Maandag 14/10/2019

Huis van Hiele

Bisschop Johan Bonny: "Af en toe kom je iemand tegen van wie je zegt: met haar zou ik het wel zien zitten"

Beeld Wouter Van Vooren

Hij hekelt de angstpolitiek in Antwerpen, onthult zijn guilty pleasures en pleit voor opvallende compromissen. Het celibaat, vrouwelijke priesters, het holebihuwelijk? "Pak het per regio aan. Anders blijf je zitten met een alles of niks-verhaal", predikt de Antwerpse bisschop Johan Bonny (63).

Het gebed voor de maaltijd slaat hij over, het aperitief ook. “Is een kop koffie toegestaan voor het eten?”, vraagt de Antwerpse bisschop. “Ik kan wel een cafeïneopkikker gebruiken.”

Zijn dag is – zoals elke dag in het leven van Johan Bonny – gestart om klokslag half zeven. Van het bed gaat het rechtstreeks naar de kapel (“om een uurtje te bidden”). Voor de rest lijkt het bisschoppenbestaan verdacht veel op dat van een topmanager: ­volgepakt met meetings en mails. “Vroeger zat ik makkelijk tot elf uur ’s avonds achter mijn computer. Nu probeer ik toch om half tien te stoppen. Dan kijk ik ter ­ontspanning naar een kookprogramma. Verstand op nul.”

Hij is stilaan toe aan vakantie. “Als bisschop hoor je ook veel miserie. Ouders die een kind ­hebben verloren, mensen met een zieke partner. Ik luister naar hun leed, probeer te helpen waar ik kan. Maar af en toe heb ik nood aan rust. Niets zo helend als stilte.”

Gelukkig hebben ook bisschoppen zoiets als een groot zomerverlof. Bonny trekt zoals elk jaar drie weken naar Frankrijk. Bakken op een ­strandhanddoek is niet aan hem besteed. Liever fietsen en wandelen, of zich verdiepen in een goed boek. Geen vakliteratuur tijdens de ­vakantie, maar een
The New York Times-­bestseller: Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid van Yuval Noah Harari.

Voor het werk mag het iets avontuurlijker: in februari trok hij per taxi door Syrië, van Damascus over Homs naar Aleppo. “Op mijn tweede dag in Damascus, tijdens een bezoek aan een Syrisch-orthodoxe patriarch, ontplofte er op 100 meter van mij een bom”, vertelt hij. “Ik schrok me rot. Maar de Syriërs keken amper op: ‘Och, het was maar een kleintje’. De dag voordien waren er nog kinderen gedood door een zwaarder exemplaar. Dan besef je pas echt dat je uit een van de weinige bevoordeelde streken ter wereld komt.”

Zowel buitenlandse zaken als uw entourage raadden de reis af wegens ‘te gevaarlijk’. U ging toch.

“Ik ben niet snel bang. Ik was al een keer of zes in Syrië geweest, voor de oorlog er uitbrak en voor ik bisschop werd. Twaalf jaar lang verzorgde ik de relaties tussen het Vaticaan en de christelijke ­kerken in het Midden-Oosten. Toen een oude kennis me opnieuw uitnodigde, wist ik dat ik moest teruggaan.”

Waarom?

“Om de verwoesting met mijn eigen ogen te zien. Homs en Aleppo zijn bijvoorbeeld volledig ­weggevaagd. Dat laat je achter met een enorme frustratie en kwaadheid. Van Rusland en de VS tot de Golfstaten en Israël: ieder land speelt daar gewoon zijn spel, in zijn eigen belang.”

Wat kan een Belgische bisschop dan doen?

“Na mijn terugkeer heb ik opgeroepen om de werking van Caritas, dat goed werk levert in Syrië, te steunen. Ook hebben de geloofsgemeenschappen in ons land een akkoord met de regering om een humanitaire corridor te openen: een systeem om vluchtelingen op veilige wijze naar hier te brengen. Legaal, per vliegtuig, op kosten van het goede doel. Competente mensen doen de selectie ter plaatse: wie zit er het diepst in de problemen en moet echt het land uit? Eenmaal hier moeten de Syriërs nog de standaard asielprocedure door, maar ze hebben ondertussen wel middelen, steun, een dak boven hun hoofd.

“De regering heeft toegezegd om via die ­humanitaire corridor zo’n 150 mensen naar hier te brengen. We zitten nu ongeveer aan de helft.”

Zijn dat vooral christenen? Er werden in twee jaar tijd al aan 620 Syriërs humanitaire visa ­verleend. Bijna allemaal christenen.

“Dat is een andere groep geweest, langs een andere weg. Bij onze humanitaire corridor gaat het om christenen én moslims.

“Jammer genoeg zijn veel christenen uit het Midden-Oosten ons land voorbijgetrokken. Ze zijn naar andere landen getrokken.”

Hoe komt dat? 

“Goeie vraag. Volgens mij uit wantrouwen ­tegenover onze samenleving hier. De verharding. Dat schrikt hen af.

“Als ik bijvoorbeeld mensen hoor verkondigen dat de integratie hier is mislukt, denk ik: dat klopt niet. Dat is niet alleen een blaam voor al diegenen die eraan hebben gewerkt, bijvoorbeeld in het onderwijs. Het is gewoon niet juist. De integratie is beter dan men laat uitschijnen.”

Uw toon is wel heel anders dan die van het Antwerpse stadsbestuur.

(aarzelt) “Antwerpen is op veel vlakken goed bezig. Veiligheid. Netheid. Culturele activiteiten. De haven, de universiteit en (hoge)scholen doen het goed. Maar op het vlak van dialoog en respect tussen verschillende bevolkingsgroepen en ­culturen is er nog veel werk aan de winkel.

“Er is een grote kloof tussen de taal van de ­politiek en de dagelijkse realiteit. De taal en toon die de politiek hanteert, is vaak veel negatiever dan de concrete realiteit. Ik vrees dat het de komende maanden niet beter wordt.”

U vreest voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen?

“Men wint stemmen door te verharden. Door in te spelen op de angst die hier en daar heerst en op interculturele verschillen. Dat is niet oké. Dat soort taal verscherpt enkel het wantrouwen. Terwijl het leven nood heeft aan verbinding.
“Je moet vermijden dat alles wat je hebt ­opgebouwd weer verloren gaat. Zolang moslimkinderen samen in de klas zitten met katholieke en vrijzinnige kinderen, bouwen we aan een ­geïntegreerde samenleving. Als we een sfeer scheppen die ertoe zou kunnen leiden dat een moslimgroep zegt: nu zetten we onze kinderen op een aparte school, dan gaan we pas achteruit.”

Beeld Wouter Van Vooren

Bent u pro of contra het hoofddoekenverbod in de klas?

“Vanuit het katholieke onderwijs hebben we gezegd: we gaan geen algemene regel uitvaardigen. Als een school merkt dat hoofddoeken voor scheiding of conflict zorgen onder de leerlingen, of twee aparte groepen creëren op de speelplaats, kunnen die worden gebannen.” 

En wat dan met kruisjes? 

“Alle religieuze symbolen moeten kunnen, dus ook het kruisje. Met gezond verstand en de juiste maat. Meisjes mogen bijvoorbeeld ook een half maantje dragen."

De hoofddoek is volgens u te opzichtig?

“Niet noodzakelijk. Het kan te opzichtig zijn in een bepaalde groep. In een andere misschien niet. Elke school moet het voor zichzelf bepalen. Soms vergroot je het probleem door een algemeen debat te voeren en één oplossing voor heel Vlaanderen naar voren te schuiven.”

'K heb ier een paar hosties gemaakt voor u”, zegt chef Willem Hiele in zijn sappigste West-Vlaams terwijl hij wat hapjes op tafel zet. Voor het eerst in het gesprek schakelt de bisschop over naar zijn moedertaal: “K maak ze wel een beetje groter se.”

Bonny groeide op in het geruisloze Gistel, diep in West-Vlaanderen. In een katholiek boerengezin, als oudste van vijf kinderen. Hij was de enige met een roeping. Twee broers en een zus werden ingenieur, een andere broer godsdienstleerkracht. “We hebben een goede band. Maar op z’n West-Vlaams. We lopen elkaars deur niet plat, noch telefoneren we om de twee dagen. We zijn er voor elkaar als er iets is.”

Hij bestelt toch een glas rood. Benadrukt dat zijn ouders hem nooit richting priesterschap ­hebben gepusht. “Die wens kwam volledig uit mezelf.”

Waarom wilde u absoluut priester worden?

“Ik wilde eerst pastoor worden van een parochie. Als pastoor doe je echt iets wat niemand anders doet. Je bent met zingeving én met mensen bezig, met geboorte en dood, met lijden en geluk. Al werd ik ook wel bekoord door het abdijleven: Orval, Westvleteren...”

Voor het bier?

“Nee. Ik ben meer een man van het tafelbier. Het heeft vooral te maken met de rust, het groen, de stille kerk waar je alles kan laten bezinken. Ik hoopte vooral dat ik nooit in een stad moest werken. Dat is niet ­helemaal gelukt.” (lacht)

Beeld Wouter Van Vooren

We hebben ons laten vertellen dat u ooit een herexamen hebt gehad: uitgerekend voor godsdienst.

“In het voorlaatste jaar van de humaniora. Onverdiend wil ik niet zeggen, maar ik weet wel dat het niet klikte tussen die godsdienst­leraar en mij. Ik vond bij hem mijn ding niet. Hij was heel filosofisch. Ik was bezig met religieuze vragen. Wat is geloof? Wie is God? Dat wilde ik weten. Maar op dat vlak bleef ik op mijn honger. Alsof je als ­voetballer geen enthousiaste coach vindt. Dan geraak je niet vooruit.”

Hebt u dit voorjaar naar het VIER-programma De mol gekeken?

“Nee. Ik weet wel dat de mol een priester was.”

Een vloekende, liegende priester. 

“Als je in zo’n spel stapt, moet je het all the way spelen. Als je voetbal speelt, geef je ook niet alleen ­kruispassen.” 

Bezondigt u zich vaak aan liegen?

“Ik ga niet verkondigen dat ik nog nooit heb gelogen. Dan zou ik ­liegen. Maar ik ben een slechte ­leugenaar. Je merkt het meteen.”

Reden te meer om de volgende vraag te stellen: Pieter Delanoy, alias de mol, vertelde in Humo dat hij het celibaat niet meer van deze tijd vindt. Herkenbaar?

“Is het een waardevolle keuze om ongehuwd te blijven omwille van de liefde voor Jezus en het evangelie? Ja. Is het een haalbare keuze? Ja. Is het een gemakkelijke keuze? Neen.”

Maar moet het wel een keuze zijn?

“Daar wou ik naartoe. Zou ik blij zijn mochten we gehuwde mannen tot priester kunnen wijden? Ja. Het zou de Kerk ten goede komen.

“Zit er vooruitgang in? Niet echt, maar ik denk dat het bij paus Franciscus meer bespreekbaar is dan voordien. Zo’n verandering zie ik niet meteen gebeuren voor de hele kerk ineens. Voer die ­verandering eerst door in regio’s waar de ­gemeenschap erop zit te wachten. Dat zou wel moeten kunnen.”

Hebt u zelf ooit met het celibaat geworsteld?

“Ik zag mijn broers en zus relaties krijgen en ­trouwen, maar voelde nooit jaloezie of een gemis. Ik had literatuur, filosofie, kunst, cultuur, mijn geloof. De wereld ging voor mij open in de Kerk.”

Nooit verliefd geworden?

“Verliefd is een groot woord. Wel een klik gevoeld. Af en toe kom je wel eens iemand tegen van wie je zegt: met haar zou ik het wel zien ­zitten. Of iemand van wie je het gevoel hebt dat zij een leven met jou wel zou zien zitten.”

Is dat dan niet moeilijk, alleen al uit ­nieuwsgierigheid, om die klik niet verder te verkennen?

“Eerlijk? Nee. De aantrekking tot het priesterschap was voor mij steeds ruimer en sterker.

“Tot ik bisschop van Antwerpen was, heb ik wel altijd in gemeenschap gewoond. Altijd ­mensen rondom mij gehad met wie ik samen at, samen lachte, samen bad. Dat hielp tegen ­eenzaamheid. Als bisschop is dat anders. De jongste jaren besef ik beter dat ik vertrouwenspersonen nodig heb, met wie ik op tijd en stond een ­persoonlijk gesprek kan voeren.”

Stel nu even dat u als priester of bisschop wél de keuze hebt tussen celibaat of huwen. Wat zou u dan kiezen?

“Ik heb de kindjes van mijn broers en zus gedoopt. Dat deed me wel iets. Niet dat ik daarna wenend naar huis ging, of overspoeld werd door een gevoel van gemis. Maar je realiseert je op zo’n moment wel dat je ook een gezin had kunnen hebben. Ik ga nooit met mijn zoon of kleinzoon langs de zee kunnen wandelen. Maar ik heb nooit getwijfeld aan mijn keuze.

“Een leven als gehuwde priester is evenmin een makkelijke keuze. Ik hoop trouwens dat het ongehuwde priesterschap in de Kerk blijft bestaan. Dat heeft iets authentieks, iets krachtigs, uit het evangelie.”

Toen het pedofilieschandaal in de Kerk ­uitkwam, wezen velen naar het celibaat als een van de oorzaken.

“In welke mate het celibaat meespeelt bij ­misbruik, is een vraag die je eigenlijk aan de wetenschap moet overlaten. De daad komt uit de persoon, hoewel de context ertoe kan en zal ­bijdragen. Ongeveer 85 procent van alle ­kindermisbruik vindt plaats in de familie. Misschien zouden daders uit de Kerk ook deviant zijn in hun familie als ze gehuwd waren geweest? 

“Je kunt wel met zekerheid zeggen: zeker ­binnen de Kerk had dit misbruik nooit mogen gebeuren.”

Beeld Wouter Van Vooren

Heeft die periode uw geloof in de Kerk doen wankelen?

(zucht) “Het is een zwarte bladzijde in het leven van de Kerk. Maar de Kerk is groter dan wat er hier is gebeurd. Toch was het een zware periode. Ik was pas een jaar bisschop toen het schandaal hier in 2010 losbrak. Na de zaak met de bisschop van Brugge (Roger Vangheluwe, red.) barstte een vulkaan uit. Honderden dossiers in een paar weken tijd die naar boven kwamen: daar was ­niemand op voorbereid. 

“Ik was de jongste bisschop maar moest plots voor alle bisdommen en congregaties een ­actieplan helpen uitdokteren. Terwijl je weet: zelfs al probeer je nu nog het goede te doen, je kunt er alleen maar slecht uitkomen. Ik besefte wel meteen dat we het probleem onmiddellijk en zelf moesten aanpakken. Dat we niet moesten wachten tot een ander dat voor ons kwam doen.”

Zat u allemaal op dezelfde lijn? Van huidig aartsbisschop De Kesel werd gezegd dat hij te zacht was voor de daders, te veel met de ­mantel der liefde wou bedekken.

“Ieder heeft zijn eigen karakter en persoonlijkheid die meespelen. Maar qua principes en ­aanpak zaten we uiteindelijk allemaal op dezelfde lijn.

“Als de dader nog leefde, waren er verschillende vragen. Wat maakt dat iemand zoiets doet? Dat een mensenleven naast veel goede bladzijden ook zo’n zwarte kan tellen? En wat doe je met zo iemand? Je kunt die niet van de aardbol laten ­verdwijnen.”

Dus mogen ze zoals Roger Vangheluwe ‘in het verborgene’ gaan schuilen?

“Dat blijft een teer punt. Die zaak was, zoals de meeste dossiers, juridisch verjaard. De Kerk heeft hem een sanctie opgelegd: hij leeft in Frankrijk in een gesloten abdij waar hij niet buiten kan, geen priesterlijke activiteit mag uitoefenen en geen contacten mag onderhouden. Tot het eind van zijn dagen. Ik weet niet waar hij zich precies bevindt. Ik moet dat ook niet weten. Als mensen mij vragen waar hij woont, hoef ik niet te liegen.

“Is die straf voldoende? Het is zowat de ­zwaarste straf die de Kerk kan geven.”

Men had hem ook – bij wijze van duidelijk ­signaal naar de buitenwereld – uit de Kerk kunnen zetten.

“Dan is hij vogelvrij, kan hij gaan en staan waar hij wil, doen wat hij wil. Er zijn na de schandalen een aantal priesters uit hun ambt ontzet. Aan hen heeft geen enkele bisschop nog iets te zeggen. Als die opnieuw, hier of in een ander land, iets ­verkeerd doen, hebben wij daar geen controle of bevoegdheid meer over.

“Al bij al vind ik wel dat we het behoorlijk ­consequent hebben aangepakt. We moesten ­destijds een gemeenschappelijke aanpak vinden. Al dat overleg, het duwen en trekken aan die ­complexe groep, heeft ongelofelijk veel energie gevraagd. Het was zwaar en het heeft me ­getekend. Ik ben er een paar illusies armer door geworden, maar heb er veel door bijgeleerd over de Kerk en over onze samenleving.”

U klinkt als iemand die graag de volgende aartsbisschop zou worden.

“Ik loop niet rond met de ambitie om dat te ­worden. Ook al omdat Antwerpen mij dierbaar is. En ik word een dagje ouder.”

Velen hadden in 2015 hun geld op u, en niet op Jozef De Kesel, gezet als opvolger van ­aartsbisschop Léonard. Vond de Kerk u te ­progressief?

“Dat weet ik niet. Over die hele procedure wordt met geen woord gerept binnen de Kerk.

“Net in die maanden schreef ik een tekst over het gezin. Die was bij sommigen in België en in Rome niet in goede aarde gevallen. Er was ­discussie over. Dat weet ik wel.”

Dan ging het vooral om de passage waarin u pleitte voor de kerkelijke erkenning van holebi­koppels.

“Ja.” 

Zou u dat, gezien de ophef die erover ­ontstond, vandaag opnieuw schrijven?

“Toch wel. Ik ben geen relschopper of ­barricadespringer. Wel vind ik eerlijkheid ­belangrijk. Net het misbruikschandaal heeft me geleerd dat mensen alleen vertrouwen hebben in kerkelijke leiders die eerlijk zeggen wat ze ­denken. Ik vond en vind dat onderwerp ook te belangrijk om te zwijgen.

“Sinds ik die tekst schreef, spreken veel ­mensen me aan over hun persoonlijke leven op een manier waarop ze daarvoor nooit deden. Vaders en grootvaders, bijvoorbeeld, die voordien nooit aan mij zouden gezegd hebben dat hun zoon of kleinzoon homo is.

“Maar ja: die tekst kan een rol gespeeld hebben bij het kiezen van de nieuwe aartsbisschop.”

Aartsbisschop De Kesel denkt na over een alternatief huwelijk voor holebi’s, maar ringen uitwisselen vindt hij een brug te ver. 

“Eenzelfde ritueel of sacrament voor iedereen is nu een brug te ver. Dus moeten we op zoek naar andere rituelen, die een zinvol alternatief kunnen vormen voor het sacramenteel huwelijk. Ook voor gescheiden mensen die willen hertrouwen. Nu is er te weinig diversiteit in ons ritueel aanbod.

“Ik pleit ervoor om zulke dingen per regio aan te pakken. Net omdat er wereldwijd zulke grote culturele verschillen bestaan over deze levensvragen. Anders blijf je zitten met een alles-of-niks-verhaal. Hier en daar wordt er al gewerkt met een vriendschapszegen voor holebiparen. Voor hetero­paren die willen hertrouwen zou zo’n ­zegening ook een goed alternatief kunnen zijn.”

Zo geef je toch nog steeds het signaal dat die ‘alternatieven’ minderwaardig zijn?

(denkt lang na) “Het kan allicht zo blijven ­overkomen. Als iets van tweede orde.” 

Benadert de Kerk het dan zo niet?

“De vraag is: hoe kun je als Kerk twee waarden tegelijk ondersteunen? Enerzijds willen we de basisrealiteit – man en vrouw die elkaar levenslange trouw beloven in een huwelijk en ouders zijn van hun eigen kinderen – alle kansen geven. Anderzijds willen we niet discrimineren of ­uitsluiten. Er zijn andere relaties die ook een plek verdienen in de Kerk. Ook zij vragen om een ­ritueel. Eigenlijk is de vraag of er hier een soort eenheid in verscheidenheid mogelijk is.”

Beeld Wouter Van Vooren

Ziet u dat onderscheid in de nabije toekomst verdwijnen?

“Ik denk dat dat er altijd zal zijn. We moeten niet alle relaties in het ene sacrament van het huwelijk willen duwen. Laat dat voor man en vrouw.”

Is het niet voorbijgestreefd om anno 2018 een man en vrouw als basisrealiteit te blijven beschouwen? Onze maatschappelijke ­invulling van relaties en gender wordt steeds meer fluïde.

“De vraag is of je daarmee antropologisch op de goede weg bent. Kan men het verschil en de complementariteit tussen man en vrouw uitvegen?”

Hoe bedoelt u?

“Die dubbele typologie van man en vrouw moet je duidelijk houden, met name in het sacramentele huwelijk. Ik denk dat er wel degelijk relevante antropologische verschillen zijn, gebonden aan het man- of vrouw-zijn. Dat zegt niet het ­christendom, dat zegt ook de natuur.”

Er worden ook kinderen geboren die beide geslachtsorganen hebben. Of die gaandeweg beseffen dat ze in het verkeerde lichaam zitten.

“Dat zijn uitzonderingen die we zo passend en respectvol mogelijk moeten meenemen.”

Iets anders: de bisschoppenconferentie heeft zich net uitgesproken tegen de regerings­beslissing om abortus uit het strafwetboek te halen. Bent u het daarmee eens?

“Ja. Met volle overtuiging. De voorstanders ­kunnen inderdaad argumenten hebben. Maar voor mij gaat het niet om een of ander neutraal weefsel. Wel om een kind in wording.

“Om dat verschil in te zien, moet je maar naar koppels kijken die bergen zouden verzetten om kinderen te kunnen krijgen of om een baby niet te verliezen. Die begrijpen niet dat je een kind in wording kan weghalen.”

Moeten vrouwen die geen kind willen dan een kind krijgen omdat een ander het niet kan?

“Het gaat er vooral om dat die foetus een kind in wording is. Tijdens zwangerschappen worden al moeilijke operaties uitgevoerd. Dat doe je niet voor een ‘neutraal weefsel’. In dat geval zeg je niet: ‘Laat die operatie maar, we gaan gewoon voor een nieuwtje’. Dat doe je omdat het al een kindje is.”

Maar in dat geval is het kind gewenst. Wat met ongewenste kinderen?

“Uiteraard komen er bij elke zwangerschap ­wisselende emoties. Ik heb het hier ook niet over verkrachting...”

Daar kan abortus wel?

“Er zijn schrijnende verhalen waarin een aparte ethische overweging mogelijk is. Maar het debat moet vooral gaan over die overgrote meerderheid van onvoorziene zwangerschappen, waarbij de planning of de anticonceptie niet gebruikt of gelukt is. In welke mate kun je het leven van een kind laten afhangen van het feit of dat al dan niet gewenst is door de moeder? In het wetsontwerp is trouwens van de vader of familie amper sprake.”

Beeld Wouter Van Vooren

Het gaat over het lichaam van de moeder. 

“Als priester heb ik al met meerdere koppels met onvoorziene zwangerschappen gesproken. Een verscheurende keuze. Eén koppel besliste om het kind toch te houden en te trouwen. Die zijn nu gelukkig. In een ander geval besliste de vrouw het niet te houden en kon haar vriend dat niet ­verkroppen. Relatie gedaan. Dat is tragisch.”

Opgroeien bij ouders die je liever niet hadden, kan ook tragisch zijn. 

“Het gevoel van gewenst-zijn blijft een bijzonder subjectief criterium. Ook de tijd speelt een rol. Soms kan gewenst overslaan in ongewenst of ongewenst overgaan in gewenst. Onze wensen en onze verantwoordelijkheid vallen niet altijd samen.
“Wij vinden dat je als samenleving het zwakste leven moet beschermen. De wet moet er net zijn om hen te beschermen die nog niet in staat zijn om zichzelf te beschermen.”

Wie beschermt het zestienjarig meisje dat echt niet klaar is voor een kind?

“We mogen aan dat meisje niet het signaal geven dat abortus een gewone vorm van anticonceptie is. Ze moet nog een verantwoordelijke vrouw worden. En wat doe je met kinderen die een beperking hebben, zoals het syndroom van Down? Ook daar zit de Kerk met zorgen. Wie beschermt het zwakke leven?”

U bent geen voorstander van de NIPT-test?

“Alle testen moeten voor mij kunnen. Maar het wordt zo standaard dat ouders bijna nagekeken worden als ze een kindje met een beperking wel houden. Zo van: ‘Wist je dan niet beter?’ Of: ‘De samenleving moet nu opdraaien voor de extra kosten’. Wij vinden dat ook een kind met Down alle kansen moet krijgen.”

Draait u de kwestie nu niet om? Het is niet omdat abortus uit het strafwetboek verdwijnt dat mensen niet meer kunnen kiezen om het kind wel te houden.

“Ik wil gewoon wijzen op het risico dat het ­evident wordt dat je zo’n kind evengoed of beter niet houdt.”

En dat heb je niet als abortus in het ­strafwetboek blijft staan?

“Dan stuur je een sterk signaal: van het leven blijf je af. Laat ons nu eens niet aan onszelf denken, niet op korte termijn denken, maar aan de ­toekomst van de samenleving. Uitzonderlijke oplossingen kunnen niet de regel worden.”

Beeld Wouter Van Vooren

Almaar meer mensen vinden dat de kloof ­tussen de Kerk en maatschappelijke evoluties te groot wordt en haken af. Schiet de Kerk zich niet in eigen voet door zich zo op te stellen?

“Stel je dat standpunt bij, dan win je misschien aan populariteit, maar verlies je aan ­geloofwaardigheid en bestaansrecht. De Kerk kan haar betekenis niet enkel halen uit numerieke steun. Ze moet eerst en vooral bij het evangelie blijven.
“Maar een Kerk die alles in dezelfde zak van het verbod steekt, verliest ook aan geloofwaardigheid. Als je nog geen kind wil, gebruik dan ­anticonceptie. Abortus is van een andere orde: daarmee beëindig je een leven in wording. Euthanasie is dan weer iets heel anders, toch als er een heel leven aan vooraf is gegaan.”

Zit ook nog in de nee-zak van de Kerk: ­vrouwen die priester kunnen worden. 

“In onze cultuur lijkt dat een evidentie. Maar ik weet dat ik dat niet meer zal meemaken. Er valt nu meer te winnen door in te zetten op positieve discriminatie: in alle functies waarvoor de ­priesterwijding niet nodig is, kunnen we een vrouw benoemen. Daar bewijs je hen en de ­kerkgemeenschap een grotere dienst mee dan met een ideologisch gevecht.”

Hebt u zelf meer vrouwelijke of mannelijke vrienden?

“Vrouwelijke. Omdat het een ander gesprek is. Over emoties, het leven, vreugde en pijn. Ze laten je dingen zeggen die je anders niet zo gemakkelijk zou delen.”

Dat treft: we wilden u net, bij wijze van ­afsluiter, nog een paar biechtvragen ­voorschotelen. 

“Vraag maar.”

Wat is uw grootste zonde?

(lacht) “Zelfoverschatting. Toch nog denken dat je het verschil kunt of moet maken. Terwijl je als mens bescheiden zou moeten zijn.”

En uw ultieme guilty pleasure?

“Roquefort.”

Het bier?

“De kaas. Hervekaas mag ook. Zolang het maar stinkt.” (lacht)

Gelooft u echt in het hiernamaals?

“Ik hoop dat er iets zal zijn. Ik hoop ook dat ik met geen woorden kan beschrijven wat dat zal zijn. Anders is het niet de moeite waard.”

Beeld Wouter Van Vooren

Is het niet frustrerend dat u binnen een Kerk moet opereren waarin u soms gewrongen zit?

“Er zijn, euh, probleempunten, maar dat is zo in elke relatie. Ik leef niet in conflict met de Kerk. De Kerk is mijn leven, mijn familie, mijn lief, de reden dat ik ongehuwd ben gebleven.

“Dat een gehuwde man nu nog geen priester kan worden is inderdaad een van de dingen waar ik mee moet leren leven. Net zoals ik moet leven met de spijtige realiteit dat het evangelie in onze contreien geen succesverhaal is. Ook dat doet mij verdriet. Je moet het leren plaatsen.”

Beschouwt u atheïsten stiekem als ketters?

“Nee. Maar militant ongeloof vind ik even ­onzinnig als militant geloof. Laat het verdedigen of het bestrijden los. Ik ben christen. Voor mij is er één man...”

Of een vrouw?

“Ik moet jullie teleurstellen: post factum ­veranderen, dat gaat niet meer.” (lacht)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234