Woensdag 21/08/2019

Blind date met de avondspits in Brussel

'Je witte stok. Je blinddoek. Let op akoestiek, geur, en vraag hulp. Pierre (33) is slechtziend. Hij begeleidt je naar het Zuidstation. Je wilt naar Antwerpen, niet?' Daar sta ik dan. Beroofd van wat ik desgevraagd het laatst zou afstaan: mijn ogen. Het is tijdelijk, gelukkig, en de veertiendaagse van de Brailleliga loopt. Weten wil ik wat blinde pendelaars doormaken. Voelen, horen en ruiken wat het betekent in het donker elke dag uit werken te gaan. Blind date met de Brusselse spits.

Brussel

Eigen berichtgeving

Anne de Graaf

De overheid past de binnenkant van de gebouwen aan voor blinden, ziekenhuizen op kop. Met de buitenkant is het slecht gesteld; de Brusselse straat vormt een hindernissenloop voor blinden. Steeplechase', hoor ik mobiliteitsinstructrice Ann Vanmarsenille mompelen.

Rechts voor me is ze, verraden haar tokkelende hakjes. Ik verbaas me over haar schorre stem. Dan ruik ik dat ze rookt. "De Scandinaven doen hun best. Geluid aan de verkeerslichten, oriëntatietegels, geleidelijnen in de voetpaden", klinkt het verder. Tik-ke-tik. Een stok. Pierre sprak.

Verdorie, waar hang ik uit? Net liepen ze nog naast me, de twee van de liga. Logischerwijs moet ik me midden in de gang bevinden, maar ik liep achterstand op. "Tong", zegt de stok en dan niets meer. Ik prik, dieper, de grond vergaat rechts van me, ik roer rondjes in een gapend gat. Ik verstar.

"Je staat bij de trapkoker, kijk uit." Minuscule lichtbundels. Even bekruipt me de behoefte om te frauderen via het kierende Zorro-masker. Onder mij lag net de voeg tussen de tegels die naar de lift leidt, als ik... "Duivel, doe je ogen dicht", spreek ik mezelf toe. "Hypocriet nu een goede indruk te maken. Idioot, de blinde met faciliteiten uit te hangen. Voor wie?"

De angst voor de dieperik ebt weg: het gebouw van de Brailleliga is een walhalla voor blinden. En voor mezelf, ik die op interimbasis ziende blind werd. "Tok, tok", geen "tak, tak". Bizar, de voetzoelen maken andere muziek: akoestische versmallingen op het traject naar de cafetaria, goedkope, doeltreffende bakens voor blinden. Door de gang te versmallen, klinken de stappen doffer. Ik memoriseer stiekem het parcoursverschil. Stiekem, voor als ik terugkeer van de rally.

"Waarom stiekem?", mijmer ik, zo doen ze het gewoon, de blinden. Memoriseren en traceren met de stok. Zoals een piloot die bij onweer op zijn instrumenten vertrouwt. IFR, invisual flight rules, dit zijn dan de onzichtbare loopregels voor blinden."Eerste verdieping", fluistert een opgenomen damesstem. Naast de knoppen voel ik de nul. Eén in braille, wijst Pierre en hij zoekt mijn hand. De andere nul in reliëfschrift. Ik voel een rondje op het toetsenbord, en dan een neerwaartse kracht. "Naar beneden gaan"; nooit drong het zo tot me door.

Zuurstof, een luchtstroom, gezoem van schuifdeuren, een auto. Koolstofmonoxide, anders verstikkend, nu een dankbare richtingaanwijzer. Naar buiten. Het getik van Pierre is me ver voor. Ik spoed in het donker de lift uit. Links, rechts, de stok zwiept gezwind. Ik probeer de tred aan te houden die de mobiliteitsjuf me bijbracht. Rechtervoet voor, als de stok links zwaait. Linker- als hij rechts op de grond slaat: eigen lichaamsbescherming tegen lage obstakels. Het wintert, maar ik stik. Van het zwiepen, meer nog van de concentratie.

"Lager. Anders voer je een steekspel met andere blinden, of licht je voetgangers voetje", zegt Pierre. Hij is advocaat. Deed zijn studies in braille, pendelt dagelijks naar Brussel. Pakweg vijf minuten langer dan een ziende doet hij over het traject. De cursus van de liga gaf hem versnellingen. "Jij hebt een uur nodig."

Een uur? Om van de liga naar het Zuidstation te raken? Drie straten ver? Onmogelijk. Harder zwiep ik. Veel harder. Tik, tik, tik, tokkelend over de plavuizen, zoals Pierre, dat moet het zijn.

Het voetenwerk mangelt, maar ik vertrouw op mijn intuïtie en de gevelmuur. En dan struikel ik. Over een plastic zak. Vuilnis. Niet geanticipeerd: er hing een rotte sinaasappelwalm. "Tak" en nog eens "tak", galmt het als ik zwaaiend weer mijn weg zoek. Arbeiders lieten een kar staan, zegt Ann. "En dat was een parkeerbord." Een baken, geeft ze toe, maar het hoort in de goot.

Claxons, trambellen, nog meer koolstof. Geen ribbels meer tussen de tegels. De stok glijdt over een zachte ondergrond, asfalt: de Fosnylaan, in de spits, de kolkende verkeersoceaan voor het Zuidstation. Pierre en Ann zetten me op het zebrapad, wachten tot het licht op groen springt. Anderlecht is Scandinavië niet. Verkeerslichten zijn stom, ze spreken niet. Ik maak een schietgebed tot 's werelds goden en steek over. Alleen. Geen lokroep aan de overkant. Ik verstijf, vergeet om hulp te vragen. Dan neemt een anonieme hand me bij de arm. "Je vais vous aider, welke trein moet u hebben? Ik breng u." Nooit eerder drongen de 37 graden van de voetganger zo tot me door.

Ik maak mijn gezichtsloze Samaritaan duidelijk dat ik in het station de weg ken. Het groefje volgen, gaf Ann mee. Te voelen aan nog meer toeschietende armen, zigzag ik naar de roltrap van perron achttien. Rubberlucht, de leuning. Ik ben alleen. Pierre nam zijn trein, Ann is terug naar de liga.

"Leg de stok op de tree, als je voelt dat hij opgetild wordt, stap je op. Als hij daalt, ben je boven. De NMBS-lui helpen je op te stappen, ze kregen scholing bij de liga."

Schijfremmen, gepiep, nog meer rubberlucht, tocht, gejaagde passen: het perron. Mijn direct vertrekt over een half uur. Ik dank eerbiedig de omroeper die ik anders om zijn monotone gezeur vervloek, maar ik heb dorst en neem de trap terug, naar het warenhuis in Brussel-Zuid.

Rinkelende kassa's, getjirp van de Bancontact-toestellen, warme Ciabatta-broden wijzen de weg. De hectische sfeer van de gehaaste klanten is voel-, hoor-, helaas ook ruikbaar. Ik wil Coca-Cola, light. Mijn stok ritselt; chips. Ribbeltjes, in kleine pakketjes, Stimorol. Condenslucht uit de diepvriezers: de weg naar achter, de drankruimte, zoals altijd hoop ik. En dan voel ik ze, de blikjes. Braille noch reliëfschrift, geur noch smaak. "Dat is bier mevrouw, Jupiler. Wilt u bier?" Weer een hand, 37 graden. Ik drentel naar het perron met een blikje en heb gemengde gevoelens: de overheid denkt te weinig aan blinden, maar de mens is zo slecht nog niet. Als ik het Zorro-masker afzet, schrik ik me voor het eerst een ongeluk. Nooit was een colablikje zo rood.

Mijn witte stok roert rondjes in een gapend gat. Ik verstar: 'Je staat bij de trapkoker, kijk uit'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden