Donderdag 22/10/2020

Blauw is de kleur, van raamkozijn tot eierdop

p de E40 onderweg naar Brugge, ergens bij Drongen, passeert een kleine Mazda: ‘Roger Cools = ok’, zegt een sticker. Even lijkt het toeval te groot. Roger Cools? Jaren ’70, middenveld van Club Brugge? Het moet de tijd zijn die voor verwarring zorgt en die Roger Van Gool en Julien Cools samenvoegt. ‘49R Jeans’ stond op hun buik, het waren de Happeljaren van Club Brugge, de finale van de UEFA-Cup tegen Liverpool, later in Wembley zelfs Europacup I. Die namen: Van Gool en Cools dus, Daniël De Cubber, Birger Jensen, Raoul ‘Lotte’ Lambert. De stem van Jan Wauters, toch ook: “Weer klinken die cheerio’s zoals weleer.” Dat moet van later zijn, misschien van 1982, toen Club nipt de degradatie vermeed. Slotdag, 5-0 thuis gewonnen van Racing White Daring Molenbeek. Vijftiende werd Club.

Tegen de Club ga je nie winnen, halie halo

nie winnen omdat da keiharde zien

blauw en zwart, omdat da keiharde zien

Strofen van blauw-zwarte gezangen breken dit verhaal, mijmering verkort de weg naar café ’t Putje aan de Gistelsesteenweg tot een flits. Boven de toog van Sandra Dumalin ingekaderde truitjes van Michaël Klukowski en François Sterchelé, foto’s van overleden vrienden Danny, Pieter en Henkie Houwaart jr, een affiche voor de kaaskaarting op 11 maart ook. Rond de toog: Vanessa Laforce, Patrick Meyers, Jacques De Ketelaere en Martin Lambert. Familie van? “Mijn vader en Raouls vader waren kozijns”, zegt Martin, een generatiegenoot dus van de Brugse lievelingsspits Lotte Lambert en dus goed geplaatst om de crisis onder ogen te zien. Jawel, vierde in de stand. Maar ook: ferm gerommel in het bestuur en dan dat laatste weekend: Dalmat malcontent, Perisic en Dirar bekvechtende kleuters, Stijnen op het internet.

“De beste periode was die onder Ernst Happel, maar pas op, er zijn nadien nog goeie jaren geweest”, zegt Martin. “De vijf jaar onder Houwaart, de twee jaar met Sollied als trainer, ook met Hugo Broos was het goed. Maar Degryse heeft de Club naar de kl... geholpen. Hij was groot geworden dankzij Ceulemans, hij is dat blijkbaar vergeten. Als speler is hij naar Anderlecht vertrokken en hij is altijd ene van hun gebleven. Hij heeft ervoor gezorgd dat Club geen familieploeg meer was. Iedere speler speelt voor zichzelf nu.”

De tongen komen los, alles door elkaar, het wordt wat onduidelijk wie wat zegt. Maar in ’t Putje is onvrede de grootste gemene deler. Net als nostalgie, naar tijden toen spelers na de training of de match een pint kwamen drinken. “Onlangs is het nog eens gebeurd”, vertelt iemand. “Het weekend nadat een groep supporters het oefenveld was opgelopen om de spelers hun onvrede te laten merken, kwam Carl Hoefkens hier plots binnen. Het was al laat, 11 uur misschien. Zonder op voorhand iets te zeggen, kwam hij binnen. Awel, dat was echt. Hoefkens is samen met Blondel en Geraerts nog een echte Clubspeler.”

Patrick Meyers, T-shirt met die glorieuze ploeg in Paniniprintjes om het lijf (“alleen Gino Maes, een échte Bruggeling, ontbreekt”) was één van die supporters die het oefenveld opliepen. Hij was kwaad. Maar boosheid zit niet blijvend in een Brugs supportershart. “We moesten hen laten blijken hoeveel we van de Club houden. Maar ja... De week nadien roep je toch weer voor die gasten. Dat is gewoon aangeboren. Ik ben geboren in blauw en zwart. Zelfs als ze in Bevordering zouden spelen, sta ik er nog. En pas op: we hebben nog altijd 24.000 abonnees.”

De relativering van de droefenis zit ook in het detail: zestien voetballertjes, elk in de kleur van een eersteklasseclub, staan in ’t Putje op een plankje. Vooraan: Club Brugge. Net erachter Eupen en AA Gent. Helemaal achteraan Anderlecht. “Eigenlijk is dat de rangschikking”, zegt Sandra. “Maar als Club niet op kop staat, zetten we ze niet goed.”

Ja wen e ke naar Ipswich moeten gaan

de die en ons doen zweten (...)

we kregen der daar 3 in onze kete

twee weken later kwamen ze naar hier

en de Engelse genakten hier geen grond

we wonnen 4-0

’t was gedaan en de Club mocht naar Rome gaan

Wat vreemd dat Cercle niet achteraan staat, maar laat dit de allerlaatste keer zijn dat de naam van deze club in dit verhaal staat. In het FCB Kaffee op de Olympialaan straffen Geert De Cang, Nico ‘Bollie’ Bollaert en Henk Vanhee de vraag waarin de naam van de groen-zwarte buren valt, meteen af: “Boete!” Bij de afrekening kosten vijf pinten geen 8 euro (wat vijf keer 1,60 euro zou moeten zijn), maar 8,50 euro. Zelf laten de sterkhouders van de Blue Army het woord niet één keer vallen. Het gaat over ‘die van aan ’t zwembad’ of ‘die van de andere kant’. En Henk: “Toen ik zes jaar geleden mijn nieuwe vriendin leerde kennen, bleken haar twee kinderen supporters van die andere ploeg te zijn. In haar huis zag ik een attribuut van die ploeg, dat vond ik afschuwelijk. Gelukkig is mijn vriendin zelf wel Clubsupporter. Anders zou het ook helemaal niet gaan.” Geert knikt. “Ik heb zelfs geen groene kleren.”

Over de, volgens hen, zelfverklaarde ploeg van de stad Brugge (“ze mogen die titel hebben, Club overstijgt de stad”, zegt Henk) geen woord meer. Wel heel veel woorden over Club. Hoe diep de liefde zit, willen ze wel uitleggen. Geert De Cang, lange tijd voor De Post gewerkt en nu zelfstandig consultant, is 39. “Eigenlijk ben ik van Zottegem afkomstig”, zegt hij. “Toen ik als kind interesse kreeg voor voetbal, was het niet zo dat ik een club koos omdat die dichtbij was of toevallig veel succes had. Het was meer zoals verliefd worden. Toen ik hier de allereerste keer naar het stadion stapte en van ver die spionkop hoorde, viel dat allemaal samen. Het verhaal klopte. Die vechtlust, teamspirit en dat volkse van Club herkende ik helemaal in mezelf. Ik koos geen club, de Club koos mij. Het voelde als thuiskomen en in het stadion zit ik zoals in mijn living. Club vergelijk ik een beetje met de flandriens. In de jetset wil ik Tom Boonen niet tegenkomen, maar als hij al vechtend tweede wordt, dan is dat van tel. Het DNA zit trouwens niet in het succes, dat zat er al veel langer in.”

Nog straffer dan dat is dat De Cang zijn drang helemaal volgde en op een dag naar Brugge verhuisde. Nico Bollaert idem: ruilde Beveren (“ik was supporter voor Jean-Marie, tot ik hier eens kwam”) voor Brugge.

En Henk Vanhee kwam met zijn net zo voetbalgekke ouders ooit in de Olympialaan in Sint-Andries wonen. U moet maar eens het officiële adres van het Jan Breydelstadion googelen. “Maar ik was vroeger al op De Klokke gaan kijken”, zegt Henk, 43 nu en drukker. “Mijn pa was meubelmaker en had een klein bankje voor me getimmerd, waarmee ik achter de goal over de afsluiting kon kijken. Toen is mijn liefde voor Club begonnen.”

Blauw en zwart forever

Blauw en zwart moet zien

’t Zien de kleuren van de Club

wor damme supporters van zien,

Blauw zwart!

Hij noemt het liefde, maar het is meer. Club is familie, zegt hij. “Eigenlijk is het een volksbeweging”, zegt Vanhee, die ooit zelf in de jeugdploegen speelde, generatie Henk Houwaart junior en Yves Audoor. “Ik had niet zoveel talent als die twee en toen zij doorstroomden naar de A-kern, stroomde ik door naar de kantine, de rockpodia en de East Side. Die was berucht in de jaren ’80, dat klopt. Maar het waren andere tijden en op een of andere manier moest je meedoen als je erbij wilde horen. Op Standard uitgemaakt worden voor ‘Sales Flamands’ of uitstappen aan het Centraal Station en daar opgewacht worden door hun kern... Op dat moment werd je zo meegezogen dat weglopen geen optie was. We hebben meegedaan, dat was een beetje het ingangsexamen. Maar uiteindelijk was ik niet gemaakt om hooligan te zijn. Wel om ‘van de Club’ te zijn.”

De ogen van Geert De Cang zeggen eigenlijk alles over het hart van zo’n supporter. Net als Bollie heeft hij spijt dat hij geen échte Bruggeling is. Hij heeft van nog iets spijt: “Ik ben jaloers op die mannen die de match tegen Ipswich hebben meegemaakt. Ginder verloor Club met 3-0, hier wonnen we 4-0. Dat moet fantastisch geweest zijn. Maar het magische zit hierin: je staat achter het doel en er ontstaat iets tussen publiek en spelers waardoor zij naar ons toe gezogen worden. Als supporter krijg je dan het gevoel dat je invloed hebt op de spelers. Soms winnen ze daarmee, maar zelfs toen we op Lierse met 2-1 verloren, had ik een goed gevoel. Alles zat wel tegen, we misten penalty’s, maar ze hadden geknokt.”

Bollie knikt: “Voor een ploeg ben je, altijd. Natuurlijk vloek je, toen die mauves vorig jaar in onze tempel kampioen kwamen spelen, heb ik gehuild en er is thuis een ruit gesneuveld toen ik van colère mijn schoen weggooide. Maar een dag later ben je al wat bekomen. Dat is supporter zijn. Ik heb respect voor die mensen die vorig jaar in Lokeren stonden, toen ze heel diep stonden. Of voor een supporter van Racing Mechelen die er ook vandaag staat.”

“Trots heeft niks met het palmares te maken”, zegt Geert. “Drie sterren op je shirt omdat je dertig keer kampioen bent? Hoe belachelijk is dat.”

Joseph Akpala, lala lalala la laa

Joseph Akpala, lala lalala la laa

Ivan Perisic, jalalalala

Ivan Perisic, jalalalala

Stijntje Stijnen, 5xklap

Stijntje Stijnen, 5xklap

Sjaals omzomen de muren van het FCB Kaffee, maar op tafel ligt iets moois: een elpee van ‘Tony Lenders & de Spionkop’, platenmaatschappij is Decca, met daarop de hits ‘Allee Blauwtjes’ en ‘Hand in Hand’. Zeventiger jaren, ooit was er een elpee voor Lotte, ook later kwamen er nog singles. Voor Geert De Cang is ‘Blauw en zwart forever’ het lijflied, voor Henk ligt dat misschien anders. Tik ‘Cowboy and Aliens’ in op Google en je vindt, in het West-Vlaams, een pagina over de rockgroep waarvan hij ooit zanger was. Twee keer speelden ze op Graspop, één single heet ‘Glory 1891’. “1891 is het jaar waarin Club opgericht werd”, zegt Henk. “We hebben van die single zeker 1.700 exemplaren verkocht en de opbrengst aan de jeugdwerking van Club gegeven. Al begrijpen mijn maten in het rockmilieu niet waarom ik zo door voetbal gepassioneerd ben, zelf denk ik wél een beetje te begrijpen wat die spelers voelen. Ooit mochten we in Vorst Nationaal het voorprogramma spelen voor Deep Purple. Daar stonden 8.000 mensen in de zaal en toen ik dat enthousiasme voelde, dénk ik dat ik voelde wat voetballers voelen als ze het terrein opkomen.”

De deur zwaait open en, ze mogen nadien nog zeggen dat het níét zo is, op het gezicht van Geert, Bollie en Henk verschijnt een prachtige glimlach. Trainer Adrie Koster komt een handje schudden. Of hij beseft dat twee van de drie speciaal in Brugge kwamen wonen uit liefde voor die ploeg? “De beleving voor voetbal die je hier vindt, heb je in Nederland toch minder”, zegt Koster. “Zelf was ik van Zierikzee en supporter van Ajax, maar daarom ging ik nog niet in Amsterdam wonen. Dit is wel uniek en je voelt dat die mensen op zo’n intense manier meeleven. Die actie op het trainingsveld illustreert dat uiteindelijk ook. Ze wilden een statement maken tegenover de spelersgroep en de staf. Daar was uiteindelijk niets mis mee.”

Koster excuseert zich, gaat in de andere hoek iets eten en de Blue Army-leden loven hun trainer. Klasseman. Goede communicator. Zoekt geen uitvluchten. Dan maar meteen tot de kern: hoe blijf je supporter als het de laatste jaren sportief niet te best ging, als het stormt in de kleedkamer, als spelers kuren tonen? “Die vechtpartijen in het bestuur gebeuren boven onze hoofden”, zegt Henk. “Dat doet misschien wel pijn, maar verandert niks. ’s Morgens ga je gewoon naar je werk met je muts van Club op het hoofd. En eigenlijk is het nu makkelijker een échte supporter te zijn dan als het goed gaat. Nu wordt het kaf van het koren gescheiden, nu zie je de echte familie.”

Geert: “Deze dip is tijdelijk en dankzij het DNA van deze club komt het goed. Zie het als twee partners: soms groei je een beetje uit elkaar, nadien is de liefde groter. Die spelers zijn uiteindelijk maar passanten, Club is meer dan die spelers. De karikatuur dat Club niet meer volks is, klopt niet. Club is wél nog volks.”

En Bollie: “Wat is de waarheid van wat er deze week over Stijnen geschreven is? Ik weet het niet. Natuurlijk is dat een pijnlijke affaire, maar Stijntje heeft ook veel punten gepakt voor ons. En nu is alles negatief. Over de 18 op 21 die we haalden, praat niemand.”

Nog eens Henk: “Dat internet is trouwens een ellende. Op maandag lees je nog dat we de volgende wedstrijd gaan winnen, maar dan begint de processie van Echternach en tegen het weekend zijn de commentaren zo negatief dat we alleen nog verliezen. Terwijl dit kwalitatief gezien de sterkste kern is sinds ik in 1973 kom kijken.”

Zo groot is de liefde van de supporter voor zijn club. Bollie vertelt er iets bij. “Op een ochtend overleed mijn moeder, ’s avonds ben ik naar Club gegaan. Ik schaam me daar nog altijd voor. Maar ik móést hier zijn om mijn verdriet te verwerken. Binnenkort trouw ik en ‘Blauw en zwart forever’ zal gedraaid worden. Misschien draag ik wel iets in die kleuren. Gertje Verheyen heeft beloofd dat hij komt en Peter Van der Heyden komt een uurtje diskjockey spelen. Dat hebben ze beloofd toen we voor de Damiaanactie boden op Brugge-shirts. Dat is trouwens iets wat alleen hier kan. Gert heeft 1.500 euro betaald voor het truitje van Philippe Clement. Gert is mijn god, jong. Een echte Clubspeler. Net als Henk Plovie. Weet je dat die trots is dat hij de reclamepanelen rond het veld mag aanbrengen? Dat begrijp ik.”

Lotte Lambert

Van wie zie ze benauwd als ie aant kanon ga gaan staan?

van Lotte Lambert

Er hangt een vlagje boven zijn deur in Sint-Kruis. Ervoor staat zijn busje: blauw-zwart. Blauw is ook de kleur van zijn raamkozijnen. En van: de wasmand, het eierdopje, het Dreft-wasmiddel en zelfs de vier grasparkieten in een kooitje op het terras. “Ik durf er niet mee kweken, uit schrik dat er een groene van komt”, glimlacht Bart Van de Pitte. “Eén keer hadden we toch een kleintje. Helemaal wit, de kleur van de uitmatchen. Maar dat heeft niet lang geleefd.” In zijn tuin een gehandtekend bord met een grote Paninifoto van Raoul Lambert, zelf gespit uit het park bij het Minnewater, toen voor Euro 2000 de Brugse helden werden geëerd.

Daarvoor zijn we hier niet. Ook niet omdat Bart lid is van ‘De Rembrandt’ in Zedelgem, een van de meer dan zeventig supportersverenigingen die Club rijk is. Wel voor ‘de Orde van de Hoed van Antoine Vanhove’ waar Bart lid van is. “Antoine was de man die van Club de typische familieclub had gemaakt”, zegt Bart. “Tot hij op een dag opzij werd gezet door iemand die we niet apprecieerden. Daarom hebben we die Orde opgericht, we zijn met zo’n dertig leden, allemaal hebben we een hoed zoals Antoine er een droeg.” Op die van hem blinken pins van Club en van duiven. Antoine Vanhove, jarenlang ‘directeur-beheerder’ van Club Brugge en in 2009 overleden, was een duivenliefhebber. De Orde komt af en toe samen, organiseert een kaarting, de opbrengst is voor de jeugd.

“Vijfhonderd procent voor Club ben ik nog altijd”, zegt Bart. “Kijk, ik ben niet naïef, op de manier van Antoine kan het misschien niet meer. Voetbal is business geworden. Maar de gedrevenheid van de spelers moet terugkeren.” Eerlijk, die vindt hij niet bij mannen als Perisic. Maar twee tattoos, één op het hart en één aan de andere kant, kun je niet wissen. Wil je nog minder. Al is het fanatieke er misschien een beetje af. “Vroeger miste ik geen match, nergens in Europa. Ooit moesten ze in Glasgow en Moskou spelen, er mocht eigenlijk geen Clubsupporter binnen, maar ik was er toch. We gingen mee op oefenkamp, ik heb er zelfs mijn vrouw leren kennen. Niks miste ik. Maar na de match op Gent, vorig jaar, is er toch iets veranderd. Die avond heb ik zelfs de rust niet gehaald, uiteindelijk verloren we met 6-1. Met de uitmatchen ben ik al eens selectiever.”

Maar toch. Hij is er zeker van dat het goedkomt. “Ooit worden we weer kampioen”, zegt hij. “Dat is net zo zeker als dat die anderen ooit terug naar tweede klasse gaan. Wat we nu wel missen, zijn de echte Clubspelers. Jongens als Blondel en Simaeys hebben dat wel. En Daan Van Gijseghem. Ik heb het voor die jongen.” Nog hoop: op de kast staat een foto van neefje Rune in Clubkleuren. Naar Rune Lange. Vijf jaar nog maar. Toch even die naam voluit: Rune Van de Pitte. Wie weet ooit.

En als het toch nog wat langer duurt, dan is er nog altijd een oude video. We flitsen naar de koude avond van 9 december 1987, terugwedstrijd van de 1/8ste finales van de UEFA-beker. De heenmatch heeft Club van Dortmund verloren met 3-0. De video van de terugmatch zag Bart al zeker honderd keer. “Ik kan het commentaar van Rik De Saedeleer voor 90 procent letterlijk weergeven. Die match bekijk ik vaak terug, zeker als het eens minder is gegaan. Het was een wereldmatch van Ronny Rosenthal en we wonnen met 5-0. Terwijl er zelfs drie goals afgekeurd werden. (glimlacht) Eentje terecht.”

Dat doelpunt scoorde Marc Degryse.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234