Maandag 22/07/2019

Brief uit Oostende

Eric de Kuyper streek enkele jaren geleden neer in Oostende. De 'Koningin der Badsteden' - of wat daar nog van over is - ligt hem inmiddels na aan het hart. Maar hij maakt zich veel zorgen over de toekomst van de stad. Wat dient het meest te worden gevreesd: een toekomstplan of helemaal geen? Eric de Kuyper wandelt door 'zijn' stad, veel redenen om zich te verheugen heeft hij niet. En hij houdt een warm pleidooi voor de herwaardering van het casino van Léon Stynen: dat moet weer een feestpaleis worden, dag én nacht.

Eric de Kuyper / Foto's Stephan Vanfleteren

Een ietwat ingeslapen stadje dat, wanneer eventjes de zon schijnt, door badgasten en wandelaars tot leven wordt gewekt? Oostende, volgens de Britse zondagskrant The Independent on Sunday een van die ten onrechte "vergeten badplaatsen"? Zo ongeveer dacht ik, toen ik hier een paar jaren geleden mijn winterkwartier betrok.

Maar wat blijkt? Het ene actiecomité volgt het andere op... Hebben de mensen hier dan niets anders te doen dan te protesteren tegen de plannen van de gemeentelijke overheid? En zou die overheid dit niet als een veeg teken aan de wand moeten zien? Je zou toch denken dat zoveel symptomen zouden leiden tot bezinning en tot het creëren van werkgroepen, van overlegorganen, van studiebijeenkomsten waar van gedachten kan worden gewisseld?

In Oostende staat de tijd niet stil. Gezwind stevenen we op een toekomst af. Misschien gaat het hier om een globaal toekomstplan? Misschien bestaat er wel helemaal geen plan en doet men maar wat... Je weet trouwens niet wat het meest dient te worden gevreesd: een plan of helemaal geen. Hoe dan ook, je hebt er het raden naar en telkens opnieuw wordt de Oostendenaar geconfronteerd met faits accomplis. Het is een feit dat zich telkens opnieuw nieuwe verkiezingen aandienen.

Acties komen dan ook altijd te laat, soms te vroeg en een enkele keer net op tijd om te redden wat nog te redden valt. Oostende heeft een beladen recente geschiedenis: driekwart eeuw verwoestingen. Een wonder dat er nog iets over is van 'la Reine des Plages'.

Na de perikelen rond het Casino-Kursaal hebben we een aantal andere stedelijke evenementen mogen meemaken. De zeedijk bij het casino ('Petit Nice') moest worden vernieuwd. Een mooie gelegenheid om een nieuwe ondergrondse parkeergelegenheid te bouwen. Een goed excuus ook om de oude, uit de jaren dertig daterende badinstellingen met hun frivole curven te slopen.

Hoewel te laat geïnformeerd over de gang van zaken, werd nog in allerijl een actiecomité Red de Zeedijk opgezet. Het werd ontvangen door de burgemeester, die de vage belofte deed (ook aan minister Luc Martens, die het verdwijnen van Oostende Plage betreurde) om in het nieuwe ontwerp enkele aanpassingen aan te brengen en om als symbolische herinnering aan het Oostende van de jaren dertig, het klokje op de dijk weer op te bouwen. Dat was aan het einde van de zomer van 1997. Een jaar later werd het nieuwe dijkgedeelte ingewijd. Natuurlijk zonder de oude klok, maar met een foeilelijk design-exemplaar. Waar blijven de "beeldbepalende elementen die in het nieuwe project zouden worden geïntegreerd"?

Niet alle acties kenden een even goede (?) afloop als die rond het casino. Om alle herrie rond het monumenten- en bouwbeleid van de badstad ietwat te temperen, bezocht de minister in de herfst Oostende en hij verklaarde dat "een betere samenwerking met gemeentebesturen het monumentenbeleid ten goede kan komen." En hij voegde eraan toe: "Ik wil de gemeenten aanmoedigen om deze mogelijkheden beter te benutten. De opmaak van een gemeentelijk monumentenplan is een concreet voorbeeld van samenwerking om een overwogen en beter gedragen monumentenbeleid te voeren. Dit model wordt hier in Oostende dus voor het eerst uitgewerkt. Ik hoop dat het voor de stad inderdaad een stimulans zal zijn om een kwaliteitsvol en toekomstgericht stedenbouwkundig beleid uit te werken."

Ondertussen bleef de geruchtenmolen volop draaien: er zouden plannen in de maak zijn om het andere deel van de zeedijk, aan de oostkant van het casino, tot een kunstmatig strand om te bouwen. Opnieuw werd een actiecomité (Laat de kust met rust, van de werkgroep Stad en Zee) opgericht, dat met een stevig dossier de argumenten weerlegde dat dit de enige oplossing tegen overstromingsgevaar zou zijn. Zo'n project heeft uiteraard heel wat 'voeten in de aarde' en hangt niet geheel af van de goodwill van de Oostendse overheid. Het gaat hem hier natuurlijk niet om beveiliging tegen overstroming - of slechts gedeeltelijk. Dat is maar een aanleiding. Waar het op aankomt is de uitbreiding en modernisering van het toerisme. Wie kan daar tegen zijn...? Ik niet. Alleen het soort toerisme dat men hier nastreeft, baart mij zorgen. Wat zie je namelijk gebeuren? Dat het strand, de dijk en de zee dichtslibben met allerlei gebouwen en projecten die aantrekkelijke evenementen moeten waarborgen. Een aquarium, zoals in Boulogne-sur-Mer, aan het ene uiteinde van de dijk, nabij de vissershaven; en aan het andere uiteinde, richting Mariakerke, een beach-surfhouse; daartussenin dan dat kunstmatig strand. En - zo stel ik me dan voor - omdat de oorspronkelijke openheid van strand en zee nu toch gebroken is, kan de horeca de gaatjes op het strand opvullen en opvrolijken met leuke strandtenten, terrassen, huisjes, enzovoort. Zoals in Scheveningen. Als alles dan is volgebouwd, komt de volgende fase, en dat is natuurlijk de zee zelf. Daar ligt immers toch al de dijk, die vanuit de zee het kunstmatige (of zoals de laatste berichten willen: groei-) strand moet beveiligen. Wat kunnen daar allemaal niet voor prettige attracties op worden gebouwd? Een casino in zee is er niet gekomen, maar er zijn beslist nog andere mogelijkheden om de zee vol te bouwen!

Het wordt hoog tijd dat de Oostendse zeedijk, het strand en de vloedlijn als beschermd landschap worden erkend. Ik heb het natuurlijk niet over de flatgebouwen langs de dijk - die hoeven natuurlijk niet te worden beschermd - wel over het bijzondere en unieke slingerende traject dat loopt van de vissershaven tot aan Mariakerke en dat een van de charmes van Oostende uitmaakt.

Waarom wil men in Oostende toch alles op een en dezelfde plek langs het strand concentreren, terwijl er richting binnenland ruimte genoeg is en er mogelijkheden zijn in en om het oude havengebied?

Waarom heeft die stad zo'n moeilijke verhouding met haar recente verleden? Waarom houdt Oostende zo weinig van zijn Belle-Epoque-gloriejaren? Het door Leopold II ontworpen en gebouwde Maria-Hendrikapark ('Oostende heeft behoefte aan groen!'), of beter gezegd, wat er van overschiet, is voor een niet-ingewijde nauwelijks te bereiken. De stad vestigt niet de aandacht op dat stukje bos dat op vijf minuten loopafstand ligt van het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst. Dat laat men verkommeren. Wel wordt er nieuw groen neergeplant aan de vissershaven. Of zoals het in de jaren vijftig en zestig heette: nieuw is goed, oud is slecht.

Als klein lapje groen, maar dan vlak bij de zee, achter de Koninklijke Villa (een schandvlek op het Koningshuis, dat toch onder zijn voorvaderen een groot bouwmeester heeft gekend), ligt een ander parkje te verkommeren. Ik lees dat er plannen zijn om er een authentieke Japanse tuin aan te leggen. Ik ben dol op Japanse tuinen, maar wat doet zo'n Japanse tuin in godsnaam hier? Is men vergeten dat we aan Leopold II enkele van de merkwaardige groene zones rond Brussel te danken hebben, onder meer Tervuren, het Arboretum, en niet te vergeten de indrukwekkende serres van Laken, die in elk handboek van de negentiende-eeuwse architectuur voorkomen? Ook voor deze Oostendse buurt had hij plannen waarvan helaas alleen de Koninklijke Galerijen, de Koninginnelaan en dat hofje werden gerealiseerd. Als men dan toch eindelijk eens iets met dat lapje grond wil doen, dan zou je eerder denken aan moderne serres, als een hommage aan iemand die het met Oostende goed voorhad.

Op de braakliggende terreinen in die buurt komt nu een nieuwe bibliotheek en het gebouw van de renbaan staat op de monumentenlijst. De inventaris van de monumenten die voor bescherming in aanmerking komen is eindelijk gereed. Naast de reeds veertig beschermde gebouwen, prijkt er een zestigtal gebouwen op uit verschillende periodes, van diverse kwaliteit, maar het zijn alle gebouwen die iets vertellen over de grandeur en de veelzijdigheid van de bad- en havenstad. "Zoveel?" zal de dagjestoerist zich verwonderd afvragen. Terecht, want als je geen kenner bent van Oostende, merk je er nauwelijks iets van... Je zou denken dat de stadsvaders trots zouden zijn op hun architectonisch erfgoed en snel zouden overgaan, zo niet tot het opknappen van de gebouwen en de omgeving ervan, dan toch op z'n minst tot het vestigen van de aandacht erop door middel van kleine panelen, uithangborden en degelijke brochures. Zoals dat elders, in echt dynamische steden het geval is. Ik denk bijvoorbeeld aan Boulogne-Billancourt, dat zijn architectuur uit de jaren dertig terecht en vol trots in de bloemetjes zet.

Maar hier gebeurt het tegendeel: men probeert nog snel een paar gebouwen van de lijst te halen zodat ze afgebroken kunnen worden. Het schrijnendst is heel de koehandel die plaatsvindt (al heeft plaatsgevonden?) rond een paar art-déco-panden in de Van Iseghemlaan: de indruk werd gewekt dat in ruil voor de bescherming van het casino die huizen dienden te sneuvelen. Want daar moet een prestigieus winkelcentrum komen dat - wel noodzakelijk - dat stadsgedeelte nieuw leven dient in te blazen.

Ik weet dat de badarchitectuur uit de jaren dertig bij ons nog niet aan een herwaardering toe is. Langs de hele kust zie je te veel voorbeelden van deze bijzondere architectuur verkommeren, een reden te meer om er krachtdadig het behoud van te eisen, ook al zijn er, zoals de minister toen zei, "betere getuigen van art déco." Maar er zijn ook mooiere gotische kathedralen dan de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen! En alsof een geïnspireerde hedendaagse architect niet in staat zou zijn enkele panden in interbellum-stijl te integreren en te contrasteren met nieuwbouw? In het buitenland, maar ook bij ons, zijn er voorbeelden genoeg van geslaagde (en uiteraard ook veel mislukte) confrontaties van oud en nieuw.

Ik vergat nog de Koninklijke Galerijen, een miskende parel van onze kust, waar ik een paar jaren terug een door de Koning Boudewijnstichting bekroond project voor heb ingediend. Hoe zit het daar mee? Het project kon, om uw geheugen op te frissen, immers niet doorgaan omdat er een thema-café moest komen, het zogenaamde 'Zottekot' en dit niettegenstaande het verbod van Monumenten en Landschappen. Het café is inmiddels alweer gesloten.

Veel redenen om je te verheugen zijn er dus niet als je door Oostende wandelt. Kommer en kwel is het. En het houdt maar niet op...

Ondertussen is de heer Jan Piers, oud-burgemeester van Oostende, overleden. Hoe veel goeds hij ook voor zijn stad heeft gedaan, hoe graag de Oostendenaars hem ook mochten, voor velen, tot wie ik mezelf reken, zal hij de man blijven die het oude unieke Belle Epoquetheatertje van Chambon (de architect van Hotel Métropole) heeft vernietigd om er die ellendige Europa-toren neer te zetten. Een waar en waardig standbeeld voor het stedelijke vandalisme waar die stad en ons land zo rijk aan is.

Toegegeven: het Casino-Kursaal van architect Léon Stynen is nu toch na een schier eindeloze lijdensweg gered. Het gebouw wordt toch gerestaureerd? Ja, dat heeft minister Martens, die er dus zelf voor naar Oostende kwam, ons beloofd. Of dat het einde van de ellende is, is nog maar de vraag.

Het is geen bouwwerk waar je op slag verliefd op raakt. Maar als je het eenmaal beter hebt leren kennen, kun je ervan gaan houden - ja, zelfs hartstochtelijk van gaan houden, zoals dat bij mij het geval is. Het is geen gemakkelijk gebouw. Niet omdat de ruimtelijke ordening ervan gecompliceerd en onoverzichtelijk zou zijn. Het omgekeerde is het geval: binnen valt je de vanzelfsprekendheid op waarmee de verschillende ruimten van het ene niveau naar het andere in elkaar overvloeien. Als je er nu door loopt, moet je wel een aantal wanden en schotten en andere pietluttige verbouwingen en aanpassingen wegdenken. Maar het casino van Stynen, hoewel het resultaat van pijnlijke compromissen bij de bouw, is en blijft een geraffineerde demonstratie van hoe je door niveauverschillen diverse functies in elkaar kunt laten overgaan. Het is in dat opzicht vergelijkbaar met het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel, al is dat in een totaal andere periode gebouwd.

Terwijl Horta met een labyrintische wellust te werk ging, koos Stynen voor een luchtige overzichtelijkheid van het complex. Althans als je de verminkingen en toevoegingen wegdenkt.

De centrale spil is niet zozeer de grote zaal als wel de immense hal, waar behalve dat grote auditorium, een tweede zaal (Ambassadeur), de speelzalen en de verschillende lees- en tentoonstellingszaaltjes langs de zeedijk op uitkomen. De afmetingen van deze hal, gekoppeld aan de iets bescheidener entree langs ruime trappen, is immens: 60 meter lang bij 20 meter breed. Misschien wel buiten proportie, is de eerste reactie. Stynen zag deze ruimte duidelijk als een ontmoetingsplek van de verschillende publieken die al die zalen zouden herbergen. Wat opvalt - voor een leek zoals ik valt het niet meteen op; ik heb het pas onlangs ontdekt - is dat deze ruimte precies in het verlengde van de zeedijk ligt. Een (te kleine) toegang, niet meer in gebruik, verbindt de dijk met het gebouw, en omgekeerd. Vooral overdag is de nabijheid van de zeedijk door de glaspartijen uitnodigend. Dan word je je ook pas bewust van een extra-dimensie van het gebouw: dit casino is niet enkel ontworpen als een 'paleis voor nachtelijk vertier', overdag moet het even goed kunnen functioneren. Dit laatste heeft uiteraard te maken met de anachronistische traditie die wil dat in kursaals tijdens het hoogseizoen overdag concerten werden gegeven - in sommige steden zoals Baden-Baden nog altijd een vast programmaonderdeel. Meteen wordt ook duidelijk waarom het auditorium, vóór de verbouwingen, overdag door middel van verplaatsbare panelen de toeschouwers een zicht op zee bood. Dat is alleen overdag zinvol, want 's nachts is, zoals eenieder die in een flat aan zee woont weet, wat achter vensters met uitzicht op zee wordt aangeboden, niet veel meer dan een zwart gat.

De nadruk op het gebruik overdag van het gebouw doet je beter begrijpen waarom Stynen in zijn ontwerpen voortdurend spreekt over activiteiten voor kinderen in het casino! Kinderen zijn doorgaans geen nachtmensen.

Als je deze factoren in aanmerking neemt - de impliciete verbinding met de dijk, de grootsheid van de hal met de verbinding naar de binnenstad, de accentuering van het daglicht - ga je dromen van een totaal ander gebruik. Het casino is niet zo gesloten als je denkt. Het kan overdag een open doorgang, een overdekte passage worden, die de wandelaars en de families van de dijk naar het centrum voert, en van het centrum naar de dijk. Ongeveer, opnieuw, zoals het Paleis voor Schone Kunsten in feite een doorgang is, een overdekte straat met links en rechts verschillende 'kunst- en cultuurhuisjes'!

Uiteraard dringt zich dan de conclusie op dat het zonde zou zijn dit overdekte forum overdag niet optimaal te benutten: met lees- en zithoekjes, terrasjes, tentoonstellingsruimten en, wie weet, enkele verrassingen voor de kinderen in de zalen links en rechts. (Ooit las ik ergens dat Stynen ook een 'solarium' of zonneterras had gepland. Zonnen, ook al iets wat je meestal overdag doet. Waar is dat terras gebleven? Voor zover ik weet, is het nooit toegankelijk geweest.)

In de opvatting van de architect moest dit een bijenkorf worden. Geen tempel voor de nacht alleen, maar een stad in de stad waar dag en nacht iets te doen zou zijn. Wanneer het gebouw in ere zal zijn hersteld, hoop je dat het opnieuw die functie zou kunnen vervullen. Want, zo wil het terecht de hedendaagse restauratiefilosofie: elk nieuw gerestaureerd gebouw moet een herbestemming krijgen. Onze kostbare monumenten mogen geen lege dozen worden.

Nu lijkt dat in het geval van het casino-kursaal van Oostende een vanzelfsprekendheid. De herbestemming moet niet zoals in zovele andere gevallen worden gezocht, ze ligt voor de hand. Natuurlijk moeten de zalen kunstevenementen bieden, moet het casino spelers aantrekken... En het restaurant, de (ex-)tearoom, de (ex-)nightclub, de tentoonstellingszalen en leeszalen soortgelijke activiteiten.

Ik vrees echter dat hier een pijnlijk misverstand heerst, dat na de restauratie wel eens fataal zou kunnen zijn voor het gebouw. Je hoort natuurlijk om je heen dat het "gebouw niet meer aan de eisen en behoeften van deze tijd is aangepast". En uiteraard werd al het nodige gedaan om het complex "aan te passen aan deze behoeften": de grote zaal met losse stoelen (soms met tafeltjes wanneer er iets variété-achtigs te zien was) werd tot een hellend auditorium omgebouwd. Wat als een concert- en variétézaal werd ontworpen - en als dusdanig perfect functioneerde - werd verbouwd tot een polyvalente (?) zaal. Er werd een toneeltoren aan toegevoegd, omdat men, toen het theatertje van Chambon met de grond gelijk was gemaakt, in Oostende besefte dat men niet meer over een toneelzaal beschikte.

Natuurlijk zijn de verwachtingen wat betreft kunst- en cultuurevenementen anders geworden; en ook het aanbod is gewijzigd. Variété bijvoorbeeld bestaat niet meer. Welke de hedendaagse behoeften zijn, kan men aflezen uit alle vorige plannen voor een nieuw te bouwen casino: de speelzaal, aangevuld met congresruimten en een evenementenzaal - meer verlangt men eigenlijk niet. Al had men er natuurlijk graag nog een paar appartementen bij gewild en extra parkeermogelijkheden.

Ik denk dan: alsof er al niet congresruimten genoeg zijn! Elk dorp, zelfs dat waar ik woon, heeft tegenwoordig een half dozijn congresruimten. Daar heeft Stynen zijn complex niet voor ontworpen. En - cruciaal punt - aan welke culturele evenementen denkt men eigenlijk? Ongetwijfeld, zo vermoed ik, aan mega-musicals als Les Misérables en Phantom of the Opera. In Antwerpen, Scheveningen, Bochum, Duisburg - binnenkort ook in Gent - en talloze andere steden zijn er vaste speelplaatsen gekomen die met één show maandenlang toeschouwers trekken. Er kan nog wel een halte bij dat circuit. Maar veel meer dan de voorspelbare invulling van wat onder 'behoeften' wordt verstaan, is het niet. Wil Oostende niet meer zijn dan een vaste halte in het Lloyd-Webbercircuit? Een van de vele?

Een andere mogelijkheid waar men ongetwijfeld aan denkt, is het soort evenementen zoals in Vorst-Nationaal of in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. Maar moet er nog een Vorst-Nationaal bij? Dit betekent toch ook alleen maar een stroom dagtoeristen die per bus massaal aan- en afgevoerd worden en weinig effect zullen hebben op het toeristische verkeer in de breedte. Om natuurlijk maar van de culturele uitwerking te zwijgen!

Je zou ook kunnen denken aan een programmering zoals de culturele centra die ten onzent bieden. Maar ook dit lijkt mij niet de geschikte oplossing. En wel omdat Oostende een stad is met twee gezichten: een badstad die het van de toeristen moet hebben en een gewone middelgrote stad die ook voor haar eigen bevolking moet zorgen. De combinatie van die twee behoeften wordt niet bevredigd door de programmering van de klassieke culturele centra.

Bovendien - en dat lijkt mij het belangrijkste bezwaar - maakt dat soort culturele programmering geen optimaal gebruik van de eigen architectuur: een complex van zalen, een bijenkorf waarin het eigenlijk in zoveel mogelijk ruimten continu moet zoemen van de activiteiten. Een feestpaleis!

De uitdaging die Stynen ons met zijn gebouw en zijn architectuur toewerpt, is niet gering.

Hoe dat gebouw echter zou kunnen functioneren, daarvan heb je eenmaal per jaar een voorproefje in een evenement dat van de mogelijkheden die Stynen heeft bedacht ook gebruik maakt. Ik bedoel het Bal du Rat Mort. Dan heb je pas de indruk dat dit gebouw echt tot leven komt, omdat het extensiever - maar ook dan nog altijd onvoldoende - wordt benut.

Kortom, het gebouw zet er toe aan om gemakshalve te verklaren dat het niet meer aan de huidige uitgaansbehoeften is aangepast. Maar dan vul je die 'hedendaagse behoeften' in door een beroep te doen op pasklare en voor de hand liggende modellen: congressen, musicals en dergelijke. De architectuur van Stynen is - toegegeven meer dan in de tijd waarin het werd gebouwd - een ware uitdaging voor de mensen die zich bezighouden met de podiumcultuur. Er dient dan ook voor Oostende een totaal nieuwe formule te worden bedacht: zoals dat in Antwerpen met de zalen van deSingel gebeurde of in Gent met Vooruit. Waarbij ik niet denk dat hetgeen specifiek werd ontworpen en in die eveneens 'moeilijke' gebouwen functioneert, zo maar naar Oostende kan worden overgeplant. In de eerste plaats - ik heb het reeds gezegd - omdat Oostende wordt gekenmerkt door het dubbele gezicht van stad en badstad.

De uitdaging is groot, maar ook boeiend zoals elke uitdaging. Hoe kun je van dat zalencomplex opnieuw een fantastische bijenkorf maken? Door het open te gooien, door de dag te laten botsen met de nacht, door de verschillende zalen en ruimten met en op elkaar in te laten spelen. Wat je er moet ervaren is de soort feestsfeer die in Avignon of in Edinburgh heerst... maar dan het hele jaar door. En op één enkele plek. Uiteraard zou dit een forse wijziging betekenen niet alleen in het Oostendse, maar ook in het Vlaamse culturele landschap. Oostende zou dan een aantrekkingspool worden, waar dingen gebeuren die elders niet gebeuren. Kan Oostende deze uitdaging aan; begrijpt het de uitdaging die Stynen het als erfenis heeft nagelaten? Een prachtige erfenis trouwens, voor wie er de teneur van inziet; een vergiftigd geschenk voor al wie dit niet inziet. Ik bespeur echter meer het laatste: wat moeten we in godsnaam met dat gebouw?

Natuurlijk duizelt het je - we leven ten slotte in België en Oostende ligt nog steeds in dat land - als je de uitdaging snapt. Maar zoals het lukte met deSingel en Vooruit - men slaagde er daar in een nieuwe vorm van programmering en kunstactiviteiten te ontwikkelen - enkel en alleen omdat er mensen met verbeelding en durf aan werkten, zou het ook in Oostende moeten kunnen. (En zoals het hopelijk ooit eens zal lukken met het Paleis voor Schone Kunsten.) Het is een kwestie van verbeelding en durf. En verbeelding kost geld, maar brengt ook geld op!

De donkere wolken blijven zich maar samenpakken boven het gerestaureerde casino. Wij zijn er nog niet uit!

Misschien moeten we ons eens grondig bezinnen en ideeën en voorstellen gaan verzamelen.

Met vriendelijke groeten,

van een aangespoelde,

Eric de Kuyper

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden