Donderdag 21/01/2021

Bloedbad in de kraamkliniek

Deze week startte in Canada de robbenjacht, de grootste slachtpartij die jaarlijks onder zeezoogdieren wordt aangericht. 350.000 jonge zadelrobben en klapmutsen zullen de komende dagen niet overleven. In de St. Lawrence-baai voltrekt het bloedbad zich naar jaarlijkse gewoonte onder het kritische oog van de International Federation for Animal Welfare. Onder de seal watchers bevonden zich dit jaar heel wat landgenoten. België heeft zich in Europa dan ook opgeworpen als de bondgenoot van de zeehonden.

Erik Raspoet vanuit canada

Soms zijn journalisten bofkonten. Je zult maar de kans krijgen om in Canada een helikoptervlucht te maken boven de St. Lawrence-baai. Het is nog bitter koud in deze baai voor de Noord-Atlantische kust, grofweg te situeren tussen de provincie Quebec en Newfoundland. Toch komt er al beweging in het pakijs, dat zich in de vier windstreken eindeloos ver uitstrekt. Onder ons tekent zich een grillig patroon af van scheuren, geulen en wakken. Het sloopwerk is begonnen, tegen eind mei verandert dit bevroren land in een kolkende oceaan. Niet dat het natuurschoon daarmee verdwijnt. Toeristen zullen het Prince Edward Island overrompelen om zich aan voorbijdrijvende ijsbergen en migrerende walvissen te vergapen.

Maar voordat het zover is, moet zich hier nog een ander natuurwonder voltrekken. De St.-Lawrence-baai is namelijk een van de kraamkamers van zadelrobben en klapmutsen, de meest verspreide zeehondensoorten van de Noord-Atlantische wateren. De biologische klok van deze zeezoogdieren werkt heel precies. Vanaf begin oktober verlaten ze met honderdduizenden tegelijk de visrijke wateren voor de kust van de Noordpool en Groenland en beginnen ze aan een indrukwekkende odyssee. Eén kudde trekt naar de ijskoude zeeën voor Siberië, het gros van de populatie echter zet koers naar Canadese wateren. Veruit de meeste robben blijven hangen voor de kust van Newfoundland, maar zo'n kwart van de Canadese groep zwemt nog verder zuidwaarts tot in de baai van St.- Lawrence.

Na een reis van meer dan drieduizend kilometer kruipen ze hier begin maart op het pakijs om in ijltempo de grote levensmomenten af te haspelen. De hoogzwangere wijfjes brengen allemaal één pup ter wereld die ze gedurende een twaalftal dagen zogen. Daarna is het afgelopen met melk en moederliefde. Terwijl wijfjes met de meegereisde mannetjes gaan paren, blijven de volgezogen pups alleen achter. Vanuit de helikopter zie ik ze liggen. Nu eens zijn het eenzame pups, dan weer groepen van tientallen dieren. Het zijn haast allemaal zadelrobben, klapmutsen zijn veel zeldzamer verschijningen. Tegelijk met het spenen hebben de pups hun witte babydons verloren. Ze worden nu ragged jackets genoemd, vanwege hun gevlekte pels. Ook deze fase duurt maar een paar dagen. Spoedig veranderen de hulpeloze vlekjassen in beaters, zeg maar kleuters die hun eerste, onhandige pogingen tot zwemmen en jagen wagen. Snelle leerlingen zijn het. Als binnen enkele weken het ijs breekt, zijn ze klaar om de grote reis naar het Noorden aan te vatten. Maar of ze daartoe de kans zullen krijgen? Hoe verder we buiten de kust vliegen, hoe vaker we het patroon zien. Rode vlekken in de sneeuw, de zeehondenjacht is goed en wel begonnen.

Soms moeten journalisten over een stevige maag beschikken. Het toneel dat zich voor onze neus afspeelt, is namelijk bepaald walgelijk. Aan welke acteur de titel van gruwelijkste rol toekennen? Aan de man die met zijn mes in één vloeiende beweging de huid en het vet van een versgeslachte pup stroopt? Aan de man die met zijn bootshaak een reeks pelsen achter zich aansleept en over het ijs een breed bloedspoor trekt? Of toch maar aan de jager met de hakapik, een lange, houten stok waaraan een kromme, ijzeren pin is bevestigd? Hij loopt met zijn primitieve wapen alweer naar een volgend slachtoffer. De grijswitte pup richt zich op, blazend en klauwend met de korte voorpootjes, in een futiele poging zijn belager af te schrikken. Wat gebeuren moet, gebeurt. Niet één maar drie keer suist de hakapik neer, bloed en hersenen spatten in het rond. Nog geen minuut later wordt ook deze grijswitte pels als een trofee over het ijs gesleept. Het karkas blijft liggen, naast de overblijfselen van tientallen zadelrobben. Ze zien er macaber uit, deze bloederige kadavers waarvan alleen de droevige zeehondenblik nog intact is.

Ook ik heb een rol in deze tragedie, net zoals de andere inzittenden van de drie helikopters die vlakbij op het ijs zijn geland. Met twaalf vormen we het ongenode publiek van deze slachtpartij. Ingrijpen kan echter niet, want de regels van het Canadese ministerie van Visserij en Oceanen voor het observeren van de zeehondenjacht zijn erg strikt. We moeten op minstens tien meter van de jagers blijven, verwensingen of andere provocaties zijn uit den boze. Al bij al is het een surrealistische situatie. Zoals in een echt toneelstuk gebaren de jagers alsof ze hun publiek niet zien. Onverstoorbaar hakken ze er op los, alsof ze geen hulpeloze zeehondenbaby's maar riet aan het kappen zijn. Toch laat onze aanwezigheid hen niet helemaal onverschillig. We worden getrakteerd op een traditioneel visserslied in het Québecqois, de taal van de Magdalena-eilanden waar deze jagers vandaan komen. Maar het kan ook minder subtiel. We are the champions, zingt een potige jager terwijl hij met de sneeuwscooter een partij robbenpelsen afvoert naar een van de tien schepen die in deze omgeving aan de slag zijn. De opgestoken middenvinger kunnen we er zelf wel bij verzinnen.

Uiteraard heeft de International Federation for Animal Welfare (IFAW) ons hier niet naartoe gesleept om een potje te gruwelen. De samenstelling van het observatieteam verraadt de strategie van de Canadese dierenrechtenorganisatie. Buitenlandse journalisten, fotografen en cameraploegen moeten de wereld confronteren met de ongemene wreedheid van de zeehondenjacht in Canada, die meer dan ooit haar reputatie van 's werelds grootste slachtpartij onder zeezoogdieren waarmaakt. Dit jaar mogen Canadese sealers 350.000 zadelrobben en klapmutsen afmaken, het hoogste aantal sinds de overheid in 1971 beperkingen oplegt. Het quotum dat ook de volgende twee jaar geldt, maakt deel uit van een nieuw beheersplan om de populatie van zadelrobben en klapmutsen in de noordwestelijke Atlantische Oceaan terug te dringen van 5.2 miljoen naar 4,7 miljoen.

Voor de IFAW is dit onaanvaardbaar. De organisatie ontstond in 1969, toen lokale activisten de eerste campagne tegen de robbenvangst organiseerden. Voor vele Canadezen kwam het protest als een donderslag bij heldere hemel. De robbenjacht geldt aan de noordwestelijke Atlantische kust als een traditie, nauw verweven met de geschiedenis van de Magdalena Eilanden en Newfoundland. Indianen joegen al op robben en walrussen om zich te bevoorraden met olie, pelsen en vlees. Dat gebruik werd gretig overgenomen door de Engelse en Franse kolonisten, die hier zo'n 400 jaar geleden neerstreken, ten koste overigens van de oorspronkelijke bewoners die werden uitgemoord of verdreven.

De robbenjacht groeide uit tot een nevenactiviteit van de kabeljauwvangst, de ware motor achter de Europese kolonisering van deze contreien. In de winter trokken werkloze vissers het ijs op om robben af te slachten. Het was bepaald geen kleinschalige operatie: in de topjaren in de 19de eeuw rukte een armada van meer dan vierhonderd visserboten met zo'n 13.000 sealers uit.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen robbenpelsen door de bontindustrie werden ontdekt, kreeg de jacht een nieuwe impuls. Voor het eerst viel er grof geld te verdienen met het witte dons van zadelrobbenpups en de blauwe vacht van klapmutsbaby's. Uit wetenschappelijke hoek kwamen de eerste waarschuwingen. Zonder beperkingen dreigde de jacht, die overigens ook in Groenland, Noorwegen en Rusland wordt bedreven, de populatie van beide robbensoorten onherstelbare schade toe te brengen.

Desondanks reageerde Canada geschokt, toen eind jaren zestig dierenrechtenactivisten de traditionele robbenjacht frontaal aanvielen. Ze gebruikten niet alleen wetenschappelijke argumenten, maar stelden vooral de wreedheid aan de kaak. Via foto's en tv-beelden kon de wereld eindelijk zien hoe de heroïsche robbenjacht werd bedreven. De afschuw was algemeen, de prille dierenrechtenbeweging had met de witte zeehondenpuppies een hoogst knuffelbaar symbool gevonden.

De IFAW, intussen een internationale organisatie met 200 medewerkers en kantoren in veertien landen, stond niet alleen in deze verbeten strijd. Greenpeace-activisten besmeurden pups met verf om hun vachten waardeloos te maken, Brigitte Bardot ontpopte zich als beschermheilige van de belaagde zeehonden. De campagne kende succes: in 1982 verbood de Europese Unie de import van pelsen van pasgeboren pups. Het verbod gold alleen voor whitecoats en bluebacks, zadelrobben en klapmutsen van minder dan twee weken oud. Ragged seals en beaters mochten nog wel worden ingevoerd. Toch stortte de markt voor zeehondenbont meteen in, en de dagen van de sealing industry leken geteld. Jarenlang bleef de vangst beperkt tot 50.000 stuks, een fractie van het huidige quotum.

In 1996 echter herrees de zieltogende industrie als een feniks uit zijn as. Waarom? "Het is de Tobin-factor", zegt Rebecca Aldworth, de IFAW-campaigner die onze excursie leidt. "Bryan Tobin was destijds minister van Visserij in Newfoundland. Hij was het die in 1996 met geld begon te zwaaien om de robbenjacht weer aan te zwengelen. Leerlooierijen kregen subsidies, er werden miljoenen dollars geïnvesteerd in het ontwikkelen van afgeleide producten. We moesten allemaal schoenen van zeehondenleer gaan dragen. Slagerijen prezen seal peperoni aan, en er werden sealburgers gemaakt voor de Chinese markt. Tobin was een geslepen politicus. De visserij verkeerde in een diepe crisis. De kabeljauwvangst was strikt beperkt, sinds vorig jaar is ze helemaal verboden. Een ramp voor de sector, veroorzaakt door de Canadese overheid die decennialang heeft toegekeken hoe het kabeljauwbestand door overbevissing werd uitgeput. Tobin was de man die opkwam voor werkgelegenheid. Tegelijkertijd leidde hij de aandacht af van het wanbeleid in de kabeljauwvangst door de zeehonden als boosdoeners af te schilderen. Want waarom is er geen kabeljauw meer? Omdat er veel te veel robben zijn die veel te veel kabeljauw eten, zo luidde de boodschap. De vissers willen dat maar al te graag geloven. Alle wetenschappelijke studies bewijzen nochtans het tegendeel. Kabeljauw vertegenwoordigt maar een fractie van het voedsel dat robben verorberen. Die dieren eten ook inktvis en andere predatoren van de kabeljauw. Best mogelijk dus dat het kabeljauwbestand nog verder wegzakt als je de robbenpo-pulatie gaat uitdunnen. Het ecosysteem is uiterst complex, maar daar hebben de meeste vissers geen oren naar."

Verklaart die voedselrivaliteit de wreedheid van deze stoere mannen met hun groene overalls en blitse zonnebrillen? Volgens de reglementen van Fishery and Oceans verloopt de slachtpartij nochtans op een 'humane' manier. Een welgemikte klop met een knuppel of een hakapik op de schedel moet volstaan om de jonge zeehonden te vellen. Voor het villen steekt de jager zijn vinger in het oog van zijn slachtoffer, een reflextest die uitsluitsel moet geven over leven of dood. In de praktijk is van dit 'humane' minimumprogramma weinig te merken. Zelden of nooit sterft een dier al na de eerste slag. De verplichte test is een lachertje. Heel wat robben worden levend gevild. Sommige jagers gebruiken hun bootshaak niet alleen om pelsen te transporteren maar ook om dieren te doden. Het is allemaal strijdig met de reglementen, en het is allemaal uitvoerig gedocumenteerd door IFAW dat al jaren lang de robbenjacht in de St. Lawrence-baai observeert. Foto's en videomateriaal worden stelselmatig aan de inspecteurs van Fishery and Oceans doorgespeeld. "Zonder gevolg", zegt Rebecca. "Fishery and Oceans staat aan de kant van de sealers. Ze komen wel vaak op het ijs, maar niet om de jagers op de vingers te tikken, maar om te zien of de seal watchers wel over alle vergunningen beschikken."

Ondanks haar ervaring is Rebecca haar verontwaardiging nog niet kwijt. Ze spreekt liever niet van een jacht, maar van een barbaarse slachtpartij. "Er is geen strijd zoals bij een echte jacht", zegt ze. "Zeehondenjongen zijn compleet hulpeloos. Dit is nog maar het begin van de slachting. Er worden vijftig schepen verwacht die allemaal koers zetten naar de rijkste broedplaatsen waar duizenden ragged jackets en beaters samentroepen. Daar zie je pas waarom de sealers zelf altijd van de harvest, de oogst, spreken. In hun ogen zijn zeehonden geen wezens met pijn en emoties, ze beschouwen ze veeleer als aardbeien die geplukt worden zodra ze rijp zijn. Het is een afgrijselijk schouwspel. De bemanning van de verschillende schepen vechten haast om de beste pelsen. Je ziet de jagers als dollemannen over het ijs rennen. Ze proberen zoveel mogelijk pups te immobiliseren, zonder ze echt af te maken. Die dieren liggen minutenlang te creperen. Heel wat gewonde dieren ontsnappen door in een wak te duiken waar ze dan verdrinken. Die worden nooit in de statistieken verrekend. In feite worden er veel meer dan 350.000 robben geslacht."

Het doel van de IFAW is duidelijk: een volledig verbod op de commerciële zeehondenjacht. Achter deze internationale mediacampagne schuilt dan ook een dubbele agenda. De IFAW wil druk zetten op de Canadese overheid die het imago van sociale welvaartsstaat liever niet met zeehondenbloed besmeurd ziet. Het belangrijkste lobbydoelwit is echter de Europese Unie die nog altijd de voornaamste afzetmarkt voor zeehondenbont vormt. "Het Europese invoerverbod voor whitecoats en bluebacks uit 1982 gaat niet ver genoeg", zegt Rebecca. "Het heeft geen zin pasgeboren dieren te beschermen, als ze een week later wel volstrekt legaal mogen worden afgeslacht. Europa moet resoluut de import van alle zeehondenproducten verbieden."

Toont België Europa de weg? De federale ministers Rudy Demotte (PS), Freya Van den Bossche (SP.A) en Fientje Moerman (VLD) hebben alvast een akkoord bereikt over een totaal verbod op de import van bont afkomstig van katten, honden en zeerobben. Het is nog wachten op een harde wettekst, maar bij de IFAW is het enthousiasme groot. Het is 'België boven' in de mediacampagne die zich voor de kust van Prince Edward Island afspeelt. De vedetten van de week zijn de parlementsleden Magda De Meyer (SP.A) en Jean-Marie Dedecker (VLD) alsook Gaia-frontman Michel Vandenbosch. Partijpolitiek, stijl en persoonlijkheid, tussen het SP.A-kamerlid en de VLD-senator grijpt meer dan één wak. Maar na de eerste confrontatie met de jacht walgen ze eensgezind. "Dit is geen jacht", zegt Dedecker. "Dit is massamoord in een kraamafdeling."

Gisteren kon hij die oprisping kwijt aan de kapitein van de Warlord, een van de eerste schepen die dit jaar tot in de St. Lawrencebaai doordrong. De zeeman, die zelf bereid bleek tot een praatje, bleek niet onder de indruk. "Waar bemoeien jullie je mee", fulmineerde hij. "Dit is een oorlog. Wij vechten tegen die rotbeesten die al onze vis opeten. Als jullie toch bloed willen zien, ga dan naar Irak."

Met dank aan de IFAW, www.ifaw.org

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234