaad het belangrijkste werktuig van de schrijver.”

Dirk Bracke: “Alleen de manier waarop jongeren vandaag met smartphones omgaan, kan ik soms niet volgen. Emoties zijn daarentegen wel vrij tijdloos. Jongeren zijn vandaag nog steeds op dezelfde manier triest of verliefd als pakweg vijftien jaar geleden.”

Ik heb me vorig weekend in mijn appartement opgesloten met een stapel van jullie boeken. Daarin komen best harde thema’s voor: seksueel misbruik, alcoholisme en liefdes­verdriet, om er maar enkele te noemen. Staat er een limiet op hoe rauw een jeugdboek mag zijn?

De Bel: “Ja, soms laat ik dingen uit mijn boeken waarvan ik weet dat ze te zwaar zijn voor mijn lezers. Tijdens het schrijven van mijn young­adult­trilogie over de Eerste Wereldoorlog heb ik me vijf dagen lang proberen in te leven in de wereld van de soldaten over wie ik schreef. Ik at niets en dronk alleen maar water. Toen ik met dat verhaal bezig was, heb ik gemerkt dat sommige gruweldaden echt te erg voor woorden zijn. Ik dacht: moet ik in deze boeken nu écht neerschrijven wat voor afschuwelijke dingen die smeerlappen met baby’s deden? Je moet het natuurlijk niet verzwijgen, want het wás verschrikkelijk, maar ik kon het ook niet onverbloemd op papier zetten.”

Marc de Bel

• 65 jaar

• debuteerde in 1987 met Het ei van Oom Trotter. Voordien gaf hij les op een lagere school

De zusjes Kriegel en Blinker en de bakfietsbioscoop zijn enkele van zijn bekendste titels

• verschillende van zijn werken werden bekroond door de Vlaamse Kinderjury

Bracke: “Ik heb het omgekeerde meegemaakt met mijn boek De olifanten vechten, een verhaal over kind­soldaten. Toen ik dat manuscript naar mijn uitgever stuurde, wilde hij het aanvankelijk niet publiceren omdat het te gruwelijk was. Ik heb dan maar enkele van de meest brutale passages geschrapt en er wat zachtere dingen bijgeschreven, kwestie van de lezer wat op adem te laten komen. Maar wanneer ik in scholen ga vertellen over dat boek, hoor ik toch vaak: ‘Mogen we die éérste versie niet eens lezen?’” (lacht)

Van Driessche: “Ja, ik denk niet dat jonge lezers betutteld moeten worden, hoor. Wanneer tieners me brieven schrijven, merk ik ook dat ze vaak al erg heftige dingen meemaken. Hun ouders gaan uit elkaar of verkloten het in het algemeen, ze worden gepest, weten met zichzelf geen blijf.

“Juist daarom zijn boeken een goede manier om moeilijke onderwerpen aan te snijden. Zo heb ik eens onderzoek gedaan naar de impact van seksualiteit en erotiek in mijn verhalen. Van seksuologen hoorde ik daar alleen maar positieve dingen over. Voor jongeren is het de ideale manier om ermee in aanraking te komen: de passages waar ze klaar voor zijn slaan ze op, de rest vergeten ze weer.”

Dirk, verschillende boeken uit je oeuvre kregen toch de kritiek dat ze te hard zouden zijn voor jonge lezers. Toen Het uur nul uitkwam, kreeg je de wind van voren.

Bracke: “Ja, dat heb ik mogen ontgelden. Vóór mijn carrière als schrijver waren boeken voor jongeren vaak heel zedig en braaf. En ik kwam daar dan opeens af met een verhaal over drugs, seks tussen jongeren en aids. Door dat boek te schrijven zijn er toch een paar lezingen afgezegd, terwijl het achteraf gezien nog mals was in vergelijking met wat ik nadien heb gepubliceerd.”

Sylvia Van Driessche: ‘Lezers stellen de vraag wanneer een van mijn boeken verfilmd wordt. Maar met het aantal lezers in Vlaanderen moet ik daar niet meteen aan beginnen.’ Beeld Illias Teirlinck

De Bel: “Ik heb die kritiek ook al gekregen van een bezorgde ouder in Nederland. Hij had in De zusjes Kriegel (een trilogie over drie rebelse zussen, SDW) alle passages die hij niet vond kunnen doorstreept met een zwarte viltstift. Hilarisch. Magie mocht ik ook al niet in mijn verhalen schrijven, want daar was geen sprake van in de Bijbel.”

