Zaterdag 20/07/2019

BOEM! zei de IJzertoren Harold Polis

In de wirwar van racistische kletspraat, jodenhaat, reactionaire drijverijen en ranzig cultuurpessimisme doemt het beeld op van een zuiver Vlaanderen

Urbain Van de Voorde,

Het pact van Faustus (1936)

Ooit zullen de duiven achterstevoren kunnen vliegen. Ongetwijfeld zullen dat Vlaamse duiven zijn. Wij hebben het ongerijmde hartstochtelijk lief, een afwijking die we vooral botvieren op ons rijke Vlaamse verleden. Dit land is zo rijk aan achterhaalde ideeën en prehistorische relicten dat Stefaan De Clerck en Patrick Dewael nu al de standplaats van het toekomstige museum van Vlaanderen claimen. Terwijl die geschiedenis nog moet worden herschreven, op verzoek van Dewael zelf, onze nieuwe Vlaamse pontifex maximus. Daarom verdient het aanbeveling vijf minuten stil te staan bij leven en werken van Urbain van de Voorde (1893-1966), schrijver, noodlotsdenker, gevreesd poëzie- en kunstcriticus van De Standaard en plagiator.

Eerst de roddels, dan de moraal. In 1936 krijgt Van de Voorde de Staatsprijs voor kritiek en publiceert hij het essay Het pact van Faustus. Slimme lezers, onder wie August Vermeylen, beschuldigen hem van afschrijverij. Het ontbreekt Van de Voorde aan more brains om blij te zijn met dit excuus en te bekennen dat hij eigenlijk geen letter van het essay zelf heeft geschreven. Het pact van Faustus is om te braken. In de wirwar van racistische kletspraat, jodenhaat, reactionaire drijverijen en ranzig cultuurpessimisme doemt het beeld op van een zuiver Vlaanderen, een volk uit een stuk, een samenleving vol orde en gezond verstand, kortom een wereld waarin de duiven achterstevoren kunnen vliegen.

Gerard Walschap in 1946: "Als ge met hem gebrouilleerd waart werden de boeken slecht waarover hij met geestdrift geschreven had." Louis Paul Boon in 1952: "Ondertussen wensen wij mensen zoals deze meneer Van de Voorde weinig kwaads toe. Laat hen ochgod maar verder prutsen." Geliefd is Van de Voorde nooit geweest, al was het maar omdat hij zijn klauwen zette in 'modernistische', 'nieuwe' schrijvers, en zich tegelijk bezondigde aan karamellenverzen en kostschoolproza. "Meisjes zijn (...) als avonden: stil en diep," luidt het in Het meisje Lea (1926), een verknipte doktersroman over een trutje, "niet lang naïef want wonend in een wereldstad".

De criticus Van de Voorde is als een zwavelpoel in de hel, pruttelend en kwaadaardig: "Literair-historisch blijft (Paul van Ostaijen) ongetwijfeld een figuur. (...) Maar aan zijn gedichten, vrees ik, zal geen lange duur beschoren zijn." Zot Polleke was Van de Voorde te weinig hooggestemd, of beter, te cerebraal, of neen, "te zeer een zuivere kunstenaarsnatuur". De grote Van de Voorde daarentegen zocht, "tastte" naar het wezen van de poëzie, en sprak daarbij van "een alchemie van het woord, van een orphischen toover, van een mystisch fluidum". Met muziek had een gedicht niets te maken, ook niet met woordkunst, ideeën, onpersoonlijke gevoelens, speelsheid of kolder.

Tegenover Van Ostaijens 'zuivere lyriek' plaatste Van de Voorde de 'eeuwige lyriek'. De twee generatiegenoten en collega-activisten voerden vlak na de Eerste Wereldoorlog hevige pennentwisten over wat poëzie wel en niet kon zijn. Literatuur was in die dagen nog nauwer dan voorheen verbonden met politiek en zelfs met de Vlaamse natievorming. In de hoofden van de zichzelf mateloos overschattende Vlaamse dichtersbent kon het vrije vers wel degelijk een revolutie ontketenen en van alle mensen broeders maken. Van de Voorde verketterde het expressionisme en zijn onwillige initiator Van Ostaijen wegens onvoldoende reactionair. De laatste, die in elke discussie vijf stappen verder dacht dan zijn opponent, toonde haarfijn aan waarom Van de Voorde een onverbeterlijk warhoofd was. Van Ostaijens vroege dood deed Van de Voorde waarschijnlijk een zucht van verlichting slaken.

Begin jaren twintig beschouwt Van de Voorde zijn eeuwige lyriek nog grotendeels als een kunstopvatting die, naar de mode van de tijd, de vooruitgang van mens en maatschappij bevordert, "een voortbouwen aan de Goddelijke schepping". Nadien vult hij zijn verhaal aan met nationalistische en nationaal-socialistische flauwekul. In Het pact van Faustus legt hij uit dat de verziekte wereld haar ziel heeft verkocht aan de wetenschap, de volksvreemde kunstuitingen, het Russische communisme, de joodse en maçonnieke samenzwering. Hij pleit voor meer goede, zuivere kunst, "want alle grote kunst is een correctief". Het nieuwe artistieke medicijn moet de wereld genezen van de "mythe van de vooruitgang" en het "hoog-intellectualisme". Ach ja, "waarom ook geen quarantaine ingesteld om de geesten tegen besmetting te vrijwaren"? De nazi's hebben het pad geëffend. "Het auto da fe dat het nieuwe Duitschland gemaakt heeft van de 'slechte' boeken had, wat men ook zeggen moge, de beteekenis van een symbool."

In januari 1944 verschijnt Frankrijks dubbele ziel, een pamflet waarin Van de Voordes litanie van verbittering en zelfhaat nog scheller klinkt. Voor Het pact van Faustus riep Van de Voorde de hulp van Otto Weininger in, tijdens het laatste oorlogsjaar geeft hij de voorkeur aan graaf Joseph Arthur de Gobineau, de negentiende-eeuwse schrijver-diplomaat die het fundament legde voor de nazistische rassentheorieën. Frankrijk is de schuld van alles, hij somt de funeste invloeden op die het land naar de ondergang hebben geleid: "de vrijmetselarij, de joden, kortom de innerlijke verzieking der democratie". Eigenlijk heeft Frankrijk sinds de gotiek en Villon niets meer van waarde voortgebracht en moet het zich "onbeschroomd openstellen voor de levenwekkende krachten die het Germanendom over Europa uitstort".

Zeker, in domheid en ideologische haat moet Van de Voorde het afleggen tegen tal van collega's die zich de afgelopen eeuw uitmuntend van hun taak hebben gekweten. Maar Van de Voordes gelul is wraakroepender omdat hij, net als Wies Moens of Cyriel Verschaeve, kunst heeft gebruikt om oorlog goed te praten. Zo was hij waarachtig overtuigd van de artistieke impulsen die van de holocaust zouden uitgaan. Dit alles in het teken van zijn 'strijdbare Vlaamse overtuiging' uiteraard. Ach wat, het neerslachtige Vlaanderen popelt nog steeds om de kunst als een geweer te schouderen in de strijd tegen, ja, tegen wat eigenlijk? Achterstevoren vliegende Vlaamse duiven? Bert Anciaux tijdens zijn donderpreek op 7 september vorig jaar: "De innerlijke uitholling van de mens is de eerste stap op weg naar de gruwelen van de moderne slagvelden. Er is een verband tussen zinloos geweld en het negeren van poëzie."

Envoi

O Patrick Dewael, grote blauwe boekhouder des vaderlands! Cher tonton Patrick, l'homme qu'il nous fallait! Wat is uw kleurennota waard zonder het stemrecht voor migranten? Wat baat het op audiëntie te gaan bij Nelson Mandela als uw eigen onderdanen heel graag weer achter de verkeerde vlag willen lopen? Wat stelt uw andere Vlaamse geschiedenis voor, zolang de penis van Diksmuide ons nationaal monument blijft?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden