Zondag 13/06/2021

Blonde stoten en bad guys: de punch van de boksfilm Van Raging Bull tot La Haine, van The Champ tot The Hurricane: als film en boks de handen in elkaar slaan is een uppercut steeds nabij. ‘Man tegen man, de goede tegen de slechte. Het is een oeroud filmthema, dat perfect uit te beelden valt in een bokswedstrijd’, legt filmmaker Guido Henderickx uit.

‘The thing ain’t the ring, it is the play / so give him a stage / where this bull can rage / although I can fight I’d much rather recite / That’s entertainment!” Robert De Niro kruipt in de huid van middelgewichtkampioen Jack LaMotta en mept in de boksring al zijn tegenstanders tegen het canvas. Martin Scorsese verfilmt het leven van deze Raging Bull (1980) en slaat alle bioscoopbezoekers knock-out. Genadeloos. Bij de eerste voorstellingen van Rocky (1976) werd Sylvester Stallone luidkeels aangemoedigd door het bioscooppubliek. Althans, toch in de Verenigde Staten. Speelfilms met sport in de hoofdrol zijn in Hollywood zelden kaskrakers. Tenzij er wordt gebokst. Vanaf morgen loopt er met The Fighter van David O’ Russell opnieuw eentje in de zalen.

“In tegenstelling tot pakweg rugby of voetbal is boksen een individuele sport”, duidt Guido Henderickx, maker van documentaires over de Belgische bokskampioenen Jean-Pierre Coopman en Cyriel ‘Tarzan’ Delannoit. Regisseur ook van Koning van de wereld (2005), de vijfdelige miniserie met Kevin Janssens in de rol van bokstalent Stan Vandewalle. “Man tegen man, de goede tegen de slechte. Het is een oeroud filmthema, dat perfect uit te beelden valt in een bokswedstrijd. Dat verklaart volgens mij waarom er bijna geen films over de Ronde van Frankrijk zijn gemaakt, terwijl boksen wel erg populair is in Hollywood.”

Boksen als metafoor voor het leven dus. Afgekloven tot de naakte essentie: incasseringsvermogen, grinta en vastberadenheid. Schaken met vuisten. “Boksen wordt ook hoofdzakelijk beoefend door arme jongens, die zich met hun vuisten rijk willen slaan”, aldus Henderickx. “The American Dream, de mensen zien dat graag.”

Alcohol- en gokproblemen

Kirk Douglas in Champion (1949), John Garfield in Body and Soul (1947) of Russell Crowe in Cinderella Man (2005): allen groeien ze op in een arm milieu en klimmen ze via de bokssport omhoog op de maatschappelijke ladder. De boksring als trampoline. “Het is altijd hetzelfde verhaaltje, inderdaad”, beaamt Henderickx. “Kleine straatjongen krijgt succes en geld in de boksring, kan de weelde niet dragen, wordt misbruikt door louche managers en gaat naar de verdoemenis.”

Schoolvoorbeeld: Jack LaMotta die in Raging Bull binnen de ring scoort met zijn vuisten, maar er ook zijn vrouw en zijn leven mee verwoest. “De meeste boksfilms eindigen heel triest”, zegt Henderickx. “Je mag dan al de top bereiken, het verval is altijd nabij. Heel herkenbaar. Niets is voor eeuwig en we zijn niet allemaal winners.”

Balie en bajes loeren dan ook steeds om de hoek in de meeste boksprenten. Soms ten onrechte, zoals Rubin Carter in de beklijvende biografische film The Hurricane (1999). Vaker terecht. The Champ (origineel uit 1931, remake in 1979) is doorspekt met alcoholisme en gokproblemen. En ook in andere boksklassiekers als Fat City (1972), met een piepjonge Jeff Bridges, en Unforgivable Blackness: the Rise and Fall of Jack Johnson (2005), over de eerste Afro-Amerikaanse wereldkampioen zwaargewichten, worden handschoenen ingeruild voor handboeien.

Ander onmisbaar ingrediënt in de boksfilm: een begeesterende coach. Een mentor die slaat en zalft, die motiveert en nuanceert. Clint Eastwood ontfermt zich in Million Dollar Baby (2004) over Hilary Swank als een vader over zijn dochter. Verbale sparring partner Mickey Goldmill (rol van Burgess Meredith) ontketent in de hyperpopulaire Rocky-franchise al pestend de Rocky in Balboa.

Boksers zijn bovendien alfamannetjes en alfamannetjes hebben een prooi nodig. In de betere boksfilm is de blonde stoot bijgevolg nooit veraf. Zo richt Micky Ward (rol van Mark Wahlberg) in The Fighter gretig zijn pijlen op het hoogblonde barmeisje Charlene. En zoals er zonder Raymond Poulidor geen Jacques Anquetil zou zijn geweest, zo kan Rocky Balboa niet zonder Apollo Creed. Elke grote bokser heeft wel zijn eigen Nemesis. Vergeet hier niet de superbe documentaire When We Were Kings (1996), over de legendarische rumble in the jungle tussen Muhammad Ali en George Foreman.

Zelden in de prijzen

Opvallend voor het leeuwendeel van de boksfilms is dat niet alleen het zweet en bloed, maar vooral de passie en liefde voor de bokssport van het scherm spatten. “Het hoofdpersonage moet al snel een tweetal jaar intensief trainen voor hij klaar is voor de rol van bokskampioen”, vertelt Henderickx. “Die intensiteit straalt af op de volledige crew, van regisseur tot producer.”

Niettemin valt een boksfilm maar zelden in de prijzen. Behalve Raging Bull (twee Oscars, één Eddie en één BAFTA), Rocky I (drie Oscars) en Million Dollar Baby (vier Oscars) heeft de bokscinema weinig goud rond het middel hangen. “Voor de jury’s van Cannes, Venetië of Hollywood zijn de boksfilms allicht niet artistiek of intellectueel genoeg”, zegt Henderickx. “Maar net als de cowboyfilm zal ook de boksfilm altijd terugkomen.”

Of zoals de legendarische puncher Charles “Sonny” Liston ooit welgemikt opmerkte: “Een boksmatch is als een cowboyfilm: de goede tegen de slechte. Daar betalen de mensen voor: om de bad guys op hun muil te zien krijgen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234