Vrijdag 23/04/2021

Born to be wild

undefined

Het was een natte, broeierige avond en de stad stonk weer naar rottend vuil. Geen wonder, dacht ik, terwijl ik met een behendigheid, verrassend voor een man van mijn leeftijd, de gesluikstorte vuilniszakken op mijn pad ontweek. De nieuwe ophaalregeling van de Metropool was een succes over de hele lijn: nooit was de bevolking zich zo scherp bewust geweest van de afvalproblematiek. Als ze dit nog een poosje volhielden, zouden we niet eens tot de gemeenteraadsverkiezingen moeten wachten voor de ratten de stad overnamen.

Ik bleef op veilige afstand van de drukte van de Sinksenfoor en liep café 't Konijnekot binnen, een van de weinige kroegen van het Zuid die nog niet door BV's en andere yups waren gekoloniseerd of tot trendy restaurants vertimmerd.

Een reliek van lang vervlogen tijden, dat was 't Konijnekot ('bij Mit', voor de intimi). Het meubilair glom even ranzig als de vloer, de tapleiding was in geen jaren schoongemaakt, de koffie was ronduit goor en het toilet onuitsprekelijk. Mit hield niet van schoonmaken, en van mensen evenmin. Verweerd en oud, gemeen als de pest, had ze de onhebbelijke gewoonte haar klanten uit te schelden als hun gezicht haar niet beviel. Niemand wist hoe oud ze was, maar volgens de overlevering was ze sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog geen stap van haar tapkranen geweken, zelfs niet toen in 1944 een V2 insloeg in de Coquilhatstraat, op dat eigenste ogenblik letterlijk een steenworp verder. Als zij het loodje legde - wat niet lang meer zou duren - zou 't Konijnekot onvermijdelijk verdwijnen. Weinig mensen zouden erom treuren: het was het laatste café waar ik nog een rekening had.

Nadat ik een kop met bruin water en een pakje Bastos filter had gekregen ("Schrijf het maar op") en een bij voorbaat mislukte poging tot conversatie had gedaan ("Weinig volk vandaag?"), liet ik mij op het vergane pluche van een bank zakken. De televisie in de hoek stond aan, zoals altijd. Op het stoffige scherm vertelde de brave burgemeester van een of ander stadje in Oost-Vlaanderen over zijn plan om criminele jonge immigranten aan de lantarenpalen op te knopen als ze het nog waagden de Belgische driekleur te beledigen. Dat kon mij even boeien, maar toen daarna een glunderende President van Vlaanderen zijn plan uiteenzette voor een monument voor de Vlaamse President, naar het model van Mount Rushmore maar met slechts één portret, een maatje groter en helemaal van marmer, dwaalde mijn aandacht af en sloeg ik de Streekkrant open die iemand op het tafeltje had laten liggen.

Het ging duidelijk beter met de economie, want in de rubriek vacatures was de vraag naar barmeisjes (gratis inwoning) en mensen die in hun vrije tijd tot 100.000 frank per week wilden verdienen opvallend groot. De vraag naar detectives (of investigative consultants, zoals ik mezelf tegenwoordig pleeg te noemen) was dat jammer genoeg niet. Soms twijfelde ik wel eens aan mijn beroepskeuze. Had die man van het PMS, meer dan twintig jaar geleden, dan toch een grapje gemaakt toen hij mij aanraadde om detective te worden?

"Flauwekul! Je weet niet waarover je praat! Zever, dat is het!"

"Madam, geef ons eens twee pintjes."

Ik keek naar de tap, waar twee nieuwkomers, allebei behoorlijk in de wind, zich druk stonden te maken. De een kende ik, Koentje heette hij, zijn achternaam was ik kwijt, een boom van een vent die altijd in een vuile overall rondliep. Een gerateerde beeldhouwer die aan de kost kwam door in zijn atelier in de Museumstraat auto's op te lappen. De ander had ik nog nooit gezien: een kleine, harige man, ongeveer mijn leeftijd, met een bierbuikje, een aangevreten ringbaard, een rond brilletje en een terminale aanval van roos. Hij droeg een vuilgeel (of was het geel en vuil?) jasje met grote zweetkringen bij de oksels, jeans en - ik fronste de wenkbrauwen - sandalen. Een ambtenaar van Cultuur? Een literator? Eén pot nat.

"Ik weet heel goed wat ik zeg, meneer," blies de kleine, waarna hij het pilsje dat Mit hem had voorgezet in één keer opdronk. "Ik ben journalist!"

Ik glimlachte, tevreden over mijn intuïtie, en verdiepte mij weer in de krant. Maar mijn aandacht was er niet meer bij, die twee aan de tap waren te druk - en duidelijk nog veel meer aangeschoten dan ik had geschat. Ik stak een sigaret aan en maakte mij onzichtbaar. Wat is aangenamer en bevredigender dan andermans conversatie af te luisteren?

"De complotten bestaan en ik kan het bewijzen," bralde de dikke met het baardje. Hij zwaaide met een versleten boekentas die ik nog niet had gezien. Er kleefde een sticker op van Joepie.

"Zwart op wit! Namen, plaatsen, cijfers, alles wat je wilt! Ik heb het hier allemaal! Harde bewijzen!"

Hij zette zijn boekentas met een plof op de toog, waarbij hij erin slaagde een glas aan scherven te doen vallen. Voor het eerst die avond zag ik emotie op Mits gezicht verschijnen. Haar snorharen richtten zich op. Was ik een Nederlander geweest, ik had in mijn vuistje gelachen, want het was altijd een plezier om te zien hoe Mit lastige klanten eruit gooit. Maar Koentje, die haar ook kende, wist haar te sussen.

"Geef ons er nog twee, Mit, en ik betaal wel voor die pint. Wacht, doe er twee wittekes bij en pak er zelf ook eentje."

Hij keek om zich heen, zag mij, en greep de kans om het zoenoffer wat overtuigender te maken. "Hé, Willems! Allee, Mit, voor de Jean-Pierre ook een pintje."

"Een Tuborg in de fles," zei ik haastig, want ik had de rafelige vod gezien waarmee Mit haar glazen droogde.

En dus hield onze gastvrouw het bij binnensmonds gevloek en Seefhoeks gemompel, en kwamen Koentje en zijn vriend, die in verregaande staat van ontbinding leek te verkeren, bij mij zitten. Koentje nam de honneurs waar.

"Dit is Freddy." Hij knipoogde naar mij. "Freddy, Willems hier zal ongetwijfeld belangstelling hebben voor jouw verhaal. Hij is detective."

Freddy schrok en bekeek mij argwanend. Ik zag dat hij de boekentas, die op de vloer stond, tussen zijn voeten schoof en met zijn kuiten vastklemde, alsof hij bang was dat ik ermee aan de haal zou gaan.

"Detective, hé?" zei hij vijandig. "Weet je wat ik van dat slag denk?"

"Ik heb een vaag vermoeden," zei ik, minzaam als altijd.

"Schorem," ging Freddy verbeten verder. "Uitschot. Corrupt als de pest. Zouden hun eigen moeder voor honderd frank verkopen. Wat zeg ik? Voor twintig frank!"

Hij zweeg abrupt en kromp lichtelijk ineen toen Mit met de drank kwam. Twee pils, een flesje Tuborg, drie borrelglaasjes die ze meesterlijk tot net aan de rand uit de jeneverfles vulde.

Dat laatste deed Freddy zijn tirade tegen het detectivewezen plotsklaps vergeten. Zodra Mit weg was, greep hij naar zijn glaasje. Hij was bijna te dronken om op zijn benen te staan, maar zijn hand beefde geen moment terwijl hij het kelkje aan zijn lippen bracht en voorzichtig, genietend slurpte.

"Ha... dat doet een mens goed!"

"Journalist, hé?" zei ik.

"De beste," zuchtte Freddy, terwijl hij over de rand van zijn brilletje naar mij tuurde.

"Hij heeft een theorie," zei Koentje, die een fikse slok van zijn pils had genomen en zijn jenevertje er nu in kieperde. "Volgens hem is het allemaal één groot complot: Agusta, de moord op Cools, heel de Dutroux-toestand, de Bende van Nijvel, de NMBS, Dassault, de overvallen op de geldtransporten, de moord op Mendez en die op Bull, noem maar op."

"Een complot?" herhaalde ik. "Al die affaires?"

Freddy knikte ijverig. "En nog veel meer," zei hij. "Véél meer! Het ergste heeft Koentje nog niet gezegd, want dat weet hij niet. Dat weet ik alleen. En als het uitkomt, pas op, dan zul je wat meemaken. Dan zullen er koppen rollen!"

"Ongetwijfeld," zei ik. "Maar ben je er niet een paar vergeten? Het Lam Gods, bijvoorbeeld, en het dynamiteren van de IJzertoren? En Marche-les-Dames?"

Freddy's mond viel open, wat geen mooi gezicht was. "Marche-les-Dames?" stamelde hij. "Wat weet jij daarvan? Daar is het verdomme allemaal mee begonnen!"

"Natuurlijk," zei ik ernstig, want ik hoorde hem graag bezig.

Koentje maakte zijn glas leeg, zette beide handen op de tafel en duwde zich overeind.

"Ik ben hier weg," zuchtte hij. "Eén zot, dat gaat nog, maar twee is te veel."

"Toe, Koentje!" protesteerde ik. "Het is juist interessant aan het worden. En het is nog geen tien uur!"

Hij was niet te vermurwen. De deur zwaaide dicht achter zijn rug, maar ging meteen weer open om een ander personage binnen te laten. Weer een vreemde vogel, vond ik. Lang en mager, met een scherpe neus, een weke kin, alerte ogen. Zijn lange zwarte regenjas hing open over een wit vest - meer een soort tuniek - en een al even hagelwitte pantalon. Zelfs zijn schoenen waren te wit om mooi te zijn. Een verpleger, schatte ik, maar wat had een verpleger in 't Konijnekot te zoeken? Geen vrolijk vertier, daar stonden zijn ogen niet naar.

De man ging op een barkruk zitten en bestelde een Spa blauw. Ik richtte mijn aandacht weer op Freddy, hopend op nieuwe onthullingen, maar schrok toen ik merkte hoe bleek hij er opeens uitzag. Hij staarde naar de man met de zwarte jas alsof hij de duivel in persoon ontmoet had.

"Wat scheelt er?" vroeg ik. "Ken je die vent?"

Freddy antwoordde niet eens. Hij stond met de nodige moeite op, nam zijn tas, deed een aarzelende stap naar de uitgang. Toen bedacht hij zich en maakte rechtsomkeert. Ik zag hem door de deur van het toilet verdwijnen en keek naar de man bij de tap. Hij verroerde geen vin. Een briefje van honderd lag naast het glas water, dat hij niet had aangeraakt.

Het volgende ogenblik - eerlijk gezegd, ik schrok mij rot - vloog de deur van het toilet met een klap open en draafde Freddy als een dronken everzwijn naar de uitgang. Hij maakte een bochtje om de man bij de tap, die rustig bleef zitten waar hij zat, wou de deur openduwen, ontdekte dat hij moest trekken en verdween in de nacht.

De man met de jas stond op, knikte naar Mit - mij negeerde hij - en wandelde rustig naar buiten, Freddy achterna. Vreemd, vond ik. Had Freddy zo overijld de benen genomen omdat hij zich misselijk voelde worden, of was hij op de loop gegaan voor die stille man? Ik begon een sigaret aan te steken - dat pakje schoot aardig op - bedacht me toen en verliet op mijn beurt 't Konijnekot.

Buiten was het zachtjes aan het regenen. Ik hoorde muziek - de Sinksenfoor. Een eind verder zag ik Freddy, die niet meer holde - in zijn toestand was het al verbazend dat hij overeind kon blijven - maar snel richting Nationalestraat stapte. Hij keek schuw achterom, naar de man met de zwarte jas, bijna onzichtbaar in de schaduw, die hem volgde. Ik wandelde nonchalant dezelfde kant op, benieuwd naar wat zou gebeuren.

Mijn geduld werd niet bepaald op de proef gesteld, want Freddy was nog lang niet bij de hoek toen een ambulance uit de andere richting de straat in kwam. De man met de zwarte jas begon nu opeens te lopen en Freddy bleef staan - hij kon geen kant meer uit. Ik zette het op een drafje. Freddy nam een besluit en wou de straat oversteken, maar de remmende ambulance sneed hem de pas af. Een zijdeur schoof open en een verpleger in het wit sprong de straat op, greep Freddy beet en begon hem naar de wagen te sleuren. De man met de zwarte jas, die hen had bereikt, stak een handje toe, terwijl Freddy zich luidkeels schreeuwend verzette. Ik was nog een meter of vijf van hen vandaan.

"Hé, wat moet dat!" riep ik. "Laat die vent los!"

De man met de zwarte jas draaide zich naar mij, zonder Freddy los te laten.

"Bemoei u er niet mee, meneer," zei hij, heel rustig. "Dit is een medisch geval."

"Medisch geval? Maak dat een ander wijs. Laat hem los!"

Ik kreeg hem bij een zwarte mouw te pakken en wou hem wegtrekken van Freddy, waarop ik een mep kreeg die me achterover deed tuimelen. Ze kunnen van me zeggen wat ze willen, een vechtersbaasje ben ik nooit geweest. Terwijl ik overeind krabbelde, kwam de man op mij af. Achter hem zag ik dat Freddy de weg van de meeste weerstand had gekozen door zich op het asfalt te laten vallen. De verpleger bleef dapper aan hem sjorren, geholpen door nog een andere witte man - de chauffeur, veronderstelde ik.

Ik was helemaal buiten adem van al dat gedoe. "Laat hem los," herhaalde ik - zij het met wat minder overtuiging dan de eerste keer.

"U hebt hier niets mee te maken, meneer," zei de zwarte heel beleefd. "Ga naar huis, u hindert ons."

Terwijl ik aarzelde of ik hem opnieuw te lijf zou gaan - met voorspelbare afloop - of naar het café zou rennen om de politie te bellen - gebeurde er iets dat ik eigenlijk niet echt had verwacht.

Eerst hoorde ik brullende motoren, daarna verschenen vijf, zes koplampen uit het niets. Freddy's verplegers schrokken even erg als ik toen we opeens omgeven werden door een ruige motorbende - razende Harleys, verwilderde baarden, kettingen en tatoeages, de rook en stank van uitlaatgassen. De chaos was compleet. Ik zag een van de verplegers op zijn knieën vallen, bloedend uit zijn mond, en dook zelf weg om een zwaaiende honkbalknuppel te ontwijken. Toen ik mijn evenwicht dreigde te verliezen en blindelings om me heen griste, kreeg ik een baard te pakken, die tot mijn verbazing loskwam. Een gelaarsde voet gaf me een schop in het middenrif en deed me voor de tweede keer tegen de vlakte gaan. Terwijl ik op handen en voeten wegkroop van het strijdgewoel - ik ben niet gek - zag ik twee Hells Angels Freddy in een sidecar hijsen. Het ging allemaal verbijsterend snel, zo snel dat ik het pas achteraf kon reconstrueren: de wegrazende motoren, de bloedende verpleger die door zijn collega's overeind werd geholpen, de ambulance die met gillende sirene wegschoot, de Angels achterna.

Ergens boven mijn hoofd ging een raam open.

"Zatlap, ga ergens anders de beest uithangen!"

Ik krabbelde overeind, sloeg het vuil van mijn gescheurde jeans. Tja, in Antwerpen maakt een mens tenminste nog iets mee.

Wordt vervolgd...

(Foto Stephan Vanfleteren)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234