Zondag 02/10/2022

Bloemlezing debutanten

Dichter en criticus Erik Jan Harmens stelde de spraakmakende bloemlezing Ik ben een bijl samen, waarin hij, volgens de ondertitel, ‘nieuwe dichters uit de jaren nul’ verzamelde. De inleiding en het begeleidende ‘Manifest voor een riskante literatuur’, dat Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer in Trouw publiceerden, lijken echter niet meer dan een poging om aandacht op te wekken. Harmens meldt dat hij de beste debutanten van ongeveer de voorbije tien jaar verzameld heeft: “De beste dichters zijn die dichters die je vaak luierend en lanterfantend op een canapé aantreft, slobberend van een kop thee of een chardonnay. Maar als jij de wekkerradio instelt en een kus door de lucht aan jouw echtgenote verkoopt, dan beginnen ze.” Dat is wel een heel clichématige opvatting. Niettemin vinden we in deze bloemlezing sterk werk van heel uiteenlopende dichters als Maria Barnas, Mark Boog, Tsead Bruinja, Eva Cox, Micha Hamel, Peter Holvoet-Hanssen, Saskia de Jong, Ruth Lasters, Els Moors, Alfred Schaffer, Mustafa Stitou en Menno Wigman. In het ‘Manifest’ lezen we: “Schrijvers zouden niet in hun werkkamer een stilleven van een appel en een peer moeten bedichten terwijl buiten het kanonnenvlees in de loopgraven lilt.” Is poëzie dan niet altijd een uiting van een ervaring van de werkelijkheid? En hangt een tegenovergestelde opvatting niet samen met een eenzijdige leeswijze? Als we anders zouden lezen, zou de inleiding van Harmens nog pathetischer klinken dan ze nu al doet. (PD)

Minneliederen

We weten niet veel over Hadewijch, behalve dat ze in het Brabants schreef. En een opsomming van dode en nog levende ‘volmaakten’ op het einde van haar ‘Visioenen’ doet het vermoeden rijzen dat ze tussen 1238 en 1244 schreef. Maar Hadewijch is onsterfelijk: in de bundel Uit één vinger valt men niet (2005) van Erwin Mortier vinden we een reeks van zes gedichten met als titel ‘Hadewijch-Variaties’ terug. In datzelfde jaar citeert Mark van Tongele de dichteres in zijn verzamelbundel Gedichten: ‘Haast u ter minne. De minne is alles.’ En het onvolprezen literaire tijdschrift Revolver bracht in 2007 een fascinerend Hadewijchnummer. Nu leeft Hadewijch helemaal op dankzij de voortreffelijke editie van de Liederen door de kenners Frank Willaert en Veerle Fraeters. Dankzij de inleiding en de verhelderende commentaren kunnen we tot een beter beeld van Hadewijchs drijfveren komen. Zo onderstrepen Willaert en Fraeters het belang van de oraliteit van Hadewijch. De unio mystica, de vereniging met God, was wel het doel, maar het is blijkbaar een misvatting om te denken dat de ultieme extase voor altijd standhoudt. ‘De minne’ is een eeuwig gevecht. Als je de ‘hoghe minne’ wilt bereiken, moet je aanvaarden dat je soms keihard op de grond terechtkomt. Het ontbreken van ‘de minne’ is noodzakelijk voor de godservaring. Dat zorgt ervoor dat deze liefdesliederen, die je op de cd’s ook echt kunt beluisteren, vol tegenstellingen zitten. En dat de lichamelijkheid belangrijk is. Ik zie Hadewijch weer helemaal voor mij. (PD)

Proza op speed

De vertelster in Veldonderzoek naar Oekraïense seks weet vanaf het eerste moment dat de man met wie ze een stormachtige liefdesaffaire is begonnen, openstaat voor het kwaad. Beiden zijn van Oekraïense afkomst, wonen en werken in de VS, beiden zijn kunstenaars, zij een dichteres, hij een schilder. De lezer zal evenwel ettelijke momenten nodig hebben voordat hij doorheeft hoe Oksana Zaboezjko die liefdesrelatie ten tonele voert. In de stream of consciousness - met soms hele bladzijden tussen haakjes en met zinnen als onstuitbaar lava - duurt het een poos voor de vertelster de vinger op de wonde legt. Is dit een preek? Een afrekening? Een therapie? Een scheldtirade? Een spotschrift? Een filosofisch traktaat verkleed in een zotskap met belletjes? Eens dat het verhaal op kruissnelheid is, wordt de lezer meegesleept door haar proza op speed en de ongemeen harde kritiek van de vertelster op zichzelf, haar lover, haar afkomst en de VS, het land waar ze Slavische literatuur doceert. Achter die brutaliteit gaan echter grote gevoeligheid en kwetsbaarheid schuil. Zeker, de vertelster noemt zichzelf een nationaalmasochiste en haar vriend een autistische maniak. Maar het is pas door de pijn dat ze tot het volle besef komt wie ze is en wat ze wil. En wat is dat? Dat is liefde zonder angst, en schrijven. Want “auteur willen zijn - dat betekent azen op het exclusieve, een voorrecht van God”. Dit is een uppercut die je langer dan tien tellen uittelt. (JP)

Ontroerend prentenboek

Op een ochtend ontdekt Ella een rare bobbel onder haar kin. Het blijkt ‘een fistel’ te zijn. Dat is een overblijfsel van een oude kieuw, en de dokter beslist dat er geopereerd moet worden. Ella’s wereldje stort in mekaar: ze is doodsbang van het ziekenhuis en al helemaal om onder het mes te gaan. Maar dan blijk het allemaal nog best mee te vallen...Het duo Dros-Geelen doet weer wat we stilaan van hen gewend zijn: een mooi en ontroerend prentenboek afleveren. Geen hoog oplaaiende emoties, geen visuele hoogstandjes, zelfs geen opvallend of opgesmukt taalgebruik. De kracht van hun werk schuilt net in het spaarzame en het suggestieve, in het fijnzinnig en geschakeerd weergeven van de gevoels- en gedachtewereld van een mensje, en in het vinden van het perfecte ritme om spanning te creëren terwijl er amper iets gebeurt. De minuscule waterverfschilderijtjes van Geelen voegen extra sfeer toe, en laten toch voldoende ruimte voor de verbeelding. Opmerkelijk dat we nooit de gezichten te zien krijgen van de volwassen personages. Naar het ziekenhuis getuigt van een grote beheersing van het metier enerzijds, en van een sterke mate van inlevingsvermogen anderzijds, waardoor het binnen het ruime prentenboekenaanbod een aparte, serene plaats inneemt. (PJ)

Kijkplezier voor kleintjes

Bij uitgeverij Clavis verschijnen twee lichtvoetige, pretentieloze werkjes van illustrator/vormgever Leo Timmers. Mijn grootste sympathie gaat uit naar het originele flapboek Hoog tijd: over een wat sullige, soms ronduit burgerlijk ogende olifant die in verschillende situaties terechtkomt. Als je de flap omdraait, ontdek je telkens hoe het afloopt. Soms voorspelbaar, af en toe verrassend. En bij wijlen werkelijk hilarisch, zoals op de laatste tekening, waar olifant een wel zeer grappige slurfknuffel krijgt. Knap hoe Timmers met zijn eenvoudige composities de aandacht vasthoudt en telkens een ander facet van mijnheertje olifant weet weer te geven.Eenzelfde grafische krachtige eenvoud typeert ook Kraai: over het trieste lot van een pikzwarte vogel waar alle anderen bang van zijn. Zijn pogingen om zichzelf van wat meer kleur te voorzien, brengen helaas geen aarde aan de dijk, zelfs integendeel. Maar dan volgt er toch nog een onverwacht happy end. De kwaliteiten van Kraai schuilen vooral in de tragikomische toon en in de meesterlijke expressies van de wanhopige anti-held. De hypergestileerde (digitale?) tekentechniek deed me soms wat te koel en te clean aan om echt meegesleept te worden. Maar beide boeken zullen ongetwijfeld voor heel wat kijkplezier zorgen bij de allerjongste lezers, en bovendien zijn ze ook best geestig voor een ouder publiek. (PJ)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234