Maandag 18/10/2021

Bouwen onder de tropenzon

In de folder van deSingel over de expositie Kuvuande Mbote staat: 'Aansluitend bij de tentoonstelling verschijnt bij uitgeverij Houtekiet een publicatie over koloniale stedenbouw en planning in Belgisch Kongo'. Eigenlijk kun je het beter omkeren, want als je het boek niet vooraf hebt gelezen, dreig je te verzuipen in het documentatiemateriaal. Dat het onderwerp van de expositie ongemeen boeiend is, staat echter buiten kijf.

Sinds de genocide in Rwanda roept de Kongolese grensstad Goma beelden op van overbevolkte vluchtelingenkampen. Omstreeks 1948 zou dezelfde stad op een exotisch Knokke hebben geleken. Het toeristische oord te midden van het uitgestrekte natuurgebied in Noord-Kivu maakte toen een grote indruk op de Amerikanen, en auteurs als T. Marvel prezen het aan als model voor projecten langs de meren van de Tennessee Valley. Toch was het geen Afrikaans Knokke-Zoute met villaatjes in het groen dat baron Empain en architect Ernest Jaspar omstreeks 1930 voor ogen stond. (Eigenlijk was het de Compagnie Immobilière du Nord du Kivu, CIMNOKI, dat de opdracht kreeg de steden Goma en Rutshuru te creëren, maar de Empain-holding was de belangrijkste geldschieter van CIMNOKI). De baron droomde van een luxueuze vakantiestad voor de internationale jetset in de buurt van het Parc National Albert, de vulkaanketen en het Kivumeer. Exclusieve safari's in het ongerepte woud met zijn pygmeeën, gorilla's en chimpansees wilde Empain de gefortuneerde avonturiers bieden. Maar Goma moest met zijn hoge ligging en dus aangename temperatuur tevens een riant en comfortabel verblijfsoord worden, met uitgebreide sportfaciliteiten. Architect Jaspar, die in opdracht van Empain ook al de satellietstad Heliopolis bij Caïro ontwierp, integreerde de stad niet in de natuur, zoals Raphaël Verwilgen deed met zijn schitterende plan voor de stad Uvira. Jaspar wilde een strakke, geometrische stad inplanten, een kunstmatig geheel, complementair aan de omgevende, overweldigende natuur. Het overlijden van Empain en de crisis van de jaren dertig verhinderden echter de uitvoering van de plannen en uiteindelijk kreeg Goma bij zijn voltooiing in 1948 meer het uitzicht van Le Zoute.

De bespreking van de plannen voor Goma en Rutshuru vormt een van de veertien hoofdstukken in het boek van Bruno De Meulder. Elk hoofdstuk bespreekt een fragment uit de koloniale stedenbouwkundige geschiedenis. Samen geven die momentopnamen een overzichtelijk beeld van het belang dat aan de stadsontwikkeling in de kolonie werd gehecht en van de veranderende opvattingen erover.

Dat er in Belgisch Kongo geen sprake was van een coherent stedenbouwkundig beleid, hoeft niet te verwonderen. Dat bestond in het dichtbevolkte moederland immers al evenmin. Toch zou je kunnen verwachten dat de kolonie zou aanzetten tot een planmatige urbanisme, temeer daar het Afrikaanse binnenland in Europese ogen een onbeschreven blad was - de aanwezigheid van inlanders werd als vanzelfsprekend genegeerd. Alle activiteiten waren echter in eerste instantie gericht op de economische exploitatie van de kolonie en de stad was, zeker in de beginfase, slechts een onvermijdelijk bijverschijnsel.

De Belgische post aan het Tanganyikameer in Karema, in 1879 gesticht door kapitein Cambier - de enige overlevende van een expeditie die twee jaar eerder begon -, staat model voor de ontwikkeling van de eerste generatie Belgisch-koloniale steden. Officieel betrof het hier een station civilisatrice met wetenschappelijke doeleinden, maar in werkelijkheid werd in het strategisch gelegen Karema een militair fort in adobe opgetrokken. In de laagvlakte rond de heuvel met het lemen fort werd een inlands dorp gevestigd. De zogenaamde bevrijde slaven die het bewoonden werden geacht de gronden te cultiveren, terwijl later in de nabijheid ook een vissersdorp ontstond. Er ontwikkelde zich een markt en er kwam onder meer een Europese groentetuin, zodat het fort, waarvan het binnenste deel uitsluitend door blanken werd bewoond, stilaan het centrum werd van een kleine agglomeratie. Veeleer dan een stad was Karema een losse verzameling voorzieningen en diensten waarvan de ontplooiing niet door een plan werd gestuurd maar door een strategie gericht op disciplinering en ordehandhaving. Bruno De Meulder omschrijft de steden die zich volgens dit model ontwikkelen als functionele machines waarvoor de brandstof door de inlanders werd geleverd. Zij worden afgezonderd van de blanken - later zullen daar hygiënische motieven voor worden ingeroepen -, in overzichtelijke kampen en vormden de 'buitenboordmotor' van de stad.

Leopoldstad illustreert hoe toevallig of voorlopig ingeplande installaties de stadsontwikkeling kunnen bepalen. Aanvankelijk is er alleen een verbrokkelde agglomeratie, met verstrooid langs de oever van de Kongo de staatspost Leopoldstad, het koloniaal administratief centrum, de scheepswerven en de haven, het spoorwegstation in Ndolo en het handelscentrum Kinshasa. Bovendien bouwden firma's op eigen terreinen woningen voor het blanke personeel, zodat de versnippering nog groter werd. Het enige bindende element tussen al die kernen van bewoning en activiteit was de spoorlijn die op ongeveer een halve kilometer afstand parallel aan de rivier liep.

De eerste aanlegplannen verbinden het langgerekte verbrokkelde geheel met straten en dreven, sommige tot twintig meter breed, zonder echter veel te ordenen. Het eerste algemene aanlegplan dat echt durfde in te grijpen in de structuur van de stad, werd opgesteld door Georges Moulaert in 1910. Moulaert, later algemeen beschouwd als de stichter van Kinshasa, had de ambitie om de hoofdstad van de kolonie, op dat moment Boma in Beneden-Kongo, naar het economische zwaartepunt in Leopoldstad te verplaatsen. Zijn plan bevestigde de rassenscheiding op categorische wijze door de inlandse bevolking helemaal landinwaarts aan de andere kant van de spoorlijn te concentreren. Zo ontstonden lange parallelle banden langs de rivier, die De Meulder omschrijft als "een nieuwe sprankelende vorm van stedelijkheid: Los Angeles in Afrika".

De uitgerekte tropische tuinstad werd op het thuisfront zwaar op de korrel genomen, onder meer vanwege 'de onnodige uitgestrektheid'. Het pragmatische bezwaar tegen het plan-Moulaert met zijn erg grote percelen, was de kostprijs voor de nutsvoorzieningen die door de geringe densiteit erg hoog was. Maar het bedrijfsleven stoorde zich niet aan dit dispuut en vulde het plan in met realisaties die Leopoldstad het aanschijn gaven van een Amerikaanse stad met parkways. Op oude foto's in de tentoonstelling zie je in het stadscentrum brede lanen met caféterrassen en ontzaglijk veel geparkeerde auto's. Net als Los Angeles in de Verenigde Staten was Leopoldstad in de kolonie de stad van de automobilist. Daar, in het hartje van centraal Afrika, was de auto trouwens veel sneller ingeburgerd dan bij ons.

De bouw van steden heeft in de Belgische kolonie nooit hoog op de agenda gestaan. In de mijnprovincie Katanga ontstond evenwel een uitzonderingssituatie nadat Cecil Rhodes in 1899 meldde dat er goud was gevonden in de bovenloop van de Lufira. Daarvoor had de Compagnie du Katanga (C.K.) weinig werk gemaakt van de ontwikkeling van de streek, wel integendeel. Sinds de stichting in 1891 had de C.K. met haar expedities vooral voor destabilisatie en oorlogsgeweld gezorgd. Joseph Conrad beschreef dat in zijn beroemde roman Heart of Darkness. Toen de goudkoorts eenmaal opkwam, werden plots allerlei maatschappijen opgericht om de bodemschatten te exploiteren, zoals de Compagnie du Chemin de fer du Katanga (1902), de Compagnie du Chemin de fer du Bas-Congo au Katanga (B.C.K.) en natuurlijk de Union Minière du Haut-Katanga (U.M.H.K.). De Belgische hegemonie moest worden beslecht met de vestiging van enkele steden in deze regio, waar de blanke bevolking voor een groot gedeelte bestond uit Zuid-Afrikanen en Engelsen. Bovendien spoelden via de spoorweg uit Zuid-Afrika steeds meer goudzoekers aan. Er werd een vestigingsplek gekozen dicht tegen de Rodesische grens, Lubumbashi, temeer daar de internationale erkenning van koloniale territoria afhankelijk was van de effectieve bezetting van het land.

In de herfst van 1910 was het definitieve plan van Emile Wangermée voor Elisabethstad klaar en werden de eerste percelen te koop aangeboden. Net als in Leopoldstad waren de percelen erg groot en gold er een strenge bouwreglementering. Zo verviel de vergunning indien de werken binnen drie maanden na goedkeuring van de bouwaanvraag niet waren begonnen. Alleen kapitaalkrachtigen konden zich in Elisabethstad vestigen, de avonturiers die op de flikkering van het goud waren afgekomen werden uitgezuiverd: zonder huisvesting geen verblijfsvergunning.

In zijn plan hield Wangermée geen rekening met de inlandse bevolking, in zijn ogen bestond die niet. De meeste andere plannen voor de aanleg van steden voorzagen wel in een inlandse wijk die door een neutrale zone was gescheiden van de Europese stad. De enige die de cité indigène enigszins zal integreren in het geheel van het stedelijke mechanisme is Raphaël Verwilghen, een van de belangrijkste Belgische stedenbouwkundigen in de eerste helft van de 20ste eeuw. Maar zijn plannen voor Bukavu en Uvira, nieuwe steden in Zuid-Kivu die opgevat waren als een compactere versie van de Engelse tuinstad, werden niet uitgevoerd. Het concept voor Uvira, waarbij het neerstortende water van de bergketen door de stad naar het meer stroomt, roept nochtans weergaloze beelden op.

Indrukwekkend is eveneens het megalomane project van kolonel Van Dueren om het transportprobleem tussen de Boven- en de Beneden-Kongo op te lossen. Door de combinatie van stuwdammen en sluizen met scheepsliften zou een gigantische hoeveelheid hydro-energie beschikbaar komen die de exploitatie van de bodemrijkdommen van Kongo meteen spotgoedkoop zou maken. Ook zijn ambitieuze project werd in Brussel afgeblokt, maar eind jaren twintig zag Van Dueren zijn kans schoon om in de zogenaamde vallée Van Dueren, later Inga genoemd, een kolossale waterkrachtcentrale te laten bouwen. Het miljarden verslindend project werd na de onafhankelijkheid zelfs als de sleutel voor de economische en sociale ontwikkeling van Zaïre beschouwd. Helaas werd de Inga-dam een gigantische ramp, die het land opzadelde met een ondraaglijke buitenlandse schuld.

Met het Office des Cités Africaines (1952-'60) hebben de Belgen onder impuls van Emile Henvaux in de jaren voor de onafhankelijkheid een vrij efficiënte huisvestingspolitiek gevoerd. De architectuur van deze woningen en voorzieningen werd gereduceerd tot elementaire composities met een hoge graad van standaardisatie en kreeg in de internationale bladen veel lof toegezwaaid. In acht jaar tijd werden in de Afrikaanse wijken 40.000 goedkope, degelijke en rationele woningen ingeplant. Je kunt kritiek hebben op de gerichtheid op het Europese model van het kerngezin en op de politiek van de toewijzingen van de woningen, maar het blijft een verbluffende onderneming.

De tentoonstelling in deSingel begint met de confrontatie van oude foto's van O.C.A-realisaties met een reportage die Françoise Plissart dit jaar in Kinshasa heeft gemaakt. Voorts bevat ze veel materiaal dat bij de voorbereiding van De Meulders boek uit de archieven werd opgedolven. 'Goed' kun je de expositie niet noemen, ondanks het boeiende, unieke materiaal en de modieuze opstelling. Je vindt geen lijn in al die plannen, foto's en verslagen van Compagnies. De tentoonstelling slaagt er evenmin in om elementaire begrippen te verduidelijken. Om bijvoorbeeld te weten te komen wat het begrip cité indigène inhoudt, ben je aangewezen op de volgende expositietekst: "Naast de Europese stad ontstaat al snel een niet-stad, een ongewild maar noodzakelijk bijproduct van de koloniale vestiging. Het wordt omwille van 'hygiënische' motieven letterlijk en figuurlijk van de Europese nederzetting afgestoten en huisvest het inlands huispersoneel en het andere werkvolk. Een eenvoudig raster met percelen wordt uitgezet. Deze andersoortige plekken buiten de stad, die namen als le Belge, Anvers en Bruxelles meekrijgen worden tweeslachtig bejegend. Ze vormen het exercitieterrein van de disciplinering die in de productie van een karikaturaal evenbeeld uitmondt: de évolué en zijn maison en matériaux definitifs. De cité indigène wordt ook al snel en nieuwsoortig exotisch fantasma, oord van plantrekkerij, vertier, dans en muziek. Vooral 's nachts, als geen blanke er nog (officieel) toegelaten is, wordt het een verbeelde plek van ongeveer alles wat ongehoord, onbeschaafd, ongeoorloofd, maar des te aantrekkelijker is. (...) Met de parodie en humor als middel wordt de hele ijzige koloniale werkelijkheid gesublimeerd en vanuit de grauwste levenscondities wordt een nieuwsoortige stedelijkheid gemaakt waarop de postkoloniale stad zich zal enten." Dit is geen Swahili maar een tekst van een snobistische academicus die zich een 'nieuwsoortige' Walter Benjamin waant. De tentoonstellingsbezoeker verdiende beter.

Voor ik het vergeet: 'Kuvuande Mbote' is Swahili voor 'aangenaam verblijf'.

'Kuvuande Mbote' tot 4 juni in deSingel, Desguinlei 25 in Antwerpen. Geopend van 14 tot 18 uur (MA. gesloten). Het gelijknamige boek kost 990 frank.

Leopoldstad was het Los Angeles van Afrika

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234