Van Driessche: “Ik moet eerlijk zijn: ik heb zulke situaties nog nooit meegemaakt met mijn boeken. Ik hoop dat die preutse mentaliteit als het over kinderboeken gaat er toch een beetje uit is geraakt. Bij Joepie hoorde ik dat soort verhalen dan weer wel. Dan werd de rubriek Sex, Mind & Body door ouders uit het blad gescheurd voor hun kinderen konden beginnen lezen.” (lacht)

Bracke: “Ik merk toch een nieuwe preutsheid bij jongeren als het over literatuur gaat. Ik schreef het boek Hashtag over sexting en catfishing, waar Adil El Arbi en Bilall Fallah vervolgens een kortfilm van maakten. Daarin zie je één seconde een stel blote borsten. Het woord ‘afzuigen’ wordt ook eens gebruikt. In een klas van moslim­jongeren sloegen enkele meisjes de handen voor de ogen. Dat was onkuis, blijkbaar. Toen schrok ik toch ook wel even.”

De bezoekersaantallen van de Boekenbeurs dalen jaar na jaar – in 2018 kwamen er amper 137.000 mensen opdagen, terwijl dat er in 2010 nog 184.000 waren. Waarom gaan jullie er toch nog elk jaar naartoe?

Bracke: “Je gaat voor de mensen die wél komen, natuurlijk. Het is niet omdat er in totaal minder bezoekers naar de Boekenbeurs komen, dat de mensen die er wel zijn plots minder belangstelling hebben voor schrijvers. Ondertussen zie ik dezelfde gezichten soms al wel dertig jaar op rij terugkomen. Die zeggen dan: ‘Ik heb nog een boekbespreking over u gemaakt.’” (lachje)

Sylvia Van Driessche

• 43 jaar

• was vijf jaar lang hoofdredactrice van het jeugdblad Joepie

• debuteerde in 2012 met een bundeling van veertig jaar lezersbrieven aan Joepie

• Haar eerste jeugdroman, Tussen de sterren, lag er in 2013. Inmiddels publiceerde ze het vijfde deel van die reeks  

Van Driessche: “De Boekenbeurs is als schrijver ook de enige keer in het jaar waarop je je lezers kunt ontmoeten. Soms krijg ik afgeleefde boekenkaften in mijn handen geduwd. Prachtig toch, als een boek zoveel heeft meegemaakt.”

De Bel: “Mijn vrouw en ik komen ondertussen ook al 33 jaar naar de Boekenbeurs. De tieners die we ooit met een boek onder de arm naar huis zagen gaan, staan nu vaak zelf alweer met een kind op de arm in de rij.

“Aan je lezers merk je natuurlijk dat je zelf aan het verouderen bent. Ik ben inmiddels 65, maar ik vóél me voor alle duidelijkheid niet zo. Aan stoppen met schrijven denk ik nog lang niet. Op mijn 94ste zie ik mezelf mijn laatste boek dicteren aan mijn kleinkind, dat dan alles netjes opschrijft. In mijn bureau­lade ligt nog een hele stapel onuitgewerkte verhaallijnen. Geloof me: de schoonste dingen moeten eigenlijk nog komen.”

Dit jaar wordt op de Boekenbeurs de voorlees­uil voorgesteld, een robotje dat kinderen verhalen kan voorlezen. Een goed initiatief om jonge kinderen met boeken in aanraking te laten komen?

De Bel: (fel) “Ik vind dat, echt waar, een afgrijselijk idee. Kinderen worden vandaag al in de crèche gedumpt, en thuis zouden ze dan ook nog eens voor een robot moeten zitten. Die kinderen smeken gewoon om een knuffel of wat sociaal contact. Nee, ik vind dat echt niet kunnen. Mijn boeken moeten ze alvast niet door die robot laten voorlezen. Als je kinderen hebt, moet je ervoor zorgen. Dat wil zeggen: tijd vrijmaken om met hen te spelen en onnozel te doen. En ja, ook om hen voor te lezen.

“Voorlezen moet op de schoot van mama of oma of opa gebeuren, zodat het een warm moment wordt. Zo’n onnozele voorleesrobot gaat toch niet antwoorden op de vragen die kinderen hebben bij de verhalen? Met die robot halen ze alles wat wij, de schrijvers, al zo lang doen onderuit: gaan vertellen op scholen, net zodat er geen scherm tussenzit.”

Dirk Bracke: ‘Jongeren én smart­phones, dat kan ik soms niet volgen, maar ze zijn nog steeds op dezelfde manier verliefd als 15 jaar geleden.’ Beeld Illias Teirlinck

Van Driessche: “Het lijkt me inderdaad ook wat onpersoonlijk, maar het ene hoeft het andere niet noodzakelijk uit te sluiten. Ik begrijp wel dat uitgevers op zoek gaan naar nieuwe manieren om kinderen verhalen te laten ontdekken. Niet elk kind heeft ouders of grootouders die hen voorlezen. Misschien is het voor hen wel een mooie oplossing.”

De Bel: “Ik geloof daar niet in. Echt niet.”

Even iets anders dan maar: jullie bibliografieën lezen als een sneltrein. Marc, jij stelt soms wel vijf nieuwe titels per jaar voor. Dirk en Sylvia, ook jullie brengen elk jaar wel een nieuw boek uit. Is dat nodig om het hoofd boven water te houden als jeugdschrijver?

De Bel: “Dat hangt natuurlijk af van het verhaal waarmee je bezig bent. De laatste jaren schrijf ik ook wat young­adult­boeken, en daar kruipt veel meer tijd en research in. Aan een prentenboek heb je drie weken werk en dan vliegt het naar de illustrator.”

Van Driessche: “Toen ik mijn eerste boek uitbracht, was ik al tevreden geweest als één iemand het zou lezen. Dat ging dan plots wat harder dan verwacht, dus nu zit de uitgeverij er ook wel achter. Maar vooral: heel wat lezers vragen regelmatig naar het vervolg van de Sterrenregen-reeks. Dan ga je automatisch wat sneller schrijven.”

Bracke: “Pieter Aspe schrijft toch ook gauw twee boeken per jaar. Het is niet dat de uitgever met een revolver klaar­staat als een boek even op zich laat wachten, maar ze verwachten wel dat je regelmatig publiceert. En ik verwacht dat zelf ook. Als ik een paar dagen niet schrijf, denk ik al: wat zit ik hier in godsnaam te doen?”

De Bel: “Dat is uw christelijke opvoeding. Je moet daarvan af.” (lacht)

Jij hebt geen last van die druk, Marc?

De Bel: “Nee, ik zie schrijven niet als een verplichting. Net zoals ik elke week wil sjotten, wil ik altijd aan het schrijven zijn. Maar ik heb ook geen schuldgevoel als ik een paar dagen door mijn tuin loop, bijvoorbeeld.”

Dirk Bracke

• 66 jaar

• debuteerde met Steen op 40-jarige leeftijd

• werd bekend met titels als Het uur nul en Black, dat werd verfilmd door Adil El Arbi en Bilall Fallah

• in zijn boeken worden vaak maatschappelijke thema’s aangekaart, zoals kinder­prostitutie en de drugsproblematiek

Bracke: “En toch denk ik dat je als schrijver heel snel weer vergeten bent. Karel Verleyen was vroeger heel populair, maar twee jaar na zijn dood vond je op de Boekenbeurs al geen boeken meer van hem terug.”

Griet Op de Beeck schrijft in haar laatste worp ook vanuit het standpunt van een jonger hoofd­personage. Wat maakt iets een goed jeugdboek?

Bracke: “Ik vind het vooral belangrijk om toegankelijk en vlot te schrijven. Lezen mag voor jongeren geen straf zijn. Tegenwoordig moeten we al opboksen tegen games en smartphones hè, je mag het hen dan niet nog extra moeilijk maken.”

Van Driessche: “Inderdaad, lezen moet voor hen vooral ontspannend zijn. Als ik me tijdens het schrijven niet amuseer, dan weet ik al dat er iets niet klopt.”

De Bel: “Voor ik voltijds schrijver werd, ben ik twintig jaar onderwijzer geweest in het vierde leerjaar. Elke week las ik op vrijdag een stukje voor uit een boek, Roald Dahl of Annie M.G. Schmidt. Als je een kind in zijn neus ziet peuteren, ben je niet goed bezig. Soms begon ik dan in het wilde weg verhaallijnen te verzinnen. En dan zie je hoe die aandacht terugkomt. Zo moet je ook omgaan met de aandacht van kinderen als je aan het schrijven bent. Je moet hen geboeid houden.”

Maar zitten kinderen vandaag wel nog te wachten op een nieuw boek? De realiteit is toch dat jongeren vandaag meer uren digitaal doorbrengen dan bladerend in een boek.

Van Driessche: “Zeker bij ons publiek, de tieners, is dat een reëel probleem. Je moet een meeslepend verhaal schrijven dat kan opboksen tegen alle afleiding waarmee tieners vandaag belaagd worden. En dan is er ook nog de financiële zorg, want veel jongeren geven hun geld vandaag liever aan andere dingen dan boeken uit. Op de Boekenbeurs gaat dat soms echt over een euro te weinig. Over 10 cent, zelfs.

“Vaak worden ze in het middelbaar door leerkrachten verplicht om te lezen, waardoor ze het uit pure rebellie juist niet doen. Op lezingen is een vraag die ik toch nog vaak gesteld krijg: ‘Ja maar, hoeveel página’s telt dat boek?’ Terwijl ik meestal wel merk dat het vanzelf gaat zodra ze een boek daadwerkelijk hebben opengeslagen.”

Bracke: “Daarom dat het begin van een boek zo belangrijk is, zéker bij jeugd­romans. Je lezers mogen je boek na vijf pagina’s niet willen wegleggen. Maar het is moeilijk, daar ga ik niet onnozel over doen. Bij mijn oudste kleindochter van 12 merk ik ook dat ze heel wat minder leest sinds ze een smartphone kreeg.”

Van Driessche: “Ik heb lezen ook wel pas later ontdekt, dus in dat opzicht heb ik er nog vertrouwen in dat het wel goed komt. Ik heb ook het geluk gehad dat ik een leerkracht had die zei: ‘Dit moet je eens lezen, ik denk dat het helemaal je ding gaat zijn.’ En dat was dan ook echt zo.

“Het is waar dat je al schrijvend minder mensen bereikt dan bijvoorbeeld met een televisieprogramma. Maar de manier waarop je het leven van jongeren beïnvloedt, heeft wel veel impact. De brieven die ik van meisjes krijg, grijpen soms echt naar de keel. Dan zegt iemand: ‘Ik ben na het lezen van je boek in een bolletje in de zetel gekropen en ik heb een uur aan een stuk geweend.’”

De Bel: “Ja, boeken zijn echter en snijden dieper.”

Beeld Illias Teirlinck

Maar ondertussen gaat het wel razend­snel achteruit met de taalvaardigheid van jongeren. Uit onderzoek van de Odisee-hogeschool blijkt dat 18-jarigen niet meer weten wat woorden als empathie of impliceren betekenen. Wat kunnen scholen daaraan veranderen?

De Bel: “Ik ben in elk geval geen voorstander van leeslijsten. Die voelen aan als een verplichting, en als je jong bent ga je alles wat verplicht is uit de weg. Wat de lagere school betreft, is het vooral heel belangrijk dat ook leerkrachten lezen. Leerkrachten die van boeken houden, kunnen dat enthousiasme ook overdragen op hun leerlingen. Dat betekent natuurlijk niet dat je élk kind aan het lezen gaat krijgen. Je hebt altijd een derde dat nooit zal lezen, wat je ook doet. Maar naast een derde van de klas dat uit zichzelf leest, is er ook een groep kinderen die gewoon geactiveerd moet worden. Voor hén moet je het doen.”

Van Driessche: “Vaak helpt het ook als jongeren boeken aanbevolen krijgen die zich op dat moment binnen hun leefwereld afspelen. In mijn boeken zitten ook wel zwaardere onderwerpen, maar die zijn dan vernuftig verstopt tussen de liefdesverhalen. Zo heb je hen toch al mee. Onlangs hoorde ik van een moeder hoe haar dochter van 15 een Franstalig boek moest lezen over de oorlog in Irak. Ik verstond er zelf geen woord van.

“Een ander probleem is dat jongeren gewoon niet meer in boekhandels komen. Eigenlijk is het jammer dat jeugdboeken niet op andere plekken verkocht kunnen worden. Mijn boeken zouden bijvoorbeeld perfect in een make-up­winkel kunnen liggen, omdat het verhaal ook gaat over een meisje dat haar droom om make-up­assistente te worden achternagaat.”

Bracke: “Inderdaad. Of ze zouden op school boeken kunnen verkopen tegen een voordeliger tarief. Dat maakt de stap toch al iets kleiner.”

Merken jullie die ontlezing ook in jullie boeken­verkoop?

Bracke: “Elk jaar liggen die aantallen toch wat lager, ja. In de young­adult­categorie zijn fantasy­boeken nu heel populair, denk bijvoorbeeld maar aan Twilight. Als je tien jaar geleden een boekhandel binnenstapte, zag je alleen maar Vlaamse schrijvers in de rekken liggen. Nu zijn het vooral Amerikaanse of Engelse auteurs. Dat maakt het landschap voor ons ook wat moeilijker.”

Van Driessche: “Dat heb ik al van verschillende uitgevers gehoord: young adult, hou u vast, dat is wereld­wijd een drama.”

Sylvia, zeiden mensen toen je in 2013 debuteer­de niet: waar begin je nu aan?

Van Driessche: “Natuurlijk! Want van mijn boeken kan ik alleen leven tijdens de maanden dat ik eraan schrijf. De rest van het jaar ben ik journalist en verdien ik geld met het schrijven van artikels en reis­reportages.”

Bracke: “Met het ene boek gaat het ook gewoon beter dan met het andere, dat kun je na heel wat jaren in het vak al op voorhand voorspellen.”

Van Driessche: “En toch zou ik veel meer afzien van een slechte recensie dan van slechte verkoopcijfers. Dat lijkt me ontzettend pijnlijk. Nu, zelfs als je boek het goed doet, blijft het een kleine markt hoor.”

De Bel: “Af en toe heb je uitschieters. Kijk maar naar Harry Potter. Het is altijd mijn doel geweest om genoeg royalty’s te verdienen met een boek zodat ik het volgend jaar kan vrijmaken om de boeken te schrijven die ik wil. Momenteel lukt dat nog.”

Worden jullie niet moedeloos van die neer­waartse trend?

Bracke: “Leuk is dat niet, nee. Ik ben er soms wel fatalistisch in. Ik wil niets dramatiseren, maar vergeleken met vijftien jaar geleden is de verkoop wel enorm gedaald.”

Van Driessche: “Soms stellen lezers me de vraag wanneer een van mijn boeken verfilmd wordt. Maar met het aantal lezers in Vlaanderen moet ik daar toch niet meteen aan beginnen.”

De Bel: “De impact van een verfilming wordt trouwens enorm overschat hoor. Je boek gaat er even beter door verkopen, maar...”

Bracke: “Het is een steekvlam. Daarna dooft die verkoop ook heel snel weer uit. Ik zag dat bij Black bijvoorbeeld ook gebeuren.”

Als het zo slecht gaat met jeugdboeken, worden er over vijftien jaar dan nog wel jeugd­romans geschreven?

De Bel: “Ik denk dat er een grotere kloof zal komen tussen wie wel en wie niet leest. Misschien zakt de boekenverkoop nog wel wat meer, maar de jongeren die dán nog lezen, zullen dat alleen maar meer doen. Het zijn toegewijde lezers.”

Bracke: “Toch kun je niet ontkennen dat de focus vandaag veel meer op beeld ligt, hè. Misschien dienen jeugdboeken later wel vooral om verfilmd te worden. Kinderen en jongeren gaan altijd geïnteresseerd zijn in verhalen, daar ben ik van overtuigd. En die verhalen moeten van ergens komen.”

Het is, zonder dat het de bedoeling was, een niet al te opwekkend gesprek geworden over de onzekere toekomst van het jeugdboek. Ik bedank de drie auteurs en draag hen over aan de deskundige handen van de fotograaf. Maar niet voordat de veertiger, die tijdens het gesprek regelmatig onze richting uitkeek, De Bel schoorvoetend om een handtekening is komen vragen.

Je jeugdhelden: ze verlaten je nooit. Zelfs als hun boeken al even van je nachtkastje zijn verdwenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234