Donderdag 02/07/2020

Boekhouder van de dood

Als het meezit bestaat je oeuvre zo lang als je leeft

"Een wegwaaiend oeuvre is een verschijnsel dat mij obsedeert", vertelde Jeroen Brouwers in 1984 in een interview met Wim Zaal: "Ik heb het zo dikwijls gezien: iemand schrijft een meter boeken bij elkaar, hij sterft, en niemand leest hem meer of kent nog zijn naam. Zo vergaat het toch negen van de tien schrijvers? Als het meezit bestaat je oeuvre zo lang als je leeft; je necrologie levert nog tien nabestellingen op en dan is het uit. Waarom schrijf je dan? In de hoop dat één boek, één hoofdstuk, één passage je zal overleven. Dat je een spoor nalaat, al is het voor iemand die je boek over vijftig jaar tweedehands koopt. Illusie misschien, zelfs dat."

In zijn pas verschenen boek De schemer daalt beschrijft Brouwers hoe er enkele jaren geleden, in "zo'n doos oud papier op de rommelmarkt, waaruit de lijklucht je tegemoet walmt", opeens een boek aan zijn hand bleef plakken: "Letterlijk: het cellofaan rondom het omslag was zweterig geworden in de middaghitte en zoog zich als een klamme stroopkorst aan mijn vingers vast."

Een roman van Maria Messens, een schrijfster uit Brugge. Dat hij haar niet kende, zelfs in zijn Vlaamse uitgeversjaren nooit eerder van haar had gehoord, verbaasde Brouwers. Op een paar maanden na waren ze even oud en ze debuteerden allebei in 1964. Maria Messens bleek in 1989 zelfmoord te hebben begaan. "Dan rust ik niet voordat ik alles weet", vertelt Brouwers in een interview. Het resultaat is een invoelend geschreven levensportret.

Ook in De schemer daalt een doorwrocht herdenkingsgeschrift - "waar Brouwers het unieke patent op heeft" (Max Pam) - over de dichter en criticus Frans Buyle, volgens Brouwers bij leven al niet zozeer "vergeten" maar wel "doodgenegeerd" wegens zijn "ideologische scheefdenkerij" en liefde voor Verdinaso, tot hij in 1977 zelf een einde aan zijn leven maakte.

"Ja, ik doe dat met een zekere volharding", antwoordde Brouwers toen interviewer Rudy Vandendaele hem in 1998 vroeg of hij het als een plicht beschouwde, het aldus herdenken van collega-auteurs: "Ik moet zulke schrijvers zo objectief mogelijk portretteren, ook wel uit een soort mededogen: die kerels hebben toch ook hun hele leven doorgebracht met ploeteren en armoe en gezeik."

De laatste deur (1983) en De zwarte zon (1999), Brouwers' boeken met portretten van schrijvers-zelfmoordenaars, beginnen met een citaat uit zijn autobiografische verhaal 'De Exelse testamenten': "Ik wil het wel op mij nemen, de geschiedenissen van al dezen te schrijven, mijn toon is die van solidariteit [...]." Over de in De laatste deur geportretteerde auteurs stelde hij vast dat het vooral vergeten schrijvers waren, sommigen zelfs al tijdens hun leven. Dat auteursnamen als Dirk De Witte, Jan Emiel Daele of Jacob Hiegentlich nu nog bij lezers bekend zijn, en soms, zij het slechts als voetnoot, in literatuuroverzichten voorkomen, is in belangrijke mate aan Brouwers' werk te danken.

De roman Winterlicht (1984) ontstond uit De laatste deur en vanuit die "sympathie voor 'de vergetenen' - misschien ben ik over vijftig jaar of eerder één van hen". Die gedachte is het onderwerp van de roman, benadrukte Brouwers in een brief. In Winterlicht getuigt hij ervan "een aan hoogachting grenzende sympathie te hebben voor schrijvers die hun hele leven in dienst hebben gesteld van hun schrijverij, - schrijvers van niet zelden een nogal groot en veelzijdig oeuvre, - maar die het nooit tot roem, of zelfs maar erkenning hebben gebracht."

'Evengoed is de schrijver dood' is de titel van Brouwers' essay over het in memoriam als genre. Daarin vermeldt hij onder meer dat er bij de dood van de eertijds zo befaamde en gevierde Marnix Gijsen (1899-1984) nauwelijks een behoorlijke necrofilie is verschenen. "Zo beroemd geweest en zo belangrijk gevonden en toch al zo achter de horizon verdwenen."

Later, in Papieren levens, publiceerde Brouwers zelf een prachtig herdenkingsportret van Gijsen. Net zoals dat over de destijds ook zo beroemde Karel Jonckheere (1906-1993) een omvattend en van betrokkenheid blijk gevend essay, dat vreemd genoeg, en anders dan Brouwers' romans en polemieken, in de recensies nauwelijks aandacht kreeg.

In Papieren levens ook een ontroerend in memoriam van René/Renate Stoute, over wie Brouwers zei in een interview: "Stoute was een vriend en het behoort, vind ik, tot de taak van een schrijver een necrologie te schrijven als zo iemand overlijdt." In De schemer daalt herdenkt Brouwers op dezelfde grootse en persoonlijke manier de vorig jaar gestorven Freddy de Vree. Hij schrijft onder meer: "Om mij heen, steeds dichterbij en meer en meer, vallen de vrienden, bekenden en relaties als bomen tegen de grond. In het nieuwe ereperk op Schoonselhof, waar nu ook Freddy voorgoed mag uitrusten, vermeldt het merendeel van de grafdeksels namen van Vlaamse kunstenaars, schrijvers en andere, die ik heb gekend, soms hoor ik hun stemmen nog. De schemer daalt."

Hoe Brouwers zijn gestorven collega-schrijvers eert, daar zou iemand eens een boek over moeten schrijven. Eventueel gelinkt aan zijn al vaak geuite toekomstverzuchting, zoals in 1994 in een Knack-interview: "Ooit, over vijftig jaar, staat iemand bij een boekenkraampje en verdomd - daar ligt een titeltje van Jeroen Brouwers."

Of in 1992 in De Morgen: "Dat is toch prachtig: zo'n immense rommelmarkt met duizenden boeken en daartussen ligt een Brouwersje."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